We stonden er mooi op, die eerste dag.

Het portretje dat ik zonder dat zij het zag precies een week geleden van haar had gemaakt op een fototentoonstelling in het Gemeentearchief zat inmiddels in het virtuele logboek van mijn website. Dagelijks had ik naar haar gekeken, en per verrassing kwam ze een week later weer in beeld in het café van het Foam, het fotografiemuseum. Ze zat achterin in het licht van de ramen achter haar, strijklicht van de zon van achteren op haar blonde haar, een plaatje. Achter haar stond een vaas met witte leliën en rooie magnolia's. Nu zal ik geen foto kunnen maken. Ze herkende mij meteen en glimlachte. Vorige week was ze alleen, en nu ook. Dat verbaasde me ook nu weer. Zo mooi, zo ingetogen, soeverein zelfs. Alle tafels en stoelen waren bezet, alleen de stoel tegenover haar was vrij. Het was druk, maar misschien omdat ze in het zonlicht zat was het alsof ze werd uitgelicht en alleen in de ruimte zat.
'Koffie?' vroeg ze. 'Cappuccino?'
Olijk, ze vroeg het olijk. Ik knikte. Ze nodigt me uit op de koffie, realiseerde ik me. Even na mij kwam het meisje van de bar met haar koffie en zei, ook al met een glimlach, dat ze meteen een cappuccino zou brengen.
'Schaduw je mij?' vroeg ze, en ze stak een mooie blanke hand uit.' Amélie de Lijster.'
'Thom,' zei ik. 'Deplume. Ik ben je een week lang uit het oog verloren, maar je was niet uit m'n gedachten.' Ik had het gezegd voordat ik het wist. Maar zo was het wel een beetje. Misschien was ik wel intuïtief op dit tijdstip naar deze expositie gegaan. 'Je hebt een prinsessennaam, die past wel bij je, maar je hebt de uiterlijke verschijning van een vrije vogel.'
'Ga jij op namen af?' vroeg ze. 'Ben jij dan misschien zo'n gelovige Thomas? Wat geloof je zelf Thom?'
'Waar ik op af ga zijn fantasietjes,' zei ik. 'Maar misschien kun je het ook wel intuïtie noemen.' Wat zwaar. De éne opmerking riep de andere op, maar ik had niets gezegd waar ik spijt van had.
'Zullen we nog een kop koffie nemen, en nu met de appeltaart die hier werkelijk krokant en overheerlijk is?' vroeg Amélie.
'Vergeleken met ons vorige gescheiden tentoonstellingsbezoek,' zei ik, 'is dit nu opeens een zeldzaam fijne bijeenkomst, en het gekke is dat ik het heel niet zonderling vind, maar heel vertrouwd en genoeglijk zelfs. Wat vind jij Amalia?'
'Je mag me ook Amy noemen zoals sommige van m'n vrienden,' zei ze.
'Ik zal je nog wel eens zeggen hoe je mij ook mag noemen,' zei ik.
'Hoe kom je er bij,' vroeg ze lachend, 'dat die gelegenheid zal komen?'
'Laten we eerst naar de foto's gaan kijken,' zei ik, 'of heb je ze al gezien?'
'Nee, toen ik het Foam binnenkwam,' zei ze, 'ben ik eerst hier naar toe gegaan. Anders was ik jou misschien mis gelopen.' Ze lachte en keek guitig naar de laatste kruimels van de appeltaart, vermaakt zou je kunnen zeggen. Dat zag ik als een signaal van een goed contact.
'Wat trok je eigenlijk naar de tentoonstelling van Frits Weeda?' vroeg ik. 'Mag ik dat vragen? En waardoor denk je dat de fotografen op deze tentoonstelling spannend zullen zijn? Misschien is dat wel heel persoonlijk, maar het is toch ook een vraag die je op een tentoonstelling zou moeten mogen stellen zonder te vrijpostig te zijn.'
'Ik weet het,' zei ze, 'we nemen nog een kopje koffie, of zou je wat anders willen?'

Geen moment had ik de indruk gehad dat ik me opdrong, het was alsof ik een vriendin was tegengekomen die ik een tijdlang niet had gezien en ik wilde weten hoe het met haar ging sinds ik haar het laatst had gezien. Waarom zou ik haar dan intussen zo lang niet ontmoet hebben, vroeg ik mij af, had ze een partner met wie ze haar leven deelde? Ze zal wel in de stad wonen, want anders was ik haar niet ook in het Gemeentearchief tegen gekomen. Wat deed ze in haar vrije tijd? Ging deze prinses misschien incognito ook naar bokswedstrijden? Zat er een bodyguard in het café? Ik had haar nooit eerder in de stad gezien, waar kwam zij vandaan? Ik bleef er kalm onder omdat het samenzijn zo vertrouwd aanvoelde maar feitelijk was het een heel uitzonderlijke ontmoeting. Zouden we wat anders kunnen eten dan appeltaart? Of zou ik kunnen voorstellen na ons tentoonstellingsbezoek ergens te lunchen?
'Ja, we nemen nog een koffie,' zei ik, 'voordat we boven gaan kijken.'
Ze lachte, innemend, zo hartelijk en zo open. Wanneer had ik haar voor het laatst gezien? Wat bewoog haar tot die lach? Wat zou ze voor werk doen?
'Weet je,' zei ze, 'de foto's op de tentoonstelling van Frits Weeda wilde ik zien om de sfeer in te nemen van de jeugd van mijn vader. Ik was met hem samen. Hij kwam daar een bekende van vroeger tegen. Voor hem was het een opnieuw beleven van die tijd. Voor mij was het een leven in troosteloze armoede. Maar door hoe hij er over vertelde begreep ik dat je in die tijd focuste op een andere toekomst en dat je niet zo gretig was gericht op spullen. Ik wist dat wel uit verhalen, maar toen zàg ik het. Na zijn jeugd die zich afspeelde aan de Westlandgracht, aan de rand van de stad, aan het einde van de toen bekende wereld, droomde hij van wat er daar achter de horizon lag, heeft hij me verteld. Dit is hem.'
Amélie pakte een mobieltje en liet een fotootje zien van een man, een middenzestiger. Hij glimlachte naar me. Ik kreeg dus zijn goedkeuring om op deze manier met zijn dochter te praten. Ze keek me rustig en open in de ogen, en zei even niets meer. Ze roerde in haar koffie hoewel ze er nog geen suiker in had gedaan. Mooie huid. Grote ogen. Gracieuze neusvleugels met kleine sproetjes, maar daar ging het allemaal niet om. Wat haar zo aantrekkelijk maakte was dat ze naar de wereld van haar vader was wezen kijken. Wat haar ogen zo mooi maakte was het hetgeen waar ze naar keek en vooral hoe ze er naar keek, leek me. Voordat ze haar mobieltje weer kon opbergen hield ik haar handen vast. Ze voelden warm aan en het tintelde in mijn nek, over mijn hele rug. Zo voelde het dus als ze echt waren. Ik keek op naar haar ogen. Die waren gesloten. De tijd dat we met elkaar hadden zitten praten hadden we een wereldreis gemaakt. Waar was ze geweest al die jaren? Hoe kwam het dat we elkaar ontmoet hadden?


Amélie trok zachtjes haar handen terug en keek mij weer aan. Ze pakte een zakdoek en veegde vluchtig over haar wangen onder haar ogen.
'Zullen we naar de foto's gaan kijken,' vroeg ze.
Over de trap met de verzinkte treden met de ronde gaten liepen we zwijgend naar de eerste zaal, terwijl ik me uitgelaten en opgewonden voelde. Wie was zij en hemelsnaam? Haar vader had dus in West gewoond, maar zij? In de eerste zaal lazen we de teksten die op de muren aan weerszijden van de entree waren gescreend. Ik had de behoefte om een arm om haar heen te slaan, maar ik bedacht me, want hoe lang was het geleden dat ik haar voor het eerst had ontmoet, een uur, twee uur, twee jaar, had ik haar gezien toen ik tien was, of twintig, droomde ik toen van haar? Ze was steeds teruggekeerd in mijn dromen. Dat was zij. Maar dat zou ik haar nu niet vertellen.
'Dat wist ik niet,' zei Amy, 'dat deze Winogrand een van de belangrijkste fotografen was van de tweede helft van de twintigste eeuw. Ik vind het wel erg opgeblazen zoals het hier staat "Wars van tradities en bestaande conventies." Wanneer leefde Robert Frank eigenlijk? Had die hier niet bij moeten zijn? Die Mitch Epstein en Henry Wessel heb ik nooit van gehoord. En Meyerowitz, die maakte toch van die prachtige strandgezichten? Laten we eerst maar naar de foto's gaan kijken.'

'Frank kwam in negenenvijftig,' wist ik met snel te herinneren, 'met een heel belangwekkend boek met de titel The Americans. Hij is voor meerdere generaties een lichtend voorbeeld geweest, meer dan deze mannen die hier hangen. Hij is een fotograaf voor wie je een hele tentoonstelling zou inrichten.'
Om te beginnen hing aan de linker wand van de eerste zaal een overweldigend tableau van rijen foto's van Winogrand, dicht en pal naast en boven elkaar, straatscènes met heel uiteenlopende types, situaties waarin verrassend veel gebeurde.
'Al die verschillende levens,' zei ik. 'De mensen die we hier zien lopen qua karakter wel extreem uit elkaar, maar daar heeft alleen de fotograaf veel tijd in gestopt, als je een boek bekijkt, of naar een tentoonstelling gaat, heb je in korte tijd veel kennismakingen gehad.'
'Ben je op zoek naar persoonlijke ervaringen door naar anderen te kijken, door je te involveren, als je naar die foto's kijkt?' vroeg ze. 'Ik krijg de indruk dat je voortdurend op zoek bent naar een eigen invalshoek in het leven. Zit ik daar ver naast? Kijk je ook zo naar mij? Een intense maar kortdurige belevenis?'
'Je bent wel snel met je conclusies,' zei ik, 'of met je inzicht, of je vermoedens. Foto's zijn voor mij een soort fantasiemedium, maar een echte levende relatie is voor mij pas de echte werkelijkheid. De werkelijkheid bestaat uit net zo veel verschillende visies als er mensen op de wereld zijn. Door je aangetrokken te voelen tot de wereld van een ander vind ik dat je pas echt leeft, omdat ik voel deel uit te maken van een groter organisme.'

'Als ik zelf foto's maak focus ik niet indringend op mensen,' zei ik. 'De onderwerpen waarvoor ik de deur uit ga zijn vooral weerspiegelingen van de diversiteit van het leven, de uiteenlopende sferen, de stemmingen, de ervaringen waarbij ik me thuis voel. Van nature ben ik een loner, maar die gesteldheid zou ik wel graag willen delen, want ik ben het niet uit principe. Ik zoek eigenlijk een combinatie van twee loners. Vooral steeds terugkerende foto's zijn van schaduwen op muren. Ben jij een loner?'

Amélie keek me bedenkelijk aan. 'Hoe kun je dat nou vragen aan iemand van wie je denkt dat die een loner is en ook een antwoord verwachten?' vroeg ze. 'Ik maak wel eens portretjes met mijn mobieltje, daarvoor heb je wel enige sociale souplesse nodig.'
Ze pakte het mobieltje uit een zak van haar jack en maakte een foto van mij.
'Een pasfotootje,' zei ze. 'Dat vind ik nou leuk. Nu heb ik een foto van je, een mooie herinnering aan deze dag.'
Zij liep voor me uit naar een andere zaal. Ik pakte mijn Contax borstzakcamera en maakte een foto van haar toen ze net achterom keek om te zien waar ik bleef en bukte om de tekst te lezen naast een foto van Winogrand, een tenger meisje met lang blond haar dat aan kwam fietsen, dat gefotografeerd werd met een camera die links het beeld in stak. Een kijkje in de zestiger jaren, jurkje, hairdo, en dan fietsen op Manhattan in een betrekkelijk lege brede straat.
'Dat is duidelijk een opzetje,' zei Amélie, 'dat is alles behalve candid.'
'Mag ik een foto van jouw schaduw maken?' vroeg ik en benadrukte mijn vraag met een hand op d'r schouder. 'Niet hier, maar buiten straks. Daar waar de zon schijnt.'
'Moeten we dan ver lopen?' vroeg ze lachend.
'We hebben de hele middag toch nog,' zei ik. 'Of niet soms?'
'Natuurlijk,' zei ze. Ze gaf me een vluchtig kusje op de wang. 'We hebben alle tijd, niet haasten.'

Nadat we alle foto's van Winogrand in ons hadden opgenomen en naar elkaar toe op hadden gereageerd was Meyerowitz de volgende. De kleurenfoto die er uit sprong was van een op het trottoir liggende man, waarom heen zo veel gebeurde dat het geënsceneerd leek; een man steekkar, een fietser die omkeek naar de verongelukte man, een keurige voetganger die omkeek terwijl hij doorliep, veel witte auto's die stil stonden, een man met een pet en een hamer in de hand. Niemand die een hand uitstak.
'Je moet wel de hele dag door de stad lopen totdat je zoiets ziet,' zei ik.
'Ja Thom, zo moet dat, je kunt met Amsterdam beginnen,' zei Amélie. 'Je kunt straks al beginnen.'
'En dan al meteen met een andere stijl?'

Nadat we een tijdlang geïntrigeerd naar de foto's van Meyerowitz hadden gekeken kwamen we bij Henry Wessel; een jonge vrouw, in typisch in de mode van de zestiger jaren, liep de hoek om van de witte gevel van het Auto Motel in Santa Monica, daarnaast een foto van een man die voor zich uit staat te kijken in een tuin, een lange schaduw op het gazon.
'De schaduw komt in de buurt,' zei ze, 'maar nog niet op de muur.'
'Het is nog vroeg,' zei ik.
Dan een hele reeks foto's van Lee Friedlander, waar een somber getinte kiek van een draaideur er uit sprong, als een dubbele metafoor voor het leven, zoals Amélie zei, omdat het twee deuren waren. En een man, heel wonderlijk, gespiegeld in een ruit, staand voor een Mustang. Zijn eigen Mustang? Nee, hij poseerde ervoor en werd gefotografeerd door zijn vrouw die met haar rug naar de kijker toe stond.
'Waar wij nu ruim veertig jaar later naar staan te kijken,' zei Amélie.
Dan nog een serie van Mitch Epstein, waartussen een opvallende witte Chevrolet met open motor- en achterbak, met een man die onder de motorkap kijkt, onder een reclamezuil van een Howard Johnson restaurant.
'Dat was een indrukwekkende kennismaking met een ander continent en een andere tijd,' zei ik. 'Hoewel ik die wereld alleen maar ken uit films word ik wel erg weemoedig door die foto's. Zullen we wat gaan eten verderop op de gracht?'
'Het was spannend, leuk en gezellig,' zei ze. 'Met boeiende beelden uit een andere wereld en een ander tijdsgewricht. En een andere kijk ook, die van jou d'r bij. Dit was een bezoek aan een andere wereld dat ik niet had willen missen.'
'Dat heb je mooi gezegd,' zei ik, 'wat doe je eigenlijk voor je beroep?'
'Dat mag je raden,' zei ze. 'Je krijgt daar alle tijd voor.'
Ze sloeg een arm om me heen en we liepen in de richting van het centrum. De zon scheen, en er hing een intieme sfeer langs de gracht, een ideale omgeving voor een plaatje. Ik zette m'n camera in een vensterbank, gaf Amélie een innige zoen terwijl we beiden schuins in de lens keken en de zelfontspanner de rest deed. We stonden er mooi op. Een plaatje voor ons privémuseum.

Hans Arend de Wit

 

 

 
 

 

 

 

 

Meer leeswerk.