Aston Martin DB2,
een droom uit verte.
Hans Arend de Wit
Een DB2 had ik voor het eerst gezien op de Overtoom in om en nabij 1953, bij de ARM, de Amsterdamsche Rijtuig Maatschappij. Op Zaterdagmiddagen fietste ik over die eindeloos lange Overtoom met sombere huizen uit het begin van die eeuw de stad in. Halverwege bleef ik dan kijken bij Wierda, waar maroonrode Matchless motoren bulderend af en aan reden, en aan de overkant bij Van Pelt, waar een zwarte Norton in de etalage stond. Vandaar stak ik over naar de etalage waar de Aston stond. Elke keer als ik daar langs ging stond ze er nog. Wat ouder begreep ik dat het toen liefde was geweest, en dat ik daarmee ook overvallen was door een aantrekkingskracht voor sportwagens, deze met die vogel in het embleem in het bijzonder, en dat dit gevoel is nooit meer weggegaan. Mijn tijd komt nog wel, zal ik toen gedacht hebben. Op een keer stond de motorkap open, de hele voorkant vanaf de bumper naar voren gescharnierd. Er stonden twee mannen in blazers bij met koperen knopen, en ik hoorde een verhaal over de motor en de wegligging. Later bleek dat het een zescilinder was, met twee SU carburators, 125 pk, en een topsnelheid van 185 km/u. Ik dacht daarbij aan de bochtige wegen in Zuid Engeland, vergezichten en lange trajecten door Wales en Schotland, golvende landschappen en de bassen van het geluid van de machtige motor. En een inspirerend tweedjasje dacht ik aan en een groene pet.
De goedkopere, maar sierlijker Jaguar XK120 en daarna de uitzonderlijke E-Type hebben het in mijn perceptie nooit gewonnen van de DB2, die zo basic was en in mijn ogen zo functioneel en toch zo extreem stijlvol. Later beleefde ik een beetje deze droom met een groene Triumph Herald, waarvan de motorkap net zo open scharnierde als die van de Aston, zo ver was ik al gekomen, een notenhouten dashboard en aan een houten stuurwiel stuurde ik met een vriendelijk gegrom door Engeland en die groene Aston Martin zag ik steeds voor me uit rijden. Onderweg begon ik beter in te zien dat ik een positie achter het stuurwiel van een Aston nooit had kunnen waarmaken, omdat het hier ging om, wat ik aanvankelijk niet wist, een maatschappelijke positie die het beeld niet zou kunnen invullen; een financieel onafhankelijk leven, met megabonussen, blazers met koperen knopen en cucumber sandwiches on the lawn.
De man van wie ik ooit mijn Cooper S had gekocht vertelde me dat hij intussen een collectie Astons had verworven en dat hij daarin dealde. Ik vertelde hem het verhaal van mijn droom en we spraken af dat we een keer zouden terug rijden naar het begin.
Op een vroege Zaterdagochtend, onder een typisch Engelse lucht, reed ik door stil Amsterdam naar de Overtoom, naar de plek waar vroeger de showroom van de ARM gevestigd was. Daar maakten we om kwart voor acht de eerste foto's, waarna we in de PC Hooftstraat stopten voor de etalage van Chopard, het horlogemerk dat de hoofdsponsor is van de Mille Miglia, en even verderop Oger, waar we spontaan in gesprek raakten over sportwagens en rallies en morning coffee dronken terwijl het nog stil was en er geen file stond van Hummers, Bentley's en Virages, Vanquishes en af en toe een Zagato.
Op de terugweg bereikte de zescilinder de bedrijfstemperatuur en voelde ik voor het eerst wat de trekkracht was en hoe groots de fameuze wegligging was in de bochten langs de Amstel. Vergeleken bij een eigentijdse, soepele, stille two-seater was dit een belevenis en een 'far cry' uit een roerige, machtige historie van de autosport, legenden, mythen en sagen, over Alpenpassen, kou, kokende motoren en verhitte koppen, slippartijen, en briesende koppels paarden.
Na deze gedenkwaardige rit naar het verleden werd behoedzaam de enorme motorkap open getrokken en zag ik na al die jaren de innerlijke drive die mij had bewogen om ooit met deze auto te willen rijden.
|