Verwaaide haren
zijn het uitzicht waard!




Het Vissersmonument


Natuurlijk waait het, terwijl het vanaf het parkeerterrein toch zo stil lijkt boven. En het stormt in m’n hoofd van al die herinneringen, de beelden van de omgeving beneden uit de tijd voordat Cadre Corus werd gebouwd, De Lijst. Een enorme, horizontaal wissende ruitenwisser met talloze watersproeiertjes veegt het glas van het dakterras schoon en maakt het zicht helder, tot op tientallen kilometers. Dit bezoek aan De Lijst is als een bedevaart, heen en terug in de tijd. Alle bezoeken aan deze omgeving komen terug in gedachten en alles wat daarmee verband hield, te veel om nu bij stil te staan. Als we onze blik van de horizon naar beneden kantelen is daar een schaduw waarover we ons eerst verbazen, over de hele breedte van het water. Ja dat is De Lijst waar wij op staan! Aan de bovenkant van de schaduw, fel in het zonlicht, de gele ra’s van de Pollux die nu na jaren weer aan het Forteiland ligt! Witte petten van een paar matrozen aan dek. Meeuwen vliegen onder ons door vanuit de schaduw het zonlicht binnen. Voorafgaand aan een felwitte hekgolf vaart een snelle Pilot over het donkere water onder de meeuwen door.



De laagbouw van de bedrijven aan de straatjes op de zuidoever, waar ik als jongen tussen door heb gefietst, heeft plaats gemaakt voor taps toelopende torens met rondom terrassen. Door de verrekijker is te zien dat hier en daar ontbeten wordt, feestelijk en groots is de architectuur als van een buitenwijk van Nice.
De haven is er nog en ook de visafslag, maar anders dan ik me herinner. De toren van de Havendienst is niet kleiner geworden maar groter. Alles is groter, en niet kleiner zoals alles kleiner wordt als je ergens terug komt waar je lang niet bent geweest.

 


Moeders gingen Zondags wandelen als hun mannen werkten.
Bij Corus staan nog steeds schuins die witte pluimen in de lucht. De ovens van vroeger zie ik weer voor me, alles wordt weer helder, de walserijen, en de treinrails er tussen, erg ongeregeld en morsig onroerend goed was het. Hoge pijpen en hier een daar een grote vlam. Mijn schoonvader reed daar voor zijn pensionering op een loc en mijn zwager Kees had er een goeie technische baan en zijn zuster, mijn vrouw, was de dans ontsprongen en werd eigenwijs gelukkiger dan als platencontroleuse, de baan die haar vader haar had toebedacht. Je ging naar de hoogovens of in de vis als je in IJmuiden woonde, Velsen Zuid en Velsen Noord, en nog verder, in Heemskerk, in heel Noord Holland. Daar leefden families en gezinnen ongeregelde levens die bepaald werden door hun werk in ploegendiensten. Op Zondag zag je vaak alleen moeders achter de kinderwagens!
Aan de andere kant vanaf de boulevard in de lucht, op honderdvijftig meter boven het maaiveld, zien we in het Oosten de glinsterende strook van het Noordzeekanaal tot in Amsterdam en in gedachten zie ik de sleepboten van Rederij Goedkoop van lang geleden, die vóór, achter en naast de Oranje, of de Van Oldebarneveldt opstoomden naar de sluizen, terwijl wij achter de dijk meefietsten en wij tijdens het schutten op het hek bij de sluis zaten te fantaseren over de plaatsen waar ze naar toe voeren, New York, Kaapstad, De Oost. Al die namen die we noemden, het leek wel aardrijkskunde.

 


Amsterdam, aan het eind van het kanaal.

Ik fiets in gedachten naar Amsterdam terug in de tijd, met mijn vader met wie ik op Zaterdagsmiddag naar de kades fietste op de eilanden, welke trip ik nu met de vleugelboot zou kunnen maken, het KNSM-eiland, de Oostelijke Handelskade, de Borneokade, toen de Rietlanden daar nog waren, het immens grote rangeerterrein, een roestig landschap van weemoedige herinneringen. Terwijl ik in gedachten langs het kanaal fiets en even afstap om achterom te kijken staat daar De Lijst, een adembenemend wereldwonder, indrukwekkender dan de Eiffeltoren, en grootster dan de overrompeldende Gateway Arch van Saarinen in St. Louis, die ook van roestvrij staal is gebouwd, een beetje vergelijkbaar, maar dit overtreft alles. In gedachten fiets ik verder. Op de uitstapjes met mijn vader naar de eilanden zetten we de fiets neer en liepen we totaan de bolders en keken als het niet gevaarlijk was met kranen en het gerij van treinen naar het lossen of laden. Mijn vader stak dan een sigaret op en vertelde over de logistiek van stukgoed en passagiers. Terug over de De Ruyterkade wees hij het huis van Michiel aan. ‘Ja, ja,’ zei hij eens lachend, ‘die woonde boven de zaak! Nu wonen de bazen in Het Gooi, ver van hun werk, en toen woonde hij boven de zaak.’ Dan stopten we bij de Pollux en vertelde mijn vader over het Open IJ en de zeeschepen die daar afmeerden en hun kostbare lading uit De Oost losten, in de tijd dat de marine en de koopvaardij nog één waren. Dat sprak hem als handelsman wel aan, hoe de kostbare waar werd beschermd en zelfs bevochten op kapers en andere laaghartige schurken.





Door de verhalen geïntrigeerd had ik gevolgd hoe de Pollux werd verkocht als niet varend schip aan een maritiem trainingscentrum dat daar fantastische plannen mee had die niet konden worden uitgevoerd als gevolg van mistige verwikkelingen over bestemmingsplannen, totdat een restaurateur er opnieuw in Amsterdam mee in zee wilde als visrestaurant, wat niet het verwachte succes werd, waardoor een projectontwikkelaar haar weer naar het Forteiland terug bracht.
Het was een niet varend schip, had ik vroeger gehoord. Het was inderdaad niet als een echt schip gebouwd maar als school, die erg op een schip leek, zonder kiel en totaal geen vaareigenschappen had. Maar de onderwijsomgeving was wel heel inspirerend, en dan ook nog met uizicht op het huis van onze grootste admiraal.

Hans Arend de Wit


 

Terug naar Switch Image Features.