Daniel Koning:
Sprankje licht
in de goot.


Daniel Koning Foto: Hans Arend de Wit

 

Daniel Koning werkte van 1967 tot 1975 bij het dagblad De Tijd en van 1975 tot 2004 als staffotograaf bij de Volkskrant. Hij fotografeerde de uithongering van Biafra, het Roemenië na de val van Ceausescu, en het voormalig Joegoslavië na de val van de Muur, en Israël en de Palestijnen en Zuid Afrika na de vrijlating van Mandela, China na Mao, Cambodja, Indonesië, Suriname en Ground Zero in 2003.

 

 

Het huis van Daniel Koning staat aan een stille dorpsstraat in een dorp aan een bedaarde rivier. Vanachter de grote ramen aan de zuid- en achterzijde zien we de tuin en daarachter de weilanden tot aan de horizon, heiig in de verte. Denkend aan de wereld, aan het leven op aarde, kan er geen vrediger plek zijn dan hier. Achter de horizon de grimmige werkelijkheid, van waaruit onze plaatselijke werkelijkheid misschien wel als een idylle wordt ervaren. Op tafel de boeken, de neerslag van Daniel's werk als fotojournalist.

 

 

Om de foto's echt goed te kunnen zien moet je door de frapperende trefzekerheid van het beslissende moment heenkijken en door de illustere vorm buiten je eigen werkelijkheid stappen om je te realiseren dat het echte leven, het leven in de foto's, anders is dan het leven op ons eiland in het wereldgebeuren.
XXDaniel is niet de draufgänger zoals je zou verwachten van een fotograaf van het heftige, rauwe leven, maar een esthetisch verfijnde beeldenchroniqueur. Hij is een attente, vriendelijke, bescheiden beminnelijke jongen gebleven, en door het leven een wijze, grijze man geworden. Ofschoon zijn beelden contrastvol zwart-wit zijn denkt hij in grijzen.
XXHet laatst verschenen boek, 'Tijd van Leven - Beelden uit de wereld', leggen we even apart, en gaan terug naar de tijd van de Wende, naar de voormalige DDR. 'Tussen gisteren en morgen'.
XX'Toen ik deze foto's maakte dacht ik dat ik het toen moest vastleggen omdat het er vijf jaar later niet meer zou zijn, maar na twaalf jaar was er bijna niets gebeurd, want de achterstand was zó groot dat de bedrijven niet meer konden worden gemoderniseerd en moesten worden afgebroken.'
XXOp het kleinere boek 'De verdwenen staat, Sporen van de DDR' staat een ooievaarsnest bovenop een Trabant die hoog op een paal staat. Een juweel van boekje met als onderwerp foto's van situaties in het Oostblok die Daniel tien jaar na de eerste opnamen opnieuw heeft gemaakt, vanaf precies het zelfde standpunt en met de zelfde uitsnede. 'Heel camp kunt je je er nu door een student laten rondrijden in een Trabi.'

 



 

'Ik ben een bewonderaar van Don McCullin, maar er zit geen hoop in die beelden, en zó wil ik het niet doen. Ik zoek naar een sprankje licht in de goot. Zo'n jongetje dat op een landmijn is gestapt wil ik wel fotograferen maar dan ook mensen op straat die plezier hebben, want zo is het ook. De harde beelden van McCullin zijn niet mijn wereld. Als je op de ene pagina met je neus in de modder wordt gedrukt, moet je op de volgende pagina niet een meisje zien dat verkracht wordt, want je moet kunnen ademhalen, omdat je anders stikt, dan zou het teveel worden. Je klapt dicht en dan klap je het boek dicht.'
XXOp de onvermijdelijke vraag hoe Daniel fotograaf werd vertelt hij: 'Op mijn 24 ste heb ik pas voor het eerst een camera in m'n handen gehad. Mijn broer had fotografie op de Rietveld gedaan. Hij was een goeie fotograaf. En mijn beste vriend was een heel goeie amateur-fotograaf. Als er iets gefotografeerd moest worden deden zij het en ze deden het goed. Ik werkte als beeldredacteur bij de Winkler-Prins. Had daar contacten met tekenaars en fotografen. Mij leek het erg ingewikkeld met die diafragma's. Toen mijn eerste dochter geboren werd was ik 24 en kreeg ik opeens de behoefte om foto's te maken. Mijn broer kwam dan eens in de week en maakte een mooie foto, maar dat vond ik niet genoeg. Dus toen heb ik een camera gekocht om de familietaferelen vast te leggen. Ik kwam er achter dat ik aanleg had en ben toen als een bezetene boeken over fotografie gaan lezen. Ik werd er door gegrepen, en als er foto's gemaakt moesten worden dan deed ik dat zelf. Toen de encyclopedie klaar was ben ik fotoredacteur bij De Tijd geworden, maar dat ging helemaal niet. Ik vroeg of ik in de tijd dat ik naar wat anders uitkeek ik niet wat kon fotograferen. Dat is wederzijds zo goed bevallen dat ik een contract heb gekregen. Ik heb voor De Tijd gewerkt tot de krant ten onder ging. In die tijd was ik zo druk met de techniek bezig dat ik toen geen grote voorbeelden had. Dat is pas veel later gekomen. Het kan trouwens ook tegen je werken. Cartier-Bresson werd mijn echte grote voorbeeld, een idool, en is dat nog steeds. Over hem heb ik nog een aardige anecdote, als je die wil horen.'
XX'Zo'n vijftien jaar geleden werd er een grote Magnum-overzichtstentoonstelling gehouden in Parijs. Daar ben ik met een stel fotoredacteuren naar toe gegaan en heb de opening van de tentoonstelling meegemaakt. Daar was Cartier-Bresson ook, van wie bekend is dat hij zelf nooit op de foto wilde. Maar ik dacht toch dat ik toch een foto van hem wilde maken. Ik vond het een beetje onzin dat hij altijd zo spastisch daarover deed, zijn leven lang heeft hij mensen betrapt. Op die tentoonstelling stond hij op een gegeven moment een paar meter van mij af. Er zat een automatisch flitsje op mijn camera, dus dat had ik zo vlug niet in de hand. Ik schoot en hij keek mij meteen aan, stormde op me af, gaf me een harde stomp tegen mijn linker schouder. Mijn idool leek erg te zijn geschrokken van zijn daad, zag een deur en verdween daar door, om nooit meer terug te komen, het gezelschap verbouwereerd achter latend. Sindsdien heeft niemand hem ooit meer gezien, zoals ik prefereer te denken, het verhaal compleet makend. Het is een foto van niks, maar als anecdote is ie wel curieus.'

Tijd van Leven
prachtig uitgegeven door
De Verbeelding

 

 

Terug naar Switch Image Features.