De
nachten kort, de dagen lang, de ochtend vol van vogelzang.
Met de Rotterdamse Gerard Cox in ons achterhoofd zeggen we in
de Amsterdamse grachten adieu tegen de allermooiste zomer die we ons kunnen
herinneren, altijd varen als we even de tijd konden vinden, nooit de weerman
hoeven afwachten. Op de laatste mooie dag waarop René de Pont volgens
zijn agenda zijn vlet naar de winterstalling kan brengen varen we met
hem door de grachtengordel van Amsterdam naar de haven aan de Diemer Zeedijk.
De
maan staat onbegrijpelijk groot in het westen in een diepblauwe hemel
tussen de boomtoppen, een Boeing trekt condensstrepen naar het Zuiden.
Geen vogel te horen. Stilte op de zaterdagochtend. We varen niet rechtstreeks
naar de winterstalling, maar een beetje weemoedig kiezen we een route
die ons nog even laat genieten van de heerlijkheid van het varen, het
kijken naar wat we passeren, het zalige varen met de klassieke vlet. Na
het probleem met de droge dijken zijn de sluizen in de stad weer open
en hoeven we niet te schutten bij Carré, maar gaan we bij de Zeil-
en Roeivereniging De Amstel – opgericht op 11 September 1874 –
door de Ruysdaelkade met de drijvende ‘floatlands’ langs de
wallekant. Het Rijksmuseum in de zon. Langs het American Hotel. Op de
Keizersgracht koffie drinken bij Bagels & Beans. Brouwersgracht, gevel
kijken met groene herten. We varen de stad door tot aan Het IJ.
De
EG110 is een overnaadse vlet van mahonie. De schipper let goed op afval,
takken en plastic zakken die volgens zijn zeggen ook even onder de waterspiegel
kunnen zweven en daar in de schroef kunnen komen.
De motor werd met spiegel en al van de vlet geklauwd. ‘Ik
ben wel erg tevreden met deze vlet,’ zegt de schipper, ‘die
gebouwd is in Egmond, waar ze goed wisten hoe ze boten moesten bouwen
die opgewassen zijn tegen een flinke deining . Ik zou nog een leguaan
voorop willen hebben en een kabelaring om haar compleet te maken. Zoals
je ziet is de spiegel na de diefstal van de motor met spiegel en al, er
mooi opnieuw ingezet. Dat was kostbare en veel te lang durende klus.’
‘Als
ik gepensioneerd ben,’ zegt hij opeens, ‘zou ik nog wel eens
een Petterson willen hebben. Maar dat duurt nog een tijd.’
Op
Het IJ glijdt de EG110 soepel over de grote hekgolven van een grote vrachtvaarder.
Verder langs het nieuwe, zonnig gekleurde flatgebouw op de Silodam. Dan
onder de futuristisch gevormde brug die twee IJlanden verbindt naar een
rvs-trap waarover we even naar boven klimmen om naar het winkelcentrum
te lopen voor broodjes. Het wordt een plezierige picknick, met uitzicht
op de nieuwe architectuur.
Het
Amsterdam-Rijn Kanaal. Twee hoge torens aan weerszijden aan het begin
van het kanaal voor de hef van een gigantische deur.
‘Daar
wonen, daar bovenin, achter die grote ramen! Vriendin aan de overkant,
en zwaaien naar elkaar. En met vlaggen seinen.’
In
Jachthaven Bouwmeester is men bezig om een grote, nieuwe loods af te bouwen.
‘Hier
is de winterstalling. Daar zal ik een plaatsje krijgen.’
Voor
de loods ligt een prachtig gerestaureerd Petterson motorjacht.
‘Die
is te koop, laten we toch even kijken,’ zegt mijn schipper. ‘Wat
wil ik nou eigenlijk? Nu heb ik geen tijd, om voor langere tijd te gaan
varen. Voor zo’n schip moet je een plaats in een jachthaven hebben
en kan je niet even de stad in omdat ze niet in de kade voor de deur ligt.Het
is weer voorjaar voordat je het weet. In het voorjaar kan ik altijd nog
gaan kijken.’
Foto's en tekst Hans Arend de Wit
|