© The text and photopgraphs on these pages may not be reproduced, republished or mirrored on another webpage, website or printed without prior okay. We'll find out eventually when they are.

Verschenen in Autovisie 01, 2004


Vrrooom!
Vrrooom!


Geen plek voor de deur.
In de hele straat niet.
Na een kwartier rondrijden ontdek je
een paar straten verderop een gaatje.
Daar laat je de machine achter die je ?450 p.m. kost.
Nergens ingetikte autoruiten?
Bij het weglopen kijk je nog even achterom,
de sleutels bungelen in je hand.

Het gaat Hans Aarsman om het fotograferen van de maatschappelijke betekenis van een auto, dieper dan het modieuze uiterlijk.
De fotograaf Hans Aarsman is zeer geëngageerd met auto’s. Een artikel over hem in juist Autovisie is erg toepasselijk als je je realiseert dat vrijwel iedereen naar auto’s kijkt, naar foto’s in autobladen, en dan vooral Autovisie natuurlijk. Want wij zoeken bevestiging van het beeld dat wij ons hebben gevormd over de auto waarin we rijden, of in zouden willen rijden. Ook is het een kick om je eigen auto te zien in een andere omgeving. En wie denk er nou eigenlijk serieus dat een auto alleen maar een voertuig is om van A naar B te komen? En wie is alléén maar geïnteresseerd in het brandstofverbruik en de acceleratie? Die lezer zou deze tekst kunnen overslaan, maar moet dan nog wel even naar de foto’s kijken. Hans Aarsman fotografeert auto’s, maar hij is niet zo’n autofotograaf die foto’s maakt voor die prachtbrochures, reclamefoto’s, of foto’s voor autobladen, nee, hij doet het ernaast, naast zijn journalistieke werk, of de autonome fotografie zoals dat zijn andere werk genoemd wordt. Fijnproevers kennen hem van tentoonstellingen en zijn opmerkelijke foto’s in HP / De Tijd. En Aarsman is een fotograaf met een groot zwak voor auto’s.


Hij werd naar de auto’s getrokken alsof door een rode draad.
Van jongs af was hij gefascineerd door door auto’s, hij maar had niet de onverzettelijke drang om er een te bezitten. Hij was nooit echt gek op auto’s zoals we wel van iemand zeggen die altijd heel materialistisch naar iets mooiere en imposantere auto op zoek is. Voor de jonge Aarsman was het een medium om de eigenaars te herkennen als bepaalde type mensen, met een persoonlijke levensstijl. En als we er over door denken is het nog maar de vraag of iemand’s keuze wel puur materialistisch kan zijn.
In zijn jeugd las Hans strips en legde plakboeken aan. Die eerste plakboeken zijn teloor gegaan toen de liefde was verdwenen voor de plaatjes die hij inplakte. Op veel van die plaatjes stonden auto’s. Dat dit niet helemaal toevallig was realiseerde hij zich later. Hij was er door gegrepen, maar die plaatjes waren foto’s die anderen hadden gemaakt, en het werd een uitdaging om ze zelf te maken.

‘Nu ben jij aan de beurt,’ heeft hij toen tegen zichzelf gezegd. ‘Je hebt de foto’s van Cartier-Bresson gezien, die elke beginneling mooi vindt, en jij wil ook zoiets. Zwarte randjes, het beslissende moment, het hele negatief, de gulden snede. Vervolgens kreeg ik de zenuwen. Elke foto die ik nam met mijn Nikormat moest goed zijn. Maar de eerste foto's die ik met die professionele camera maakte waren schapen. Schapen, waarom die schapen, geen idee. Ze waren nog onderbelicht ook. Toch heb ik ze ingeplakt. Daarna legde ik de camera in een kast en durfde hem er een jaar lang niet uit te halen.’ Hij is daar verrassend openhartig in.



De aanleiding van dit artikel is het boek Vrrooom! Vrrooom! waarin Aarsman schrijft over auto’s, transport en verplaatsen, en dan vooral zijn eigen kijk daarop. De tentoonstelling die van zijn werk in dit voorjaar werd gehouden in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, en ook het boek dat daarvan werd uitgegeven, is de opbrengst van veel, aandachtig kijken en peinzen, waar lange omzwervingen aan vooraf gingen. Bij de opening van de tentoonstelling gaf hij een ontroerende toelichting.
‘Na wat omzwervingen belandde ik bij de krant,’ vertelde hij aan een aandachtig publiek, en de krant vind ik nog steeds het mooist. Mooier dan boeken, mooier dan een expositie. Wat hier op de expositie hangt benadert een krant het meest. Dun papier, grof papier, vluchtig. (De foto’s waren als door een behanger op de muur geplakt, als behang.) Als de tentoonstelling voorbij is, worden de foto's van de muur getrokken en belanden bij het oud papier.’
‘Na een paar jaar fotograferen voor diverse kranten, kreeg ik problemen met het journalistieke gedachtegoed. Het eeuwige denken in voors en tegens. In goed en kwaad. Onderdrukten en onderdrukkers. Links en rechts. Zoals je ziet hebben deze krantenfoto’s ook een tweedeling. Hoe de inhoud altijd weer de vorm dicteert. Of is het andersom? Wordt er steeds in simpele tegenstellingen gedacht onze hersenen nauwelijks een andere vorm aan kunnen? Dat culturen die nooit contact met elkaar gehad hebben toch scheppingsverhalen hebben die verdacht veel op elkaar lijken, komt zeggen antropologen omdat de hersenopbouw van de mens globaal hetzelfde is. Als dat waar zou zijn, zou vorm inhoud dicteren. Ik zocht naar een manier om de meerduidigheid van het bestaan te vatten. Weg met de voorgebakken meninkjes. Leve de intuïtie. Niet de betekenis erin leggen, laat de betekenis vanzelf opdoemen.’
‘Na een paar jaar gingen de beelden die ik maakte me tegenstaan, het beeld, de vorm. Te pregnant. Het moest anders. Wel meerduidigheid, maar minder opdringerig. Op zoek naar een vorm die je niet ziet. Dat zou een lange zoektocht worden, en ik geloof dat ik die vorm nu pas gevonden heb.’

Hij ging in een camper op zoek naar beelden van verkeer, maatschappelijk en sociaal, en auto’s slechts en passant.
‘Het duurde een tijd voor ik erachter kwam dat de meerduidigheid vanzelf in het beeld sluipt als je maar ver genoeg van je onderwerp wegblijft. De scherpte van het grote negatief zorgde voor de rest. Maar zo makkelijk ging het niet. Blijkbaar zat ik nog steeds ergens aan vast. Dan maar het diepe in. Ik kocht een camper en begon een reis van een jaar door Nederland. Dat kwam goed uit, mijn huis werd toch gesloopt Ik had een heel eisenpakket in mijn kop. Je mocht de fotograaf niet voelen, de foto's moesten er vormloos uitzien. Zoals je in de trein zit. Je kijkt op uit je boek, werpt een blik naar buiten en daar ligt de wereld. Geen verwijzingen naar esthetiek, naar romantiek. Dus geen ondergaande zonnen, geen boeren in overalls, geen houtvuurtjes. De eerste twee weken dat ik door Nederland reed zag ik niets. Het moest er te doodgewoon uitzien. Na 10 maanden keerde ik terug in Amsterdam. Er kwam een reisverslag uit, Hollandse Taferelen heette dat. Ik was blij met dat boek en toch zat me iets dwars. Duizenden uitzichten had ik gezien zonder dat ik maar van één uitzicht had kunnen genieten. Klopte dat wel? Geen seconde een belangeloze blik, altijd maar jezelf afvragen: is dit een foto of niet. Je graait en je graait of er iets van je gading bij zit. Een kolonialist van het zichtbare.
De camera verdween in de kast, ik had er tabak van. Als ik echt een stap wilde zetten, zat er niets anders op. Ik moest ook wel. Alles wat naar een onderwerp, naar een serie, naar een concept rook, stond me tegen. Niet dat ik nooit meer een camera wilde aanraken, ik heb er altijd een in mijn jas, maar aan projecten deed ik niet meer. Sinds ik gestopt ben met fotografie schiet ik gemiddeld één filmpje per twee weken vol. Zonder er per sé iets mee te willen. ik zet het onderwerp in het midden en druk op de knop. Het is maar net wat me voor de voeten komt. Van de volle filmpjes laat ik een contactvel maken en dat vel leg ik op een stapel. Dat ik iets later nog eens terug wil zien, is eigenlijk de enige reden om een foto te nemen. Ook begon ik weer foto's uit kranten en bladen te knippen, zoals ik vanaf mijn jeugd al heb gedaan. De honger naar beeld was niet verminderd, ik ging er alleen niet meer zo doelbewust mee om.’

Beelden waren niet voldoende. Hij wilde zijn impressies ook beschrijven, met woorden.
Aarsman is ook schrijver als hij niet fotografeert. Een quote uit zijn autobiografisch boek: ‘We woonden aan de drukste straat van het land. Al het verkeer dat door onze stad ging moest langs ons huis. Aan de overkant woonden vriendjes. Als we daar speelden, begonnen we aan de terugtocht bij de geringste aandrang. Het kon zo vijf minuten duren voor de verkeersstroom een gaatje liet openvallen. Dat was te lang voor een hoge nood. Onze voetbal had het model van een ei, dagelijks reed er een autowiel overheen. Door het denderen waren de ramen en de deuren zover uitgezakt, dat meerdere lagen tochtstrip niet meer mochten baten. Al in een vroeg stadium werd ons leven geteisterd door het autoverkeer, maar een hekel aan auto’s hadden we niet. Mijn broer en ik waren de hele dag in de weer met speelgoedauto’s. We maakten er geluiden bij van ronkende motoren en piepende banden. Op mooie zomeravonden gingen we naast vader op het balkon zitten en namen de echte auto’s door die voorbijreden.’
Hans Aarsman staat nu met zijn camera midden in het echte leven. Het liefst kijken wij naar foto’s in de autobladen, maar echt getroffen worden we door het felle realisme van de foto’s, uit het leven gegrepen.






Wat vind je nu zelf een echt mooie auto?
‘Echt? De nieuwe Maserati Quattroporte. Dat is voor mij klassiek oud geld, tijdloze, elegante vormgeving, introverte, onopvallende chique, en hij rijdt als een formule 1 wagen. Daar zou ik wel een ritje in willen maken.’


Hans Arend de Wit



Hans Aarsman bleef ten opzichte van auto’s altijd het kind in de jongen.



De Maserati Quattroporte 2004

Het boek Vrrooom! Vrrooom! van Hans Aarsman is gewoon te koop in veel boekwinkels die een beetje assortiment hebben in fotoboeken. ISBN 90-5662-292-07, 28-21 cm., geïllustreerd (kleur), Nederlands-Engels. De uitgever is NAi Uitgevers, de prijs: € 32.50.




Albergen, uit Hollandse Taferelen


Bullewijk, uit Aarsman's Amsterdam

 

 

 

Terug naar Switch Image Features.