© The images & text on these pages may not be reproduced, republished or mirrored on another webpage, website or printed without prior okay. We'll find out eventually when they are.
Features, articles, sailing, Hans Arend de Wit

 

Hommage aan een regenboog.

Of hoe ik mijn hoogtevrees overwon.

 

Met een kop verse hete koffie in de hand heb ik uit het raam naar een grootse avondhemel boven Zuid staan kijken en gedacht aan alle dierbare, voor mij troostende filmscènes met ondergaande zonnen, waaronder Plein Soleil met Marie Laforet en Alain Delon, en avondluchten uit mijn eigen ervaring, zoals op Zandvoort Zuid, waar ik op m'n Humber-fiets binnen een uur naar toe jakkerde, om daar op het terras, terwijl ik hijgend uitpufte, de zon naar de horizon te zien zakken. En ik zie nu nog veel meer beelden op mijn netvlies, de zon aan de kust van Les Landes, Land's End, John O'Groats, de zon vanaf de Californische Route One boven de Stille Oceaan. En aan het Gardameer ook.
Op deze Zondag heb ik hard gewerkt, email correspondence, koffie gedronken op een terrasje in de stad, het huis gezogen en waar nodig gedweild, een dikke stapel bonnen en facturen op orde gebracht en betalingsopdrachten geschreven. Nu zou ik kunnen gaan lezen in het boek dat ik vorige Zondag heb gekocht op de Harley-tentoonstelling, Cowboys With Chrome Horses, gesigneerd door de schrijver, William Graham Carrington, met wie ik nog even heb gepraat.
De zon is inmiddels onder gegaan. Er loopt een licht oranjeroze baan langs de hemel, die met het felle licht dat er uit straalt van de daken van Zuid contouren maakt. Ik ga verder met mijn overpeinzingen, hopend dat ik de gedachten kan terugvinden die mij naar aanleiding van het boek de afgelopen dagen zo bezig hielden. Wel maak ik nog snel even een foto van het uitzicht met de Contax TVSIII die daarvoor klaar staat.
Ja Kees, die regenboog om mee te beginnen, ik heb er vaak een gefotografeerd, omdat ik mijn geluksgevoel wilde vastleggen. Een loodgrijze wolkenhemel maakte me dan helemaal en volkomen happy. Zonder in m'n archief te zoeken zie ik de dia's voor me. Had ik er maar meer werk van gemaakt denk ik nu, net zo als die tornado chasers in Amerika, achter de regenbogen aan.
Een kwartier later is de hemel donker loodgrijs. Heel fel iridiserend licht oranje en nu smallere baan hangt boven de daken, en ver daar boven een open hemel met slierten van wolken die vanonder vermiljoen worden aangestraald. In de kamer is het donker geworden. In het licht van de Tizio-lamp staat het dramatisch aanwezige zwarte schaalmodel van de Ford GT40. Ik doe het rechter portier open terwijl hij op de startplaats van Le Mans staat en ik het denderende geluid van de uitlaat in m'n buik voel. Ik zet de motor af en loop terug naar Eames bureaustoel - en al associërend loop ik door naar het glazen huis dat hij bouwde, dat ik altijd zelf had willen bouwen in de duinen. Zo werkt dat. Ik zie die snoeren van associaties voor me, het zijn mijn eigen snoeren, hoewel ze geregen zijn van beelden die gemeengoed zijn, in the public domain.
Als ik mijn vrouw genacht heb gezegd is de hele zomerhemel loodgrijs geworden, met nu een heel dunne feloranje band boven de daken. Met haar reacties op de bovenstaande inmiddels geprinte notities, blijkt dat ik volgens haar niet zo zwaar moet tillen aan dat autisme. Daarom zal ik proberen niet verder te schrijven in de rol van autist, maar als lezer die gefrappeerd werd door het boek maar wel treffende overeenkomsten heeft gevonden. Ik ga gewoon verder, zal het proberen.

 

1

Kees' eerste hoofdstuk: Mijn vroegste herinneringen.

Da's toch wonderlijk, ook de vroegste herinneringen van Kees gaan terug naar een levendige, zonnige, zomerse dag in Wassenaar. Ik weet niet of ik toen al kon lopen, in mijn eigen vroegste herinneringen, maar ik zie mijzelf in de wandelwagen liggend omhoog kijken naar het zonlicht door de bladeren van de bomen aan een laan, ja ook in Wassenaar. Kan ik nu een autist zijn omdat ik ook, zoals Kees een tweeling als sterrenbeeld ben, en deze herinnerde locatie dezelfde is? Nu ik toch in die periode terug kijk zie ik mezelf ook leren lopen, in het huis van mijn oma, achter een stoof, een mooie, glanzende stoof, met gaten in de bovenkant, die mollig is als een kussen en heerlijk soepel en stil over het kleed glijdt. Ik lig er uren naar te kijken en mee te schuiven, totdat ik opsta en achter de stoof van de raamkant loop naar de deur waar mijn ouders en m'n oma opgetogen aanmoedigingen roepen.
Kees kijkt in zijn boek terug op de raamopenhouder, zoals ik er ook zoveel heb gezien, en heen en weer heb laten glijden over de pin tot ik besliste door welk gaatje ik de pin omhoog zou laten komen en de openhouder het raam klem zette. De materialen zijn veranderd, gewoon geschilderd ijzer, roestvrij staal, en nu veel aluminium.
Toen ik daar al wel klaar voor was had ik geen Matchbox-auto's, zoals Kees, of Dinky-toys. Die waren te duur. Met ?4.95 voor een groene Austin A40, werd ie voor mij onbereikbaar, maar ik verlangde er wel naar. Eerst had ik van mijn spaarcentjes een lichtblauwe plastic Chrysler New Yorker gekocht, en een Ford truck met oplegger in groen en rood, kleiner dan 1:43. Maar veel later eindelijk toch een groene A40. Ik zat er niet over in dat ik niet meer auto's kreeg, want ik had mijn eigen auto, en een tweede auto, daar droomde niemand nog van. Er konden geen deurtjes of motorkap open. Wel reed ie heerlijk op het olijfgroene kleedje waarop ik de straten uitzette met miniatuur steentjes, echte, gladde steentjes, die een steenfabriek speciaal voor mijn opa, had gebakken. Het was een rijk gevoel, om mijn A40 te zien staan in de verder lege straat, in het strijklicht dat door het raam naar binnen viel. Een gelukzalige ervaring die weer uit het diepe verleden opgloeit als ik nu in de namiddag naar mijn Alfa kijk, die buiten in het warme zonlicht klaar staat om me eventueel door de nacht te rijden, zo strak, vanwege de precisie in de bouw met minieme kieren rond de deuren, zo sierlijk en zo krachtig. Nee, ik kijk nu naar een model, op m'n bureau. Schuin achter de Guzzi politiemotor op m'n bureau staat een blauwe A30, een kleinere versie van de A40! Toen ik die kocht had ik helemaal niet aan de A40 gedacht. Zo'n keus voltrekt zich klaarblijkelijk toch onbewust.
Daarachter staat een Austin Healey. En daar weer achter mijn eigen zilveren Alfa Romeo. Ja, toch meer dan één auto nu. Ik de vitrine staat ook nog een gele A40, een bestelwagen met het logo van Dinky erop.
Nooit heb ik een auto vernield, zoals Kees dat wel deed, als hij probeerde te ontdekken hoe alles precies in elkaar zat. Ik was fier met m'n bezit en reed er heel voorzichtig mee, bijvoorbeeld vier keer heen en weer steken in de straat voor ik weer terug reed. Mijn auto's bleven in showroomconditie.
De fascinatie die Kees had voor de radio deel ik volledig. Het binnenste had ik maar één keer gezien, door de gaatjes in de achterwand. Het tafeltje was te klein en de radio was te groot om hem zomaar even om te draaien. Daarbij kwam dat er allemaal porseleinen spulletjes op stonden, waar ik niet aan mocht komen. Bij hoorspelen of mooie muziek kon ik heel lang stil naar de namen op de afstemschaal kijken, en op een nieuwer type naar het oog waarmee je op het station fijn kon afstemmen. Nooit keek ik naar het danseresje.
Zoals Kees bouwde ik een kristalontvanger en later een éénpitter. Toen zat ik al op school. Is dit een te grote stap? Ik ga door met bladeren in het boek van de regenboog, want dat wil ik beslist volgen als leidraad.
Ja, de slagroomklopper. Ik kon niet genoeg krijgen van de bewegingen van die zo ingenieus tegen elkaar indraaiende, elkaar nooit rakende garden, en ik klopte de slagroom, wat erg lang duurde, en mocht er meer van eten dan ik dacht dat zou mogen. Een heerlijk gevoel, die tegen elkaar indraaiende spanen. In plaats van advocaat kreeg ik op verjaardagen een glaasje slagroom, met zo'n fragiel zilveren lepeltje. Feestdagen waren dat! Ik bleef in de keuken, keutelde met koekjes, maakte snackjes klaar, die toen nog niet zo heetten. In het verjaardagsgezelschap voelde ik me niet thuis.
Ik zal weer proberen het boek van Kees verder te volgen, want bij elke associatie heb ik de behoefte om uit te wijden en in te gaan op kleine ingevingen, en fixaties die me te binnen schieten. Fixaties, is een mooi woord. Fixatiepunten. En dan denk ik aan de rust die een fixatie veroorzaakt door het overzicht over een gebied van complexe wanorde.
Als ik langs de titels op de boekenplanken glijd, en ook daaruit mijn commentaar zou putten, dan zou dit een broddellap worden, wat een mens zelf eigenlijk ook is, een broddellap, maar met een onmiskenbaar patroon. Waarom zou ik die fixatiepunten niet de hoogtepunten noemen, onder mijn regenboog.
Kees schreef over het lachen om een situatie waar je niet over lachen kon; wat ook wel een speciaal gevoel voor humor wordt genoemd. Ik herken dat, en het juist veroorzaken van zulke situaties en daarom niet lachen, gags die practical jokes worden genoemd. Door mijn hang naar het absurde dat voor de werkelijkheid doorgaat, zie ik vaak in gedachten een film van optionele surrealistische scènes meedraaien, als een tweede laag van de film, of eigenlijk van de werkelijkheid. Ja, dat is film, zoals mijn vader vaak in onze huizelijke werkelijkheid daadwerkelijk ingreep in de montage en de regie door tegen een deurpost op te lopen, terug te gaan, en vervolgens zonder mankeren als Buster Keaton de deur door liep. Dat liet hij, met een pokerface, gebeuren op momenten waarop je het niet verwachtte. Het was een act van twee personen, want wij voelden elkaar aan, in die jaren. Dat was weer een heel andere vader dan op die wandeling van het station naar huis, en ik - drie jaar oud - op zijn schouders zat, door die lange Spuistraat, en de hele stad door, vijf kilometer weet ik nu, superman, die ik nog zó voor me zie.
'Bent u nog niet moe?' vroeg ik af en toe.
'Nee hoor,' zei pappa dan, 'helemaal niet. Ben jij nog niet moe?'
'Helemaal niet,' riep ik naar beneden.
Gaandeweg nam ik in de loop der jaren zijn rol over, maar met voornamelijk mijzelf als publiek.

 

2

Kees' tweede hoofdstuk: Voor het eerst buitenshuis.

Ik was nog geen twee toen de oorlog uitbrak. Achter, op de waranda's riepen de buren naar elkaar, opgewonden. M'n moeder kon me niet uitleggen wat er was gebeurd. M'n vader ging naar kantoor. Daarna gingen we naar m'n oma in Zuid, ik in de wandelwagen. Soldaten zagen we, met geweren, politie uit een ander land, zei m'n moeder. Dat is wat ik me herinner van het begin. Hoe lang daarna weet ik niet, maar we gingen naar Bussum, op een tandem, die we geleend hadden van een oom. Een lange rit, naar Bussum, een dag misschien. Ik zat in een stoeltje aan het stuur. Onderweg moesten we een paar keer stoppen voor soldaten. En dan weer verder.
'Bent u nog niet moe?' vroeg ik mijn vader af en toe.
'Nee hoor,' zei pappa dan, 'helemaal niet. Ben jij nog niet moe?'
'Helemaal niet,' riep ik terug.
Ik weet niet hoe lang het daar weer na was dat m'n vader door de Duitsers werd meegenomen naar Leipzig, in Duitsland, en wij daarna alleen woonden.
M'n vader, pappa eigenlijk, woonde bij een Duitse vrouw, en werkte in een fabriek waar grote bommenwerpers werden gemaakt. Er waren in de straat meer vaders naar Duitsland. Maar er werd met mij nooit over gepraat, hoe het nu verder zou gaan. Na zijn terugkomst ook weinig. Niets over z'n werk of de oorlog. Wel over de gezellige wandelingen met nieuwe vrienden in het Harzgebergte, en dat de kerstboom bij Frau Winter tot in Maart bleef staan.
Op de kast naast m'n bureau staat nu een model van een Tante Ju, een Junkers Ju 52, een vliegtuig van gegolfd aluminium, compleet met hakenkruis, dat me elke dag doet denken aan de tijd dat mijn vader daar heel ver weg zat te wachten tot ie weer terug kon, of dat ie gedood zou worden. Op een meter afstand vliegt een Spitfire. Eén verdachte beweging en Tante Ju zal kapot geschoten worden.
In mijn vroege herinneringen is altijd mijn vader thuis, of op kantoor, weinig herinneringen zonder hem. De wereld waarin ik leefde, zie ik nu als een heel besloten, afgeschermd, uit de wind. Ik heb daar geen andere woorden voor. De buitenwereld werd in mijn peuter- en kleuterjaren bepaald door de wandelroutes naar mijn grootouders die in West woonden en Zuid. Op Zondag wandelden wij naar de éne opa en oma en de volgende Zondag een nog veel langere wandeling naar de andere. Daar zagen we geregeld de ooms en tantes van mijn vader's familie. Mijn moeder was enigskind. Altijd luisteren naar sterke verhalen en anecdotes, waarvan ik niet de indruk kreeg dat ze uit de echte wereld kwamen waarin wij leefden. Vragen daarover werden afgewimpeld, niet boos, maar bijna nooit serieus beantwoord, schalks weggewuifd. Ja dat was het, altijd een schalkse ondertoon, alsof het leven een practical joke was. Mijn vader kwam uit een druk gezin, had zeven broers en een zuster, misschien kwam het daardoor. Dan ging ik maar tekenen, kastelen en auto's en vliegtuigen. Om me te verschansen, of weg te wezen, zou ik nu zeggen.
Zoals Kees in zijn eerste jaren meed ik roltrappen en liften, rende de trappen op naar mijn flat op drie hoog toen ik eenmaal een lift in huis had, totdat ik een keer met de lift ging en deze vast bleef zitten tussen twee etages en ik ruim een half uur moest wacht op de brandweer. Volgens de kansberekening redenerend, dat het mij verder nooit meer zou overkomen was ik niet echt bang meer, maar kennelijk gedreven door een angst die groter is dan mijn verstand, ren ik nog steeds, met twee treden tegelijk de trap op naar mijn tegenwoordige flat, nu op de vierde etage. Daarom is het zo'n vertroosting om in het boek van Kees in zijn heldere, treffende woorden over dergelijke angsten en beklemmingen te lezen.
Buitenshuis liep ik in de oorlog op klompen, als een steedse boerenjongen. Op foto's lijk ik veel stoerder dan ik me herinner. Later op houten kleppers toen ook het hout schaars werd. Het leek allemaal wel stoer, maar de schooldokter had bepaald dat mijn moeder me niet genoeg te eten gaf en zou ik met oog op een goede voeding 's avonds bij andere mensen moeten eten. Na deze verordening klapte ik dicht, kreeg van m'n moeder niet voldoende te horen over wat me te wachten stond. Het was een lange wandeling naar het huis waar het bijeten plaats zou vinden. Boven aan de trap in het hoge portiek op het plein aan het eind van een lange gracht belde mijn moeder aan. Er werd opengedaan, nog een trap. Ik de stenen trap af en rende en de hele weg door naar huis. Een tijd later kwam ze de straat in lopen. Ze keek niet boos. Ik had op de stoep gezeten, nog geen honger. Ze had mijn reactie vermoedelijk wel verwacht, liever met honger mager worden dan bij vreemde mensen eten.
In de zomer van 1943 gingen we samen naar Bussum, naar vrienden van mijn ouders, een tante en een oom, een jongen en twee meisjes. Ik hoorde daar niets meer over de oorlog, maar m'n vader was nog steeds niet terug gekomen. Daar had ik mooie belevenissen, maar was ook heel alleen toen er een keer iets mis ging en ik in de garage werd opgesloten. Zelfs toen ik op mijn hardst schreeuwde bleef de deur dicht, hoewel ik er tegen aan schopte en met een hark tegen de deurruit sloeg. Ik gooide alles wat in de garage stond omver, klom op stapels naar boven en maakte er een puinhoop van.
M'n moeder is naar huis gegaan. En ik wist niet hoe lang ze weg zou blijven, of ze ooit nog terug zou komen, en hoelang het zou duren als ze wel zou terug komen kreeg ik ook niet te horen. Ik weet het niet meer, een half jaar misschien, heel eeuwig. Daarna had ik geen ruzie meer. Ik was nogal stil. Aan die lange logeerpartij kwam plotseling een eind toen mijn oom me naar huis bracht. En daar was een baby'tje, een zusje.
In m'n eentje kwam ik pas ver buitenshuis toen ik moest leren zwemmen in een openluchtbad in Sloten, in een gele, gehaakte zwembroek die niet bleef zitten wanneer die nat werd, zelfs naar m'n enkels gleed als ik dook. Ik ging met nog twee jongens uit de straat met de bus, bus G.
De hydraulisch bediende deuren van de bus waar Kees over schrijft, waren voor mij dezelfde deuren als die van zijn bus. Zelfde deuren, zelfde gesis. Op weg naar het zwembad - waar ik bijna nooit ging zwemmen, of wanneer wel dan maar heel even, om voor mijn moeder gedekt te zijn, om verder in het zand te kunnen spelen, zandkastelen bouwen, waar ik ongemerkt heel bruin werd - ging ik bij de chauffeur staan, om naar de handelingen en het voetenwerk te kijken, maar ook om de deuren sissend te zien open- en dichtgaan, flexibele tochtrubbers, maar onverbiddelijk nauw tegen elkaar sluitend, met een grote, maar voorzichtige kracht, nooit bot of ongecontroleerd, of gescheurd, of rafelig als op de bus van Kees. Vaak dacht ik er aan dat onze buitendeur ook zo zou moeten werken.

 

3

Kees' derde hoofdstuk: Kleuterjaren.

Kees begint dit hoofdstuk met treinreizen en al lezend gaan mijn gedachten uit naar mijn eigen reizen met de trein. Omdat mijn kleutertijd een jaar of dertig eerder viel dan die van Kees, en het toen oorlog was, waren de mogelijkheden om te reizen erg beperkt. Mijn eerste treinreis maakte ik, zoals ik me dat herinner, na de oorlog, na m'n kleuterjaren. Maar eerst m'n kleuterjaren.
Kees maakte in zijn verslag meermalen melding van uitbarstingen van razernij en ook van heftigheid in zijn neiging tot uitgesproken voorkeuren, die ik al eerder fixaties noemde. Hij gaat er niet diep op in, maar ik zie wel het slagveld voor me, met lappen behang van de muur, verruïneerd speelgoed. Ik kon ook wel driftbuien hebben, als ik kwaad werd, omdat ik na herhaald aandringen geen verhelderende, bevredigende verklaring kreeg van onrecht dat mij was aangedaan. De aanloop tot kwaadheid waren situaties die volgens mij wantoestanden waren. Maar met enige distantie kan ik toch wel zeggen dat ik doorgaans een lieverd was. En zeker nu ik na jaren verlost ben van de dagelijkse beproevingen van de omgang met medewerkers en tegenwerkende zakenpartners, word ik wat rustiger. Het gevecht was me bijna te zwaar geworden, een voortdurende stroom van chicanes waarmee zij me op slinkse wijze uit de zaak wilde werken - een slopend gevecht dat ik dreigde te verliezen. Ik kon het niet begrijpen dat ik het slachtoffer was geworden van figuren die ik alleen uit films en boeken kende. Het hield me bijna onophoudelijk bezig. In gedachten zocht ik naar verwoorde verklaringen. In café's noteerde ik de woorden die me te binnen vielen, waar de advocaat geen boodschap in zou zien, maar waarmee ik me een beeld zou kunnen vormen van de barbaarse praktijken, typeringen komen in gedachten als: een 'megalomane dilettant verkwister' maar 'megalomanie' levert me op internet niets verhelderends op. Ik probeerde naar het scenario te kijken vanuit andere invalshoeken dan de mijne, maar kon niet begrijpen hoe mijn oudste partner mij de rug toekeerde, de gemaakte afspraken negerend, demonstrerend dat zijn vermeende moraal een fictie was en onze lange historie iets om te vergeten. Opeens zien ik dat er een overeenkomst is tussen mijn beide partners, de verkwisting, van talent en botte onverschilligheid om mee te gaan met nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij en dus ook in het bedrijfsleven, onze markt, onze klanten, ons brood, de hond in de pot.
Dat kan je dood worden, zei mijn adviseur. Dat geloof ik ook, had ik gezegd, en dat bleek ook waar te zijn. Hierover zou ik een hoofdstuk kunnen inlassen, maar dat zou te ver buiten het thema van het autisme terecht komen. Ongetwijfeld zullen er in het boek van Kees nog aanleidingen komen om hier verder op in te gaan. Nu ga ik verder met de trein, zoals Kees in dit hoofdstuk, niet als kleuter, omdat het oorlog was toen ik kleuter was, maar als jongetje.
Twee treinreizen. De eerste ging naar het Noorden, net na de oorlog, naar Den Helder, waar een oom en tante woonden en waar ik een week mocht logeren. Met mijn oom maakte ik fietstochten langs de dijk, en langs bouwwerken in de stad waar mijn oom als lid van de bouwpolitie toezicht op had. En ik mocht spelen met een lieve knuffelhond. Nog steeds kom ik graag in Den Helder en Huisduinen, en beleef opnieuw die eerste ontdekkingen van het leven buiten m'n eigen stad.
De tweede treinreis maakte ik naar België, met m'n tante die daar woonde met mijn oom en hun kinderen. Een hele dag reizen met een stoomtrein, machtig sissend, puffend, fluitend, reden wij bij de grens het land uit, waar de douane als een lopende krijgsraad door de trein kwam. Overstappen in Antwerpen, waar mijn tante me voordeed hoe ik een sinaasappel kon pellen en schoonmaken en in partjes kon opeten.
In 2001, toen ik een paar dagen in Antwerpen was, zag ik vanuit de hotelkamer het station weer, waar ik deze levensles tot grotere zelfstandigheid met de sinaasappel had gekregen.
Uit Antwerpen reden we met een kleinere, heel oude, smerige trein naar het dorp waar mijn familie woonde, oude huizen op een heuvel, een wereld die ik kende van foto's. Zondags de hele familie door de Vlaamse golvende velden rond het dorp en door de week fietste ik met een neef in het rond, maar meestal alleen, stoof ik van steile fietspaden de hellingen af, en reed ik cross country over zandpaden, hier en daar stilstaand om te kijken naar boeren op het land of huizenbouwers en wegenbouwers. Het was een film, die vakantie, zoals ik daarna elk jaar daar op de oranje vélo die ik te leen had gekregen, waarop ik rondbanjerde, af en toe met m'n neef, maar meer dus alleen. Thuis had ik geen fiets. Is het die associatie, waardoor ik, steeds meer aan die dagen denkend, nu een oranje motorfiets heb? Vrijheid, freedom, Ride to be free is de leus van mijn merk.
Op de twee kleuterscholen waar ik op zat stond de zandbak centraal, verder had ik plezier in tekenen, maar de andere activiteiten waren een ware kruisweg. Zo gingen mijn kleuterjaren over in tienerjaren, alle lessen ervarend als folteringen, met als kwellende dieptepunten zingen en gymnastiek. Zingende kinderen vond ik griezelig, kreeg ik kippenvel van. Bijna bloot met de armen zwaaien en rennen vond ik net zo eng.
Zoals Kees de behoefte had om te vragen of iemand een gaatje in z'n sok had, had ik wel willen vaststellen of iemand een gaatje in z'n hoofd had. Maar ik durfde het nooit te vragen. Altijd liep en loop ik nog steeds met zulke vragen in m'n hoofd, moeilijke vragen voor de betrokkenen, die ik nooit heb gesteld.
Fixaties op kleding, nee, of toch ja. Ik haatte de kleding die ik moest dragen van m'n moeder, en had een voordurend gevoel van walging voor bijna alles wat ik aanhad. De winkels waar die kledingstukken gekocht werden zouden me niet veel alternatieve keuzes geboden hebben als ik zelf had mogen kiezen. Schattige truitjes, met knoopjes in de vorm van tuingereedschap bijvoorbeeld, wollen broeken die prikten, kousen die afzakten en slobberden, of met elastiek in m'n been knelden. Slome kleuren, giftige kleuren, vreemde winkels. Eindelijk dan kreeg ik dan een zeiljopper, net zo een als Theo, een schoolvriendje, wiens vader een zeilboot aan het bouwen was. De jopper die ik kreeg was van het verkeerde materiaal en te krap, niet het echte ruige duffel dat zeilers droegen. Kees heeft volgens mij lieve ouders, en ik haast mij te zeggen dat ik ook lieve ouders had, heel zorgzaam, en sympathiek, ja lief, nee, het kwam doordat ik zo egocentrisch was, dat het soms tot een botsing kwam, waardoor ik hulpeloos in mineur raakte. Mokkend bedacht ik dat ik in stille onvrede ik mijn tijd wel zou afwachtten. Over kleding zou ik in alle hoofdstukken kunnen doorlamenteren, tot mijn zestiende, maar dat zou vervelend worden. Daarover later.
Kees lijkt echt geïnteresseerd te zijn in de antwoorden op zijn absurde vragen, en ik fantaseer alleen over het effect dat de vragen teweeg brengen en ik wil niet eens het antwoord horen. Mijn retorische vragen waren meer een uiting bedoeld om iemand mee op een verkeerd been te zetten, vergelijkbaar met een frons of een mal gezicht. Ik deed zonder een krimp, ondanks dat ik verlegen was. Was ik nou een malle, of een autist?
Thuis had ik het gevoel overal buiten te staan en buiten gehouden te worden. Ik werd nooit ergens op voorbereid en werd overal op het laatste moment mee geconfronteerd, alsof ik geen besef van tijd zou hebben, alsof het van geen belang was dat ik me ergens op zou kunnen verheugen of prepareren. Zo kwam mijn moeder mij een keer van de kleuterschool halen terwijl ik in de zandbak speelde, een onverwachte en vreemde verrassing. Ze vertelde niet waarom ze me kwam halen. We waren kennelijk ook niet op weg naar een verrassing, maar gingen met de tram, en liepen daarna een eindje, naar een grote poort, van het Wilhemina Gasthuis vertelde ze toen we eenmaal binnen waren, het doel van onze tocht, bleek uiteindelijk. Daar moest ik me uitkleden, eerst nog geholpen door m'n moeder, die heb ik daarna niet meer gezien. Terwijl ik in bad werd gedaan waren er verpleegsters, en doktoren die een vreemde taal spraken. Later had ik begrepen dat het Latijn was. Nog later bedacht ik dat het mijn eigen angst was. Verder herinner ik me niet veel meer, een tafel waarop ik moest liggen en werd vastgebonden, en een lapje boven m'n hoofd en dat ik moeite had met ademhalen, daarna niets meer. M'n herinnering gaat weer verder op het moment dat ik wakker werd in een vreemd bed op een grote zaal.
Onze boodschap in de stad was op een vreemde belevenis uitgelopen. De zaal had hoge ramen. Heel even kreeg ik bezoek van m'n moeder. Hierna vond ik boodschappen doen, waarbij wij in vreemde en grote gebouwen moesten zijn, erg angstwekkend. Op de dag dat ik uit het ziekenhuis werd opgehaald, werd er een draad uit m'n buik getrokken, op de zaal, waar iedereen het kon zien. Dat was eng en deed veel pijn. Toen we thuis kwamen was m'n vader daar, die voor een paar dagen verlof had om helemaal uit Duitsland naar huis te gaan. Hij had een cadeau voor me meegenomen, een houten kanon waarmee ik een stuiter kon afschieten, die met een boogje op de vloer kwam, over een afstand zo groot als een pantoffel. Ik was erg opgelucht dat nog hij nog leefde, dat ie weer terug was. Het kanon ben ik nog jarenlang tegen gekomen, een heel vreemd ding waar ik nooit mee heb kunnen spelen.
Veel te snel ging m'n vader weer terug naar Duitsland en ging ik weer naar school. Op de binnenplaats van school lag een grote bos takken. Thuis kreeg ik een idee, wat ik daarmee kon. Ik tekende de vliegroute naar Leipzig. Waar dat precies lag wist ik, had ik met m'n vader opgezocht in de Groote Boschatlas, toen ie een week over was. In het volgende speelkwartier kroop ik met twee jongens de takkenbos binnen. Helemaal voorin de boordschutter. Rechts van me de tweede piloot, kaart op schoot. De takken waren het frame van de glazen cockpit van wat later een Avro Lancaster bleek te zijn. Op grote hoogte hadden we goed zicht, en konden de kaart prima volgen. Maar in een half uur kom je niet ver. De tweede dag waren we al lang over de grens toen de bel ging, misschien nog wel een uur vliegen van de vliegtuigfabriek waar m'n vader werkte. De dag daarop waren de takken weg. Ondertussen was de oorlog erger geworden, en ik wist niet hoe ik mijn vader nog zou kunnen halen. Toen hij na een lange tijd weer thuis kwam, heb ik hem nooit iets over deze reddingsactie verteld.
Omdat ik waarschijnlijk toch niet vaak erg moeilijk was in mijn gedrag, is mijn vader, voor zover ik me kan herinneren, nooit boos op me geweest. Met z'n allen gingen we op de fiets hele dagen onbekommerd op stap, naar Zandvoort, naar de hei, of naar een bos in Het Gooi. Zonder dat ik op zo'n dag iets deed wat ik leuk vond heb ik aan deze dagen toch wel zonnige herinneringen.
Een tijdje geleden kreeg ik via email door een ouwe buurjongen uit die tijd een foto toegestuurd van het bevrijdingsfeest in onze straat, die ik als bureaublad op mijn laptop heb gezet, zodat ik alle mensen uit de straat, alle buren, en 'ooms' en 'tantes' weer allemaal voor me zie als ik de computer opstart. Allen op de foto zijn onderwijl vreemde of gestorven mensen geworden, en de kinderen waar ik niet echt contact mee heb gehad, zijn ook onbekenden geworden die ik niet meer kan thuisbrengen, op die éne buurjongen na, Hans, die een inmiddels gepensioneerde bankdirecteur is geworden.

 

4

Kees' vierde hoofdstuk: Woelige tijd.

Hoewel ik me in veel emoties van Kees kan inleven, en ik me in veel situaties sociaal even gehandicapt voel, heb ik maar weinig van die clashes gehad als Kees in dit hoofdstuk. Daarom aarzel ik of ik wel zal doorgaan. De woeligheid lag op de loer. Ik heb nog wat notities gemaakt. Over geluiden bijvoorbeeld. In de loop der jaren ben ik me aan sommige geluiden gaan ergeren tot een niveau waarop ik ze niet meer kon verdragen. Maar ik ontwikkelde een gevoeligheid voor geluiden waar ik een geluksgevoel van kreeg. In de laatste categorie zijn geluiden van een tweecilinder motorfiets van het merk Matchless, een Harley-Davidson, later de turbineachtige sound van een BMW motorfiets K75, de luchthoorn van een Amerikaanse trein, de Rolls-Royce Merlin engine van een Spitfire, de straaljagers van het Engelse RAF aerobatics team, het stille getik van een Sturmey Archer versnellingsnaaf van de fiets die ik eens de hele dag, toen ik nog maar een jaar of acht was, van oom Wim mocht lenen, later krekels in Zuid Frankrijk en Spanje, papegaaien in de vroege ochtend in Guatemala. En ook die groene reuzenparkieten in het Vondelpark. En de stilte van een regenboog tegen een dramatisch donkere lucht. Geluiden waarvan ik fysiek ongesteld word zijn het smakken tijdens het eten. Slurpen ook. Visuele en auditieve signalen van het kauwen van kauwgom kan ik alleen maar mee dealen door me snel uit de voeten te maken.
Na de bevrijding, toen de mensen niet meer elk moment opgepakt konden worden, en niet onderweg werden doodgeschoten of naar de gevangenis gebracht of tegengehouden, reed ik met Wim, een overbuurjongen, op een Harley-Davidson door de straat. Ik kan me nu niet herinneren waar precies ik er een in het echt had gezien, maar ik wist dat ik op de tank moest zitten. Niet precies wetend wat de functie in het leger was van motorordonnansen reden Wim en ik over de stoep achter elkaar langs de huizen, om alles en iedereen in de gaten te houden, om verdachte bewegingen te rapporteren, en om eventueel in te grijpen, om verbaal te maken, voortdurend opletten en zonodig commentaar geven. Die functie lag mij wel, verkenner, het werk van een verbindingsman. Misschien is deze korte periode wel van invloed geweest in mijn verdere leven. Op het bureau snel mijn werk afmaken en dan weer de straat op, die drang is in mijn bloed geslopen.
In het boek van Kees heb ik niets gelezen over verlegenheid, of althans de verlegenheid die mijn speciale belangstelling heeft, en dan wel in het bijzonder de verlegenheid die door anderen wordt gezien als arrogantie. In mijn jeugd dacht ik vaak dat er een link zou zijn tussen die twee.
Mijn eigen verlegenheid ervoer ik als geslotenheid, afstandelijkheid, door vooral de mismatch van mijn interessen en die van de kinderen en de mensen in mijn omgeving, angst misschien ook. Ik werd, bleek meer dan eens, als arrogant ervaren door mijn omgeving, omdat ik niet dezelfde hobby's had, omdat ik bijvoorbeeld niet meespeelde, mee voetbalde, omdat ik niet de zelfde kreten slaakte. Nadat deze veronderstelling steeds pijnlijker en onomstotelijker de fel realistische werkelijkheid bleek te zijn, en geen angstige inbeelding, werd het voor mij steeds duidelijker dat ik in alles alleen stond. Op school werd ik steeds gedreigd in elkaar geslagen te worden; wacht maar, om vier uur! Ook de jongens in de straat schreeuwden dreigementen naar me als ik langs het eerste portiek van de straat kwam waar zij altijd rondhingen. Later hoorde ik dat iemand had gezegd dat ik op judo zat, en dat ze maar moesten oppassen. Daarna droeg ik een denkbeeldige zwarte band. En dat hielp. In de straat kreeg ik het imago erg arrogant te zijn, of er werd gedacht dat ik eigenwijs was. Daarmee was ik de mogelijkheid misgelopen om in dat groepje buurjongens streetwise te worden.

 

5

Kees' vijfde hoofdstuk: Eropuit.

Een uitje naar de Bijenkorf werd een nachtmerrie toen ik met m'n moeder met de roltrap helemaal op de bovenste etage waren gekomen. Vandaar kon je Zwarte Pieten omhoog of naar beneden zien klimmen langs touwen die uit het plafond kwamen, net zo hoog als waar wij stonden. Ik kreeg het er koud van en bleef op geruime afstand van de balustrade. Later met mijn eigen kinderen was mijn vrees ondraaglijk, door de angst dat de kinderen eerder omhoog zouden klimmen om naar beneden te kijken dan ik ze tegen zou kunnen houden. De Euromast kwam ik pas veel later in mijn leven. Hoogtevrees had ik al danig last van als ik op twee hoog uit het raam keek. Daar had ik niet aan gedacht toen ik met mijn Belgische neef de toren beklom waar de Witte van Zichem ook gespeeld had. We klommen steen voor steen als tegen een rotswand, langs een kapotte buitenmuur naar boven. Eenmaal in de eerste deuropening schrok ik van de hoogte en dacht nooit meer zonder hulp naar beneden te kunnen komen. Eerst verkenden we het binnenste van de toren en liepen rond over een brede richel. Er was geen andere weg naar beneden dan langs de stenen waarover we omhoog waren gekomen. Omlaag bleek later ook altijd moeilijker dan omhoog, omdat je dan het volgende houvast voor je handen en voeten kan zien, en voelen.

Toen mijn vader opeens met een jongensfiets voor de deur stond van de school waar ik Engelse les had, werd het me meteen duidelijk dat ik vanaf dat moment alleen eropuit zou kunnen. Het was een lichtgroene fiets, pastelachtig groen. Ook niet echt pastel. Een kleur die ik nooit eerder had gezien. Het stuur was niet een vlinderstuur dat toen steeds meer in de mode kwam, maar een vreselijk breed en ijselijk recht en plat stuur. Nu, tegenwoordig, zou een zoon tegen z'n vader zeggen: Fantastisch pa, maar laten we even naar de winkel gaan om te zien of ze niet een andere kleur hebben en dan bij voorkeur zwart, dit kan dus niet. Een fantastische, gedurfde keuze, maar zo lang ik die fiets had ben ik ontdaan geweest over die kleur. Ik heb er nooit iets over kunnen zeggen, tot nu dus. Meermalen kreeg ik de vraag of hij nog in de grondverf stond. De lak glansde mooi, dus dat kon het ook niet zijn. Gelukkig werd er niets over gezegd waar mijn vader bij was.
De eerste Zomer en Herfst zorgde ik dat ik om half een voor de deur stond van mijn vader's kantoor. Dan had hij al z'n fiets uit de kelder gehaald als hij buiten kwam. Op weg naar huis al vroeg ik waar we naar toe zouden gaan. We zien wel, zei hij steevast. Van al die ritten die we maakten zijn er een paar memorabel gebleven. Een rit naar Nieuwendam en Schellingwoude was een van de eerste. Aan het begin van de Nieuwedammerdijk stond een bordje met de waarschuwing 'Slechte weg'. En meteen al begon mijn koplamp te trillen. En het hield niet op. Ik maakte de voorkant open om te zien waar het trillen vandaan zou kunnen komen en ik deed een papiertje tussen de rand en het lamphuis. Het was nu minder. Maar de hele lamp bleef trillen. Thuis draaide ik de moer aan van beugel waarmee de lamp vast zat aan de fiets. Dat hielp niets. De fietsenmaker draaide de moer nog een slagje verder en zei dat ik weer kon rijden. Het getril bleef het zelfde. Ik klaagde erover bij m'n vader, maar die hoorde het niet, en zei dat het niets ernstigs was. Op een rit naar Osdorp reden we over een weg die nog slechter was dan de slechte weg in Nieuwendam, met steenslag als tijdelijk wegdek en het getril werd onhoudbaar. Het trillen zat in m'n oren en ging verder m'n hoofd binnen. Klagen was een doodlopende weg. De weg ook. Op mijn eigen fietstochten koos ik zoveel mogelijk asfalt. Als ik over kinderkopjes zou moeten dan reed ik soms een heel eind om.
Ik reed alleen door de stad en keek in de etalages van de winkels waar ze de spullen verkochten waarvoor ik aan het sparen was, Dinky Toys, staaflantarens, kristalontvangers en koptelefoons.
'Dat je hem helemaal alleen op de fiets de stad in laat gaan,' zeiden de buurvrouwen, de tantes.
'Koos kan heel goed fietsen,' zei mijn moeder dan. 'Die kan ik met een gerust hart eropuit laten gaan.'
In m'n eentje fietste ik steeds verder, door de stad tot in de havens, waar ik keek naar het rangeren van de goederenwagons en het lossen van de schepen, door het Bosplan naar Schiphol, waar ik langs de Ringvaart de Gloster Meteors zag staan, de straaljagers, die daar in onderhoud waren, war ze ook werden proef gevlogen. Ik keek naar het starten en landen. Thuis tekende ik ze uit mijn herinnering, om dat ik het te ver vond gaan om ze ter plaatse in een schetsboek te tekenen. Dit brengt me op het idee een model van de Gloster te kopen, die zo'n prachtige, sierlijke vorm heeft, dat het niet goed is voor te stellen dat het eigenlijk een moordwapen is.
Een groot verschil met Kees is dat ik zo zelfstandig was dat mijn ouders er niet veel gevaar in zagen om me te laten gaan. Ik fietste zo snel en behendig als een slagersjongen, voelde me thuis in het verkeer, zat liever op de fiets dan thuis. Hier en daar stapte ik af en reed weer verder. Ik maakte al die tochten in m'n eentje. Als ik er eens vroeg of Wim of Hans mee wilden, dan zagen ze daar niets in, omdat het niet om een boodschap ging, dat er geen reisdoel was, dat ook, maar meer nog omdat het niet van hun moeder mocht.
Kees kon prachtig tekenen. Dat deed ik ook graag, tekenen, maar ik wist nooit goed wàt, en ik bedacht een mooi project, het tekenen van de dasboards van auto's die ik mooi vond. Op de eerstkomende rit dat ik mee zou rijden met oom Bert naar Bussum had ik een schetsboek meegenomen, om het dashboard van zijn Amerikaanse Ford te tekenen. Maar al snel bleek dat het heel lastig was om in een rijdende auto de ronde klokken te tekenen, de strepen van het chroomwerk, en het ook stuur was, zittend in de auto, heel moeilijk rond te krijgen. Voordat ik was begonnen heb ik toen het project afgesloten. In de negentiger jaren zag ik een koffietafelboek met grote prachtfoto's van dashboards van markante auto's, van de uitgeverij Phaidon, en zo heb ik nu uiteindelijk toch wat ik wilde.
Met een jaar of tien, elf reed ik op de fiets naar Den Helder, dat is tachtig kilometer, en ik reed dat in een recordtijd voor zo'n jonge gast van drie uur en een kwartier, een onbestaanbaar snelle tijd. De tijd die ik kwijt was, om weer helemaal met een lekke band naar huis te lopen vanaf de Hemwegpont, was daar niet bij inbegrepen. Onze fietsenmaker plakte m'n band en ik stoof opnieuw de straat weer uit. En toen ging de tijd weer opnieuw lopen.
Het zat er dik in dat ik nu ook best wel naar België zou kunnen fietsen, en dat deed ik ook, het jaar daarop. In die tijd was een fiets met een versnelling een onbereikbaar kostbaar bezit, waar ik niet eens van droomde. Ik spaarde wel, maar zo'n droom stond nog niet eens op m'n wenslijstje. Inmiddels had ik de fiets van m'n vader gekregen, opnieuw gemoffeld en beter passend bij m'n gegroeide lengte. In de dubbele zijtassen sjouwde ik m'n kleren mee en reed van zes uur in de ochtend tot vier uur in de middag naar Scherpenheuvel, in het midden van België. Later hoorde ik dat m'n moeder ook nu niet in de rats zat, dat mij iets zou overkomen onderweg. Wij hadden thuis geen telefoon, dus toen ze na een week geen brief had gekregen met slecht nieuws, zou ze wel aannemen dat de reis goed was verlopen.
Met het logeeradres, het huis waar mijn oom en tante woonden, als uitvalsbasis maakte ik fietstochten naar steden in de omgeving, Diest en Aarschot en de dorpen er tussenin. Op de fiets, en meestal alleen. Als mijn oom met de auto weg moest mocht ik mee. In die maand lang reden wij door Noord België geregeld rond, soms hele dagen pratend over de steden die we bezochten, en luisterend naar de gesprekken die mijn oom met zijn klanten had. Hoewel ik Nederlands bleef praten werd ik tijdens mijn 'verlof' in Vlaanderen steeds meer Belg. En als ik nu weer even terug wil, dan lees ik gaarne een paar pagina's in een boek van Maurice Gilliams.
Naar aanleiding van die fietstochten schrijf ik het woord 'loner' op en ik denk aan m'n vader die op mooie Zondagen hele dagen een eind weg reed, beetje kuierend, zoals Nescio, fietsend alles bekeek en daar 's avonds onder het eten over vertelde. Later kon ik ook moeilijk tijdens vakantie op één plek blijven zitten, maar reed ik het liefst in de omgeving rond, en overal naar toe, verkennen noemde mijn vader dat. Ook nu rij ik veelal alleen. De vriend waarmee ik geregeld op avontuur ging, vliegend naar de Waddeneilanden, naar Engeland en zelfs naar Cannes, is dood, en anderen zijn doorgaans ook verhinderd.
De bezieling waarmee Kees modelvliegtuigen bouwde, heb ik in onwetendheid van mijn vader geërfd. Op zolder ontdekte ik een doos met uit karton gebouwde vliegtuigjes en zelfs een kopie van het stationsgebouw van het vooroorlogse Schiphol. Ik zag dat in de oorlog, en na zijn terugkeer uit Duitsland heb ik er niet aan gedacht er om te vragen. Ook had hij een modelspoorweg, waar ik een keer mee mocht spelen toen hij daar ook bij was. Jaren later heb ik die na zijn aarzelende toestemming toegeëigend en er nog tamelijk veel mee gespeeld. De vliegtuigjes zijn nooit meer ter sprake gekomen, misschien wel omdat m'n vader het een te kinderachtige liefhebberij vond voor een serieuze huisvader.
Ik bouwde een MIG die nog jaren op m'n bureautje heeft gestaan. Een spannende en vooral gracieuze jager. Ruim tien jaar later, toen ik getrouwd was en kinderen had, begon ik laat in de avond, nadat ik m'n werk voor die dag had afgemaakt, auto's te bouwen in de schaal 1 op 24, een plank vol spectaculaire automobielen die gekozen werden om hun bijzondere betekenis in het automobilisme, als mobiele architectuur. Nu zie ik er in gedachten weer een paar voor me, een Duesenberg en een Ford GT40. Na 02:30 uur begon ik vermoeidheid te voelen, maar ging door tot er een bouwfase was afgerond, de motor, het chassis, het spuitwerk. Wanneer de auto werd geassembleerd kon ik niet meer stoppen, dan werd het zo laat als het werd. Als ik daaraan terug denk zie ik een prachtig zwart gespoten Shelby Cobra. De body paste niet over het chassis met de al opgebouwde binnenkanten van de spatborden. Met geen mogelijkheid. Het was half vier in de ochtend en ik had door het spannende moment wat verhoging, maar ik kon toch de rust opbrengen om heel stipt na te gaan waar de schoen wrong. Nergens. Overal eigenlijk. Ik voelde dat ik naar bed moest, en ook dat ik het moest afronden. Gedecideerd nam ik de Cobra naar de vuilnisbak, legde hem bovenop het keukenafval en sprong er met beide voeten bovenop. Een doordringend gekraak. Nu, zo veel jaren later, staat er een oogstrelende aluminium Cobra op een kastje achter mijn bureau, één van de vier Cobra's in totaal. De meest gedetailleerd metalen GT40 - 1:18 - die ik ooit heb gezien, staat pal voor me op m'n bureau, omdat ik het geluk heb dat fijne handjes in China zoiets eindelijk voor mij maken kunnen, met spaakwielen die ik in een jaar nog niet zou kunnen maken. Als ik er wat aan kan besteden ga ik er op uit en koop een auto - ready to drive - in een doos. Een hoge prijs om razernij bij de bouw te voorkomen.
Soms denk ik terug aan de nachtelijke uren die ik besteedde aan de bouw van die prachtige auto's. Niets is er van overgebleven dan mooie herinneringen, want na een paar jaar verdroogde de lijm en vielen er onderdelen af en hielen de assen het niet meer. Dan hoorde ik midden in de nacht een zacht tikje en in de ochtend lag er een bumper op de plank of vond ik een koplamp op de grond. Daar was niet mee te leven. Niet driftig maar heel droef heb ik het wagenpark in een vuilniszak gedaan, en afscheid genomen van een periode. Zou ik die tijd beter besteed hebben met het lezen van Spock? Of meer van Oliver Sacks.
Steeds meer zie ik overeenkomsten in het gedrag van Kees, en mij, zijn interessen en zijn angsten, hoewel onze afkomst in veel opzichten enorm verschilt. Daar komt dan bij dat de tijdgeest waarin ik opgroeide heel anders was dan de tijd waarin Kees groot werd. Er waren zoveel meer mogelijkheden waardoor Kees kon kennismaken met de buitenwereld dan in mijn tijd, met voor mij alleen maar de radio, de krant, een boek van de bibliotheek. Ik ging met mijn ouders op een sobere fietsvakantie naar Bergen, terwijl Kees naar prachtige oorden vloog. Nu kunnen we kijken naar spannende en prachtige tv-drama's, The National Geographic Channel, en The Music Factory niet te vergeten. Jaloers? Allerminst, natuurlijk. Als ik problemen had op school, met de leraren of met de leerlingen, dan kon ik niet anders dan broeien, dagen lang, totdat ik in één klap op mijn zestiende al mijn problemen zelf oploste en zelfstandig 'voor eigen rekening' verder ging, in onze kring een dropout avant la lettre. Vanaf dat moment zal elke overeenkomst met Kees wel ophouden, geloof ik. Tot omstreeks zijn dertigste jaar zou ik de levenswegen naast elkaar kunnen leggen.

 

6

Kees' zesde hoofdstuk: Verstrikt in het leven.

Zoals Kees als gevolg van zijn dromen de situatie tussen zijn broers en zijn moeder met verhoogde aandacht in de gaten hield, om er zonodig een stokje voor te steken, zo lette ik, als ik op de fiets zat, op het verkeer, en lette ik later op mijn medewerkers, en kreeg meestal de bevestiging van mijn scherpe voorgevoelens als ik dacht dat er iets zou gaan mislopen, uit sukkeligheid, onbekwaamheid of grove nalatigheid. Als je er zó boven op zit, werd er wel eens gezegd, dan leren ze het nooit, dan moet het wel geheid mis gaan, omdat je alle verantwoordelijkheid ondermijnt. Maar tot hoe ver kun je dan gaan? Als ik een opdracht had besproken en een volledig vertrouwen in de medewerker had gecommuniceerd, en alles geheel overliet aan zijn of haar eigen initiatief en de eigen verantwoordelijkheid, dan leek het wel dat die medewerker altijd koos voor de foute optie die niet besproken was, wanneer er een detail niet helemaal was voorgekauwd. Uit alles bleek dat mijn eigen motivatie niet de vereiste inspiratie overbracht, dat men het niet van mij moest hebben, maar ook, dat het niet aan mij lag, maar aan de instelling die de opmaat was in de branche. Als ik meetings belegde, om bij mezelf een andere toon aan te boren, ging het 't éne oor niet eens in, dus wie was de autist? Naast mijn eigen creativiteit was voor mij de onbereikbare motivatie bij de medewerkers de main issue geworden.
Hoewel ik eerst in dienstverband werkte en vanaf m'n vierentwintigste zelfstandig, raakte ik als Einzelgãnger steeds meer verstrikt in de waan van het spel, met de persoonlijke, elkaar tegenwerkende krachten en belangen. Zoals Kees zal ik ongetwijfeld een bijnaam als de zijne hebben gehad, ook zoiets als Piet de Controleur. Ik heb ervaren hoe moeilijk het is om daar een draai aan te geven, nee, dat dit zelfs onmogelijk bleek.
Om zelf meer armslag te krijgen werden er door mijn oudste partner steeds vaker ruzies ontketend, om zich tegen mij af te zetten, met het doel om mij van zich te ontdoen, waar de jongere partner van harte, geïnspireerd aan mee ging doen, zich verschuilend achter een scherm van onschuld, zich bedienend van de suggestie dat ik niet met de medewerkers kon omgaan en nog minder met de klanten. Zo werd er in de loopgraven beslist dat ik met beide niets meer te maken mocht hebben. Echter, drie medewerkers, die dit allemaal machteloos zagen gebeuren, stapten op in onvrede over juist hún incompetentie en verkwisting van tijd en geld. Aan het geforceerde eind van m'n carrière heb ik het moeten afleggen tegen een slopende uitputtingsslag, waarvan ik concludeerde dat deze door mijn partners van meet af aan en met voorbedachte rade gepland was, hoe zij mij hardvochtig en meedogenloos in de maling zouden nemen.
Met mijn zusje had ik niet de problemen die Kees had met zijn broer. Zes jaar jonger leefde ze in een andere wereld. Terwijl zij op straat speelde zat ik te tekenen en te lezen. We hebben een goed contact, nog steeds, na al die jaren. Zij speelt nog maar weinig op straat, en ik wandel steeds meer door de stad.
De tandarts zat voor mij in het voorportaal van de dood. Er werd thuis geheimzinnig over gedaan en niet gepraat, en ik durfde niet te vragen wat er nou aan de hand was. Dat iedereen naar de tandarts moest was voor mij geen geruststelling. De schooltandarts zat op het pleintje waar ik ook de boekjes van Kapitein Rob kocht. Door aan Rob te denken kreeg ik de kracht om voorbij het winkeltje te lopen en om te ondergaan wat hem toch ook wel meermalen zou zijn overkomen. Als ik daar geweest ben - zo zag ik het voor me - dan is dat enge avontuur achter de rug en kunnen we weer uitvaren.
Op m'n elfde werd het ziekenhuisdrama min of meer herhaald, met dat verschil dat me werd verteld waar we naar toe gingen, al voordat we buiten waren. M'n moeder vond dat ik in de verte niet goed kon zien. Dat had ze ontdekt in De Gouden Bocht, op de Heerengracht, toen ik een huisnummer aan de overkant niet kon lezen en zij wel. Het zou kunnen dat je een bril nodig hebt, had ze gezegd. Dan zou m'n oog eruit gehaald worden en op een lepeltje gelegd, had ik niet lang daarvoor gehoord. Nee, zei m'n moeder, dan krijg je misschien een bril, en dan zullen we een mooie voor je uitzoeken. De oogarts was een vrouw, Hora Adema - ook weer zo'n Latijnse naam, net zo als de taal die ze in het ziekenhuis spraken - het bord zie ik nog wel eens als ik door de Lairessestraat rij, misschien wel een dochter, of een kleindochter. In kalme hysterie ben ik mee gelopen en heb naar m'n ogen laten kijken terwijl ze nog in de kassen zaten. En inderdaad, een bril, maar je hoeft hem niet te dragen hoor, had mevrouw Hora Adema gezegd, alleen als je er behoefte aan hebt. Op weg naar huis hebben we bij Prins een mooi montuur uitgezocht, van doorzichtig kunststof, zoals ik nog niet eerder gezien had, maar dat had misschien aan m'n ogen gelegen. Een week later stapte ik vanuit de winkel in een andere wereld. Ik kon van een afstand de nummerborden van de auto's lezen. Vond ik wel handig.
Omdat het montuur van m'n bril doorzichtig was viel ie niet zo op. En het verbaasde me dat ik de volgende dag niet werd uitgescholden voor brillejood. Het had voor- en nadelen dat ik nu alles zo scherp zag. Ik kon mensen en kinderen en alles van grote afstand herkennen en had met die tijdige informatie de keus wat ik daarmee zou kunnen doen. Ik kon een auto in de verte herkennen. Maar ik zag ook die muffe valletjes achter ramen en afstotelijke planten. Op de stoep zag je een drol aankomen, en een idioot gezicht, scheef zittende naden in nylons, geschuurde hielen. Maar wat ik niet beter zag, was alles wat andere kinderen zeiden te zien in andere kinderen, waardoor een meisje een aanstelster of een jongensgek was, of een jongen tof was, of geinig. In veel dingen kon ik de gein niet zien. Het was alsof ik daarvoor andere glazen nodig had. Zíé je dat dan niet, werd er vaak gevraagd. Ik kreeg steeds meer het gevoel dat ik er buiten stond en ernaast zat.

 

7

Kees' zevende hoofdstuk: Stormachtige ontwikkelingen.

Als m'n schat de deur uitgaat, en de tingeltjes van de chime nog niet verstild zijn - een stel verchroomde buisjes aan koordjes, die ik gekocht heb in het Science Museum tegenover de Twin Towers op Manhattan, dicht bij het Vrijheidsbeeld - zet ik een cd op, de achtste symfonie van Shostakovich, één van de War Symphonies, en ren met twee passen naar het raam om haar uit te zwaaien en zie haar tussen de twee hoge bomen door ook zwaaien als ze de hoek om rijdt. Een paar blaadjes zijn al bruin verkleurd, het eerste signaal van Herfst, afscheid dus, maar haar zie ik na getingel vanavond als de Lente weer thuiskomen.
Na een lange periode van zon, die werd uitgeroepen tot een hittegolf schijnt de zon nu ook, maar zo vroeg als nu zou je niet verwachten dat er een sloep voorbij zou varen in het kanaal, een moderne sloep, met een man of tien, er niet op gekleed, een personeelsuitje? Ze ligt laag op het water. Er zwemt een man achteraan die gebaren maakt naar de mensen in de sloep. Het lijkt erop dat hij schreeuwt aan z'n gebaren te zien, maar door de dubbele ramen zou ik dat toch niet kunnen horen. Hij wordt door de man aan het roer aan boord gehesen. De man schudt het water van zich af als een hond en slaat de stuurman de boot uit, een vervolg op de laatste droom die ik vannacht had.
Onder de indruk van deze beelden loop ik de winkelstraat in, eerst naar de tijdschriftenwinkel, waar ik het nieuwste nummer koop van Air Power met een video over de luchtoorlog in Europa van 1944 tot 1945, en een nieuw nummer van Op Pad dat op de toonbank ligt met een foto op de cover van een groen en ruig berglandschap in de zon en in de donkere achtergrond over de hele breedte een kleurrijke regenboog. In de Coffee Company om de hoek van m'n huis kijk ik downtown de straat in. Het is nog maar even over achten. Zit je je zonden te overdenken? Er is niemand die me dit vraagt. Ik stel de vraag kennelijk zelf. Wat is de aanleiding? Dat ik zo voor me uit zit te kijken?
Het zijn niet mijn zonden waar ik aan denk, maar terwijl ik mijn Rotring viltstift pak, die ik gisteren gekocht heb, en die bekijk, denk ik aan de Tintekuli die mijn vélo-neef uit België me een keer liet zien, een unieke pen met een pennetje in een pennetje. Dat is lang geleden! Hij handelde er in, zei hij. Hij schreef ermee, zoals ik met een vulpen. Ik kocht er een van hem, wat me een groot deel van m'n spaarcenten kostte. In plaats van een pen was er een dunne stift, die hol was, en waar een nog dunnere stift in zat. De streep inkt die op het papier achterbleef als je mee over het papier gleed was zo dun als de buitenste stift. Elke keer als je de stift van het papier omhoog haalde, bij het begin van een nieuw woord, dan kwam er weer wat inkt naar de uitgang van het stiftje, zoals bij een vulpen, ongeveer. Je zag ze ook af en toe op school. Ik schreef er lang zo lekker niet mee als met m'n vulpen, heel voorzichtig ook. Beetje kwetsbaar ding. Wel veel fijner. Later kwam Rotring ermee, en kocht ik ze in verschillende dikten, zodat ik van die heisa met trekpennen af was.
Iedereen denkt dat ik allerlei aparte liefhebberijen heb, maar dat is niet zo. Ik schrijf dit nu met een viltstift van Rotring op een geel stickertje. Dat lijkt heel apart en pretentieus, maar ook dat is niet waar. Zoals met al mijn liefhebberijen is de voorkeur voor deze viltstift ontstaan uit onvrede met andere viltstiften, niet uit de wens om het meest exclusieve in een bepaalde categorie van gadgets te hebben en me daarmee te onderscheiden. Het 3M memopapiertje is te klein, maar ik heb niets anders, omdat ik voor ik weg ging geen blocnootje heb kunnen vinden waar ik mee uit de voeten kan. Ik nummer de papiertjes en plak ze op elkaar. Als ik voorzichtig ben blijven ze ook in die volgorde zitten, want sinds de introductie is de kleefkracht aanzienlijk minder geworden, een van de teleurstellingen in mijn leven, en wat ik ook helemaal niet begrijp, dat zo'n grote organisatie daar niet op toeziet en de stickiness van de stickers niet op pijl weet te houden. Zo typisch voor alles wat er mis gaat in het bedrijfsleven, dat na een tijdje iedereen het laat afweten, de stickers van de kast laat vallen.
Mijn eerste vulpen kreeg ik van mijn vader, een gestroomlijnd schrijfinstrument met een verscholen pen, nog niet eerder gezien, een uniek en apart schrijfinstrument. dat zo bijzonder was dat mijn vader gedacht zal hebben dat voor mij alleen het beste goed genoeg was. Dat is niet mijn credo geworden, maar het pakte wel vaak zo uit. Ik heb jaren met die pen geschreven. De dop werd lelijk en ik kocht een andere, bij Akkerman in de Kalverstraat, waar ik laatst de viltstift van Rotring kocht. Daar zag ik ook nog een Rotring-horloge, maar de wijzerplaat had net niet de verfijning die me zou aanspreken.
Al schrijvende herinner ik me dat ik bij diezelfde Akkerman eens een stuk of vijftig Parkers had gekocht zoals ik die van mijn vader had gekregen, liet in het zwarte gedeelte in goud de naam van m'n bureau graveren, liet ze ingieten in perspex en prachtig polijsten en gaf ze aan m'n opdrachtgevers, ook een aan mijn ouders. Na een week zei m'n moeder dat ze het zo jammer vond dat ie niet gebruikt kon worden en had al gedacht dat ze de pen er met een heet broodmes uit kon halen. Hierop kocht ik een complete set in een etui, die m'n vader nog jarenlang gebruikt heeft, totdat ie nu tussen de andere pennen bij mij in de kast ligt. Een paar klanten reageerden hetzelfde, en konden de grap niet waarderen. Ook voor hen heb ik toen een Parker in een doosje gekocht, die niet door perspex onbruikbaar was geworden. Het stapeltje gele stickers is te groot geworden om lekker te kunnen verwerken. Ik hoop dat ik het thuis nog kan lezen. Ik ga op m'n Nokia Communicator.
De nieuwe Rotring viltstift is de Stellvertreter voor de viltstift van Porsche Design die ik kwijt ben, een groot verlies, sinds jaren m'n meest dierbare, allerfijnste, allermooiste schrijfinstrument, weg! Het was nog een hele moeite om een viltstift van Rotring te krijgen. Uiteindelijk had Akkerman er een voor me. Inmiddels heb ik er al weer heerlijk mee geschreven, zie boven. Op m'n bureau liggen nu, opgediept uit het schrijfbenodigdhedenlaatje een vulpen - met groene inkt - een drie-in-één pen, een mooi slank vulpotlood en een ballpoint, weer het echte, ambachtelijke schrijfgereedschap.
Tussen het schrijfgereedschap ligt een Sheaffer, en potlood, van het klassieke no-nonsense model, waar ik een tijdje helemaal voor ging, en verder pennen en ballpoints en roller pens van goede merken en prima kwaliteit, waarvan de laatste jaren ik die van Lamy het meest gebruikte. Eerst die mollige matzwarte en daarna titanium en chroom. De laatste aankoop was een pennetje van Lamy, de Pico Pocketpen, niet langer dan ca. 93 mm, maar telescopisch uitgeschoven tot 123 mm net voldoende lang om gerieflijk mee te schrijven, heb ik altijd bij me, in m'n linkerbroekzak. Een kleine dertig jaar geleden zag ik de allermooiste, aantrekkelijkste, begeerlijkste vulpen die ik ooit had gezien, en meteen heb gekocht, en waar ik niet op uitgekeken raakte, de Aurora van Hastil, Italiaan, een roestvrijstalen, zuiver cilindrische staaf met een dop die daar flush op aansloot, met een sierlijk maar sober clipje dat zich zelf tegen de staaf klemde, zó fijntjes en zó mooi! Een tijd later zag ik hem bij Akkerman, en na veel praten erover en na lang wachten kwam een ballpoint. En als verrassend aardigheidje een heel plat balpennetje met een plat clipje dat ik bij me droeg in het platte, leren Eurochequemapje. Eigenlijk nog veel mooier dan die prachtige set van Porsche. Er kwam nooit een vulpotlood, dus bleef er altijd een leemte. De laatste tijd schrijf ik veel notities met een gel-pen van Pilot, de Amerikaanse Bic zogezegd, watervast en soepel en vloeiend en daardoor handig om drieënzestig adressen te schrijven.
Omdat ik de Rotring-set zoveel gebruikt heb komt het koperen materiaal op de randen door het zwart heen, wat het een patina geeft van een druk gebruik, zoiets als een oude zwarte Leica die aan het front is geweest. En al dat spul ligt in een laatje, terwijl ik, om dit te schrijven dat schrijf op m'n Communicator, in de coffeeshop, in de auto als ik zit te wachten, op een terrasje, aan de kant van de weg. Toch had ik die pennen allemaal onmiskenbaar nodig, om te evolueren naar dit apparaatje.
Ik dwaal zo heel ver van Kees af. Maar is dat zo?
Kees maakte een sprong van de tweede naar de vierde klas, waar hij zelfs fantastische cijfers haalde. Hij had er zelfs plezier in. En ik voelde me steeds beroerder in de banken. Het meeste ging langs me heen, en daar waar ik interesse in had wist ik meer van dan de meester, wat ook weer problemen opleverde. Ik bleef zitten, in de vijfde. Het volgende jaar kreeg ik weer de zelfde lessen maar het werd er niet makkelijker door, mant ik moest er van kotsen, die misère.
Ik schreef verhalen, en liet die aan m'n moeder lezen. Als ik een verhaal af had, herschreef ik dat vaak en liet de aanzienlijk verbeterde versie nog eens lezen, waarop zij zei dat ze het al gelezen had. Waarop ik zei dat ik er iets beters van gemaakt had. Ja, het is mooi, maar ik had het al gelezen. Ook daarom is het jammer dat ze nu dood is, dat ik dit niet meer kan laten lezen. Het was in één keer goed mam.
Soms was ik zó beroerd van die school dat ik tegen m'n moeder zei dat ik buikpijn had. Ik kon het echt niet opbrengen. Tot niet zo lang geleden heb ik gedacht dat ik haar maar iets op de mouw spelde, maar nog niet zo lang geleden - toen ik bijna liep te kotsen van wat de mensen op mijn werk allemaal uitvraten met mij als slachtoffer - realiseerde ik me dat het waar was, dat ik niets had voorgewend, maar dat ik er echt niet meer tegenop kon, zoals in de zandbak, op school, in winkels, in de menigte in Kalverstraat, overal. Terug naar Kees!
Kees! Wat een leven had jij! Als ik dat er ook nog bij had gehad, al die uitjes, overal naar toe, die pracht vakanties, dan was het wat meer in evenwicht geweest met dat vreemde gevoel overal buiten te staan, met de eigenwijsheid om de eigenwijsheid niet prijs te willen geven.
Laatst zei iemand dat ik 'object oriented' was, doelend op de mooie spullen waar ik over vertelde, maar het ging te ver om daar op in te gaan, temeer nog dat het sympathiek bedoeld was. Mooie spullen inspireren mij, maar geef mij maar een regenboog, kun je me voor wakker maken. Als ik er een zie denk ik aan de pot met goud die aan het eind van de regenboog zou staan. Maar elke keer slaat de onmacht toe omdat er niet bij te komen is, dat de regenboog zicht verplaatst zoals de horizon, wanneer je er naar toe wil. Zo ook de beloofde regenboog die ik niet gevonden heb in het boek dat ik laatst zag van David Bailey, de hoofdrol in Blow Up, Chasing the Rainbow, een titel naar m'n hart, maar niet de regenboog dus maar foto's, korrelige sfeerfoto's, zonder de sfeer waar ik warm van wordt.
Associatie en identificatie. Ik dwaal af naar het eind van de regenboog waar ik de vitale, spontane benen van Kitty zie, de gezellige maar diepe ogen en de mooie, zonnige huid van Peggy, de wijze lach van Alie, het decolleté, de cleavage van Lidy, de stem en de distantie van Willy, die droeg ik bij me droeg als medaillonnetjes, objectjes, icoontjes, juweeltjes, voorbeeldjes, maar toch ver weg bleven. Ik bleef van plan om op zoek gaan naar haar waarin alles was verenigd, maar praatte er natuurlijk niet over. Ik wist het wel, plaatjes, details, maar geen praatjes, en met een mooie elleboog kun je geen relatie opbouwen.
Mijn mooiste autotekening was er een van de auto die ik de Aalscholver' noemde, maar dan in het Latijn, die je nu zou kunnen vergelijken met een Renault Espace, een ruimtewagen waarmee je van het strand de zee in kon rijden en onder water naar de kwallen kon kijken, en doorrijden naar Engeland. In Huisduinen, toen ik in Den Helder logeerde, lag ik soms een hele tijd vanuit de Donkere Duinen naar de vloedlijn van het stille strand te kijken en te wachten dat hij uit zee door de branding het strand op zou rijden. Die mogelijkheid had ik over gelezen in een boek. De jongens die dat echt hadden beleefd hadden een camera bij zich, en vanaf dat moment wilde ik ook een camera hebben, wilde ik zelfs fotograaf worden. Piloot kon ik allang niet meer worden, vanwege m'n bril, maar zó slecht waren m'n ogen ook weer niet dat ik geen fotograaf kon worden, ook al omdat het daarbij gaat om visie en niet de scherpte van je ogen. En lang wachten kon ik ook wel.
Hebben alle jongens dat niet, heb ik altijd gedacht, al die interessen waarover Kees schrijft? Ik maak in gedachten een paar passen met de zwembadpas om op het strandje van Sloten te zijn. Volwassen mensen doen dat ook, uiteraard, maar praten daar niet over; alleen op Dinsdagavond in Lexington, waar dan de grote jongens bij elkaar komen, waar zij zich even bloot lijken te durven te geven. Bloot, wat had ik een hekel aan schoolzwemmen en gymnastiek, altijd op je hoede dat je broek niet van je kont werd getrokken, geschreeuw, botsingen, trekken en duwen, uitlokken, brillejood. Steeds meer kreeg ik de aanvechting om weg te lopen, naar een ver land, naar Canada. Elke avond om half zes luisterde in naar een uitzending de Canadian Broadcasting Corporation, speciaal voor mensen die er over dachten te emigreren. Ik dacht erover. Elke maand kreeg ik een boekje thuis en heel lang keek ik naar de brede straten, de auto's - er staat nog steeds een Chevrolet in m'n fotografisch geheugen - de ruimte, de mensen die ik fris zou kunnen tegemoet treden. Ik was elf, maar het leven ging snel. Het werd tijd dat ik me moest oriënteren, omdat hier mijn toekomst niet lag.
Het grote verschil met Kees zit erin - geloof ik - dat ik in fysieke rebellie niet verder ging dan schaarse driftbuien, zoals die onmachtige razernij met de bezem in de garage van oom Bert, en verder in mateloze teleurstelling over de ontdekking dat alles en iedereen het liet afweten, zich verschuilde, loog en bedroog; waar ik heel kinderlijk in bleef. En waar ik nog steeds erg achterlijk in ben.
Over hinderlijke geluiden, zoals slurpen, heb ik me hierboven al opgewonden, gesmak van kauwgom al of niet tijdens het praten, de bewegingen alleen al zelfs, en helemaal razend word ik van knisperende zakjes in de bioscoop. Als ik dat pal achter me hoor, dan zeg ik er wat van, als ik me niet kan beheersen, of ik sleur mijn vrouw hierin mee, naar stoelen in een lege rij ver voor ons. Het bloed stuwt naar m'n wangen en ik krijg verhoging en de neiging om zo iemand uit de rij te halen en de kauwgom uit de mond. Maar ik ben zachtaardig en liberaal dacht ik toch, dus komt het niet zo ver, een enkele keer liever naar huis, om het voor alle partijen niet helemaal te bederven.
Op de weg terug van een boodschap zit ik om drie uur in de middag weer opnieuw op de zelfde plek bij de Coffee Company omdat thuis de coffee op was. Ik was even naar de muziekwinkel naast het Concertgebouw, om na de achtste symfonie van Shostakovich, nu de dertiende te kopen, maar dat liep uit op een bestelling, met de belofte dat ik hem de volgende Dinsdag zou kunnen halen, de andere War Symphony. Ik haal wat mail op met m'n Communicator en verstuur een mailtje en loop verder uptown naar huis, en mis op de brug over het kanaal m'n telefoontje, ren terug denkend aan de jongen die vroeger twee keer zo hard kon lopen, die altijd z'n belagers wist te ontlopen als ze te gewelddadig waren. De staf van de coffeeshop staat om de Communicator heen, die met een opengeklapt klepje z'n telefoonsignaal laat horen, op de plek waar ik hem had lagen liggen. We wisten dat ie van u was, zei de chef. Buiten adem bedank ik hem. Ik druk het groene hoorntje in en hoor de stem van de schat die ik vroeg in de ochtend had uitgezwaaid.
'Je nam steeds niet op, wat is er? Je hijgt zo. Er is een vliegtuig in het World Trade Center gevlogen,' zegt ze. 'Waar ben je, ik kreeg geen antwoord. Het was in New York. Eerst dacht ik dat het achter bij ons was. Dit is natuurlijk ook niet te begrijpen. Het is op de tv, kijk maar.'
Wat deed jij toen Kennedy werd vermoord? Toen ik het hoorde in het radiojournaal stond ik in de oranje erker van m'n zolderwoning naar buiten te kijken over het plein, naar de waterpomp en de witte houten kerk, de toenmalige stallen van Napoleon, en ik stopte met denken. Ik huilde. Niet zozeer om Jackie, maar om de wereld, uit angst, om de mensen die uit hun raam naar buiten hadden gekeken naar de wereld waarin ze een beschermd leven hadden en gelukkig waren, in een wereld die nooit meer de zelfde zou zijn. De vorige wereld had ik nog gezien en foto's van gemaakt, vanaf het dak naar alle windstreken tot aan de horizon. Het land zoals ik het toen kende zal ik vanaf de grond niet meer zien.
Wat deed u meneer Spielberg, toen de World Trade Center Towers instortten, op deze Independence Day? Waar was u tijdens de aanval op Pearl Harbor?
Toen Kennedy werd vermoord waren er nog geen desktop computers, en een flight simulator was buiten de luchtvaartmaatschappijen onbekend. Meermalen ben ik op mijn computer met een Cessna tussen de torens door gevlogen, maar ik schaam me bij de herinnering aan een vlucht die ik maakte met een Boeing, en over de Hudson aanvliegend aanstuurde op één van de torens om te zien wat er zou gebeuren. Vanaf 16:00 uur heb ik dat gezien, op CNN.
Ja Kees, ik dwaal onverwacht ver af, door het mailtje dat ik in de avond van de twaalfde September kreeg van mijn vriend in New Jersey, die in vogelvlucht op de hoogte van de Twin Towers woont: Vanaf de klif boven ons huis kijken we naar het Oosten en zien in het ochtendlicht een torenhoge rookpluim opstijgen. Gisteren had een zwarte, afgrijselijke toren van rook de twee stralende torens van de skyline vervangen en steeg 5 tot 6000 voet omhoog in de stille lucht, vlakte af en dreef rustig naar het Oosten. Vandaag stijgt dit duivelse symbool minder hoog omdat de wind is aangewakkerd en de pluim heeft uitgerekt tot over Verazzano Bridge waar hij boven zee uit het gezicht vervaagt... maar niet uit het geheugen.
Rook als een zwarte pendant van een regenboog met aan het eind de hel, in plaats van een pot met goud.

 

8

Kees' achtste hoofdstuk: Een leerzame periode.

Het lijkt erop dat de levenswegen van Kees en die van mij hier uit elkaar gaan lopen.
De middelbare school in Zuid was al een soort emigratie. Hoe die verschillende soorten en niveaus van onderwijs nu heten, MAVO, nee HAVO, ga ik me niet in verdiepen. Er is veel veranderd, ik weet het niet meer. Ik wilde naar Canada, en niet meer naar school. Het leren was geen leren, en het werd me op allerlei manieren tegengemaakt. M'n vriendje van de zeiljopper was naar het gymnasium gegaan en praatte met een mannelijke toon over vrouwen als ie het over meisjes had, en over de Buick van de ouwe van een van die meisjes. Mijn moeder had een nieuwe fiets en af en toe mocht ik daarop naar school, een groene, met handremmen. Daar zal ik gelukkiger mee geweest zijn dan hij als hij over die Buick praatte. Een tijdje heb ik de weg naar school gefietst, totdat het schoolhoofd verordonneerd had dat we niet meer op de fiets mochten komen, omdat al die geparkeerde fietsen in de buurt zo slordig stonden. Niemand kwam op het idee om de fiets een paar straten verderop neer te zetten, het kwam niet in ons op. We waren verontwaardigd, maar een beetje, en niet ongehoorzaam.
Met drie jongens uit m'n klas liep ik daarna naar de hele weg naar school - zó alleen was ik dus toch niet - 's morgens om voor half negen twee kilometer naar school en om twaalf uur terug, dan eten en om even voor half twee weer heen en om vier uur weer terug.

     De hele weg liepen we te praten over alle onderwerpen die jongens toen bezig hielden. Onderwijl liep ik naar alles en iedereen te kijken, en zo kreeg ik een afkeer van de huizen waar wij langs liepen, de huizen van het moderne stadsdeel waar ik woonde en de armetierig protserige, vieze huizen in de winkelstraten, die treurnis, en de huizen in Zuid, in de stijl van het huis waar mijn oma uit Zuid in woonde, een beetje een romantische stijl met stenen die op de hoeken om en om met een punt uitstaken, waar ik onpasselijk van werd en een weeïg gevoel van beroerdigheid van kreeg. Ik probeerde te bedenken waar ik dan liever had willen lopen, in welke stad, of door welke velden, en vond geen alternatief. Ondertussen liep ik te luisteren naar de onzinnige grootdoenerij en opschepperij van mijn klasgenoten. Robbie van de drie, of Rob officieel, kon enthousiast over gymnastiek praten, maar daarna viel ie stil. Na mijn schooltijd heb ik hem niet meer gezien. Gymnastiek was juist altijd een kwelling voor me, in touwen klimmen en van boven te pletter vallen en m'n verdere leven verlamd in de zijsuite liggen, dat vond ik zo krankzinnig dat ik er in alle uiterlijke rust furieus om was, of ik voorzag dat ik een bal tegen m'n hoofd zou krijgen, waardoor ik niet meer kon horen, of in een schoonheidswedstrijd meedoen en niet eens werd uitverkozen tot de kleinste, omdat ik de één na kleinste was. Of dat ik er zo onpasselijk van zou worden, van dat geduw en getrek van die jongens, dat ik een spoor van kots naar de wc achter me zou laten, en dat er niet genoeg papier zou zijn om de kots van m'n buik en m'n lullige broekje en m'n benen te vegen.
Ik voelde me steeds beroerder op school, van de lessen, de stuff die ik leren moest, de leraren, de kinderen, letterlijk beroerd. Als ik nu terug kijk, en in soortgelijke situaties terecht kom, als ik de werking van een nieuw computerprogramma moet leren, en terug denk aan toen, dan weet ik nu zeker dat ik niet gesimuleerd heb. Het waren de leerboeken, en de gebrekkige teksten en de explicaties en de uitleg waar ik zo down van werd. Ik beleefde mijn schooltijd opnieuw, met koorts en misselijkheid, toen ik naar een cursus ging van de inmiddels failliete computerdochter van Tetterode, Electronic Publishing. Een flitsende, zwakhoofdige nieuwerwetse jongen deed niet eens zijn best om uit te leggen hoe wij geacht werden een grafische klus op de computer te realiseren, en dan ook nog zo amateuristisch klunzig van vormgeving dat alle inspiratie om het te willen volgen werd weggezogen. In a matter of days leerde ik het mezelf en leerde steeds meer bij door het praktisch te doen.
Is deze leerstoornis nu het gevolg van aangeboren querulantie, of ben ik niet intelligent of slim of dociel genoeg om me over te geven aan het onderricht? Is het soms faalangst, of voel ik me te goed om minder goed dan excellent te presteren? Ik ben er nog niet helemaal uit, terwijl ik nu weer voor een nieuwe ontdekkingsreis sta, het leren maken van internetsites. Bij m'n eerste les op het Grafisch Lyceum, gegeven door een sympathieke professional, ging het al meteen mis toen de man zei dat hij er van uit ging dat wij cursisten natuurlijk de programmeertaal HTML kenden en beheersten.
Wat denkt u nu, interrumpeerde ik hem, wij komen hier als beginnelingen om het allemaal te leren, en uiteraard zonder iets te weten. Als het uw bedoeling is om de cursus halverwege de ladder te beginnen, dan had dat van te voren duidelijk in het cursusoverzicht beschreven moeten worden.
Ja eigenlijk hebt u wel gelijk, zei de docent. De volgende les kwam een ander - geïntroduceerd door de directeur - die vanaf het begin zou beginnen. Kijkend en luisterend naar de andere cursisten zag en hoorde ik dat ook zij er geen jota van begrepen en geen stap verder kwamen, het gedoceerde niet echt gedoseerd was, maar met hink-stapsprongen opgereuteld, wat ze niet begrepen en het ook niet durfden te zeggen. Kijkend naar mijn Nokia zei de docent dat het maken van mini-websites voor WAP weer een hele nieuwe niche zou worden. Waarop ik zei dat ik eerst op een begrijpelijke manier te weten wilde komen hoe ik na de cursus een bruikbare, en vooral leesbare huistuinenkeuken-site kon maken. De ironie kwam niet over, zoals altijd. Na een paar van die dure lessen ben ik thuis gebleven. Er is niet veel veranderd in de techniek van het overdragen van kennis. Ikzelf ben ook niet veel veranderd; als een zin onduidelijk is, onlogisch, tegenstrijdig of gewoon helemaal niet begrijpelijk, dan word ik kwaad door de stupiditeit, de kapsones, de zelfvoldaanheid, de botheid van de docent om niet te willen luisteren naar opmerkingen, waaruit blijkt dat het niet begrepen wordt wat de oen vertelt.
Ik kon autorijden op m'n zestiende, maar ik kon niet leren autorijden bij de man van de rijschool, en ik zakte bij het eerste examen. En nu herhaalde het zich weer helemaal opnieuw voor mijn kleinzoon, die voortreffelijk kon rijden, maar bij voorbaat al zo nerveus was voor het examen, misschien wel kwaad om de meedogenloosheid van de examinator, dat ook hij zakte, omdat hij stomme dingen deed, net zo als zijn opa. Waarom is dat toch zó georganiseerd in mijn elkaar aanstootgevende, emotionele, en vooral onpraktische denkprocessen?
Mijn vader was heel knap op school, zó knap zelfs dat hij de beste van school was, en van de burgemeester een oorkonde kreeg en een prachtig zilveren zakhorloge. Dat hangt nu in een stolpje op een boekenplank boven mijn bed. Allemaal verleden tijd. Waarom hadden de genen een ander idee toen ze deze capaciteiten niet meenamen in de overdracht. Een beter idee? Allemaal niets meer aan te doen.
Eén van de mooiste avonturen was een tocht met een Canadese kano, van de oom van m'n vriend met de echte zeiljopper. De 'Winnetou' werd van de jachthaven naar de winterstalling gebracht, de brandweerkazerne aan de Prinsengracht waar de oom werkte.
Dit is de nieuwe eigenaar! riep de oom, naar mij wijzend. Mijn enthousiasme was dus kennelijk overgekomen als een aankoopbeslissing, waar een bedrag mee gemoeid was zo hoog als al mijn spaargeld.
De Winnetou had daarna de hele winter in de kazerne gelegen, en ik had geregeld aan hem gedacht. Vroeg in het voorjaar haalden we hem weer op, met het geld in de hand.
Ik kon er alleen mee varen, maar vaak ging er toch wel een buur- of schooljongen mee, en het leven werd vrolijk en zonnig, peddelend voeren we hele dagen rond en we gingen zwemmen, of als er een mooie wind stond gingen we zeilen. Terug kijkend waren dat een paar van mijn gelukkigste momenten, ver van school, op Zaterdagochtend vroeg alleen de haven uitvarend, lage zon in de rug, kabbelend water, het mooie, witte tuig dat bolt buiten de luwte van de bomen van de haven, de schoot die zich spant en er vaart in de boot komt, het stille meer op, de meer zoals dat werd genoemd, eindeloos doorvaren naar het Westen.
Als ik niet ging zeilen of kanovaren reed ik soms op de fiets door het bos naar Schiphol, of reed ik eerst naar Schiphol, om daar naar de vliegtuigen te kijken, en dan door het bos naar huis. Om dichter bij de luchtvaart te komen werd ik jeugdlid van de Koninklijke Vereniging Voor Luchtvaart. Zo kreeg ik het tijdschrift thuisgestuurd en werd ik van alles op de hoogte gehouden, en kreeg ik meer te weten over wat ik zag op het platform, maar meer leverde het ook niet op, omdat ik er niets in zag om met excursies mee te gaan. Om piloot te worden had ik betere ogen moeten hebben, en geen bril en wel diploma's, minstens HBS. De lucht trok maar ik zag geen manier om van de grond te komen, en ik dacht aan manieren om op de grond uit de voeten te kunnen komen.
Met dit relaas lijkt de connectie met Kees van de Regenboog ver weg, maar ik zie die wel in het geconcentreerde tekenwerk, ja op niets af zou je toen kunnen zeggen, maar het hield me van de straat. Ik tekende auto's en bedacht verkeerssystemen, en ik tekende ze ook, steden met rollende voetpaden, en auto's met een automatische piloot. Mijn bedrijvigheid leidde ertoe dat ik m'n Winnetou verkocht omdat ik er gewoon geen tijd meer voor had, en ook om van het geld een tekentafel te kopen.
Het contact binnen het gezin werd steeds minder, geen ruzie, maar steeds minder. Ik at alleen en ik zat bijna altijd alleen op m'n kamer, te lezen, te tekenen en te schrijven. Met de verkoop van m'n boot zal voor mijn ouders wel de hoop verdwenen zijn dat ik een leuk jongensleven zou krijgen. Ik wilde niet naar de padvinderij, maar m'n ouders zullen wel gevonden hebben dat ik op de jachthaven m'n draai gevonden had. Geregeld werd ik meegevraagd op grote boten en ik had het aan de helmstok erg naar m'n zin, dat vertelde ik ook. Ik wilde niet naar dansles, maar m'n ouders zullen voor zichzelf ook wel beaamd hebben dat zulks het andere uiterste was, intiem plezier met vreemde meisjes.
Ik had een artikel geschreven over een automatische chauffeur en er illustraties bij ge maakt. Het werd geplaatst in het grootste autoblad. Toen ik er mee thuis kwam gaf ik het trots aan mijn vader die het blad niet inkeek en naast zich neer legde, met de opmerking dat hij het leuk vond. Leuk. Of mooi, of zoiets. Verder niets. Van de inkomsten kocht ik een mooie outfit. Daarmee vergrootte ik de afstand tot de buurjongens tot een onoverbrugbare kloof, daarmee sneed ik mijzelf zichtbaar af van mijn herkomst. Inmiddels vroeg ik me af hoe ik verder kon komen. De gebroeders Das, de meeste gewaardeerde tekenaars en futurologen in die tijd, raadden mij aan om eerst het HBS-diploma te halen. De redacteur van het autoblad vroeg me of ik zijn assistent wilde worden, om hem na twee jaar op te volgen als hij hoofdredacteur werd. Daarmee had ik het mooiste perspectief gekregen dat ik maar had kunnen bedenken. Maar het leek me dat ik zo de lat veel te hoog zou leggen. Ik wilde geen interviews houden tijdens rallies en puzzelritten en verenigingsnieuws schrijven.
De echt leerzame periode in mijn leven begon op de dag dat ik niet meer naar school ging, op mijn zestiende verjaardag, de dag waarop ik volgens de wettelijke leerplicht niet meer naar school hoefde.
Om negen voor half negen, het moment waarop ik anders de deur uit ging, zei ik tegen m'n moeder: Volgens de leerplichtwet hoef ik vanaf vandaag niet meer naar school. Gisteren was het mijn laatste dag.
Die avond werd er na de thuiskomst van mijn vader niet veel meer over mijn besluit gepraat. Ze begrepen er niets van, waren bang voor mijn toekomst zonder diploma's. Tot het donker werd zat ik in de erker en keek naar de ondergaande zon boven de weilanden. M'n vader achter het Handelsblad. We waren uitgepraat.

 

9

Kees' negende hoofdstuk: Met vallen en opstaan.

Zo stipt mogelijk de hoofdstukken van Kees volgend komt er met terugwerkende kracht een verhaallijn in mijn leven. Er ontstaat een ordening die ik gewoonlijk niet zie. Als ik me niet aan het stramien van het boek van Kees zou houden, dan zou ik in dit hoofdstuk in de kuil vallen, die mijn oom Kakie voor me had gegraven, en daar niet meer uit kunnen komen, omdat ik me hem in het verkeerde hoofdstuk had herinnerd.

     Als de kuil die mijn oom op het zandland voor me had gegraven er nog zou zijn, dan zou ik hem vanuit ons woonkamerraam kunnen zien, met een golfvlaggetje ernaast om hem voor zo'n afstand te markeren. Een jongetje was ik toen, de rand van de kuil was twee kinderkopjes boven mijn hoofd. In m'n herinnering komt het ontzag en bewondering voor mijn oom weer terug. Veel van mijn andere eerste herinneringen spelen in de buurt waar ik nu woon. Veel beelden uit mijn verleden zijn mij helder bij gebleven, en komen steeds weer terug, als ik ergens langs rij, ergens ben, of ze associërend tegen kom, en niet alleen mijn eigen buurt, maar daar wel in het bijzonder. Soms is het of ik m'n dorp niet ben uitgeweest en alleen veel films heb gezien, omdat in mijn directe omgeving alles hetzelfde is gebleven.
Aan de beslissing om niet meer naar school te gaan was een jaren durend drama vooraf gegaan. Ik heb het daarna nooit meer met m'n ouders besproken, en ik wist ook niet of hetze ontgaan was. Tweemaal was ik blijven zitten. En de laatste twee jaar wist ik helemaal niet meer waar het over ging, met algebra, met wiskunde en misschien nog wel meer, dat weet ik niet meer zo goed. Voor m'n repetities haalde ik nog steeds voldoendes. Ik begreep niet hoe dat mogelijk was, maar het was zeker dat ik van de lessen totaal niets begreep. Dit was niet meer te redden, ik zakte steeds verder. Ik zag geen andere uitweg om de totale afgang te ontlopen door weg te lopen, en niet meer terug te gaan. Ook achteraf heb ik het niet aan m'n ouders kunnen uitleggen. In onbegrip wendden zij zich af. Ik kon niet de goeie woorden vinden om het uit te leggen. Struikelend had ik op school het eind van de weg bereikt, of eigenlijk niet bereikt. Verder leek het dat ik overal ongeschikt voor was en zeker met mijn beperkte sociale en communicatieve vaardigheden. Maar toch had ik het zelfvertrouwen dat het voor mij allemaal goed zou komen. Ik wist dat het debacle niet nog rampzaliger kon uitpakken. De jaarlijkse vakantie in België kwam eraan en ik nam het er nog even van, even lucht. Daarna zou ik werk zoeken. Geen paniek. De daarop volgende dagen fietste ik wat onwennig door het bos, een vreemde grote leegte. Op de jachthaven kwam ik niet meer. Ik was er erg stil onder, beduusd zou ik nu zeggen, maar in air van zelfstandigheid en opluchting. Ik verhuisde van kamer, m'n zusje naar beneden en ik, zoals vroeger, weer naar zolder, nu twee kamers, omdat de kamer van m'n inwonende oma was vrijgekomen. Van die kamer trok ik het behang van de muur en liet het verder zo. Die is van mij! De kamer op het Noorden, met een schuine muur, krijgt een vloerbedekking van vermiljoenrood linoleum. De muren wit. Een nieuw zwart stalen bed, in plaats van het logeeropklapbed dat hiervoor de hele kamer in beslag had genomen. Een scheepskist, van een zeevarende oom langs de lange muur, tegenover de dakkapel. Een zwarte Amerikaanse vlinderstoel, wat was het merk ook weer?
Ik had geen ruzie met m'n ouders, maar ik vestigde me op zolder en werd steeds zelfstandiger, ver weg van het gezinsleven beneden. Dagelijks keek ik in de krant op zoek naar een baan, maar werd er niet angstig van dat ik niet meteen vond. Ik belde een paar kranten om naar een werk te vragen als jongste bediende. Gek, vind ik nu, dat ik de gouden baan bij het autoblad helemaal uit m'n hoofd had gezet. Ik was kalm en nerveus, vond het heerlijk dat door mijn ouders geen trammelant werd gemaakt, maar om de groeiende ergernissen om hun gezellige leven uit de weg te gaan ontliep ik ze steeds meer.

Een paar weken nadat ik voor het laatst naar school was gegaan zou ik m'n jaarlijkse fietstocht naar m'n familie in België maken. Op een Maandagochtend om zes reed ik weg, richting Abcoude. Amsterdam verschoof snel naar de achtergrond. Het idee dat ik een onhandelbare, tiener en inmiddels werkloze flierefluiter was zette ik van me af, want deze weken, vond ik, mocht ik gebruiken om een kleine pauze in te lassen, om een nieuwe start te maken. Onderweg had ik geen kaart bij me, daar had ik ook geen tijd voor. Lange avonden had ik in De Groote Boschatlas zitten kijken en de plaatsen gememoreerd. Al vanaf mijn eerste treinreis naar België wist ik, zonder er bij stil te staan, waar ik reed en hoe ik verder moest, en kon ik zonder op een kaart te kijken doorrijden zonder snelheid te minderen. Abcoude, in alle stilte, frisse dauw over de weilanden, Breukelen, Maarssen, Utrecht inrijden door zompige buitenwijken. Dan verder naar Zaltbommel, de plaats waar de Belgen, halverwege de rit, op hun primus - het vuurtje - theewater kookten, en pauzeerden met thee. Popelend wachtte ik voor de pont en beleefde ik hoe die zwierig naar de overkant zwaaide. Dan 's Hertogenbosch, Vught, de rechte bomenweg naar Tilburg, Goirle, de grens over - allé zunne, ge kunt doorgaan - dan wordt het opeens heel Belgisch, Poppel, weer een boterham. Het was daar altijd stil langs de weg, de rolluiken tot op een kier, dan belde ik soms met m'n fietsbel om het signaal te geven dat ik ook dit jaar weer langs kwam, de boyracer op z'n zware burgerfiets zonder versnellingen, helemaal uit Amsterdam in z'n eentje, doe even de deur open en zie hem stoutmoedig met hoge snelheid langs rijden, die jongen die Gerrit Schulte meermalen in het Olympisch Stadion heeft zien rijden en Arie van Vliet, en de hele reut, het is hem aan te zien, die is er een van het harde wielervolk, ziet hem dan eens rijden, dien Amsterdammer, alsof het een koers is!

Eenmaal over de grens lag het helemaal in de lijn van de film die ik beleefde dat ik onderweg zou worden opgewacht door een lief meisje dat een glas chocolademelk in haar hand naar mij ophield als verfrissing en versterking op die slopende rit. Ik fietste braaf en hard verder, af en toe een lange heuvel op. In de steden en dorpen lagen meestal kinderkopjes, waarop de fiets vreselijk trilde, maar de fietspaden langs de autoweg waren glad, betonsegmenten met een reep teer ertussen. Het teer was een beetje opgebold tot een richel die telkens een klap in het stuur en de hele fiets veroorzaakte. De afstanden tussen de richels kwamen bijna overeen met een vast aantal slagen van de pedalen en ik mikte het zo uit, dat als ik een richel bereikte ik m'n rechter pedaal daar net beneden had, hem er als het ware naar toe trapte. Zo kreeg ik een vaste cadans en een hoge snelheid, waardoor ik mijn slagen tussen de richels telde en niet de omwentelingen van de pedalen. Op een grotere schaal trapte ik mezelf naar het bord van de volgende gemeentegrens toe, een geel fond, rooie border, zwarte letters. Als ik over de kasseien trillend en stotend een stad of dorp uit reed sprong in gedachten het bord van de volgende gemeente alweer aan het eind van de weg uit de grond naar boven, film. Nog nergens bramen langs de weg. De komende weken zou ik veel gele brem in de berm zien.
Om geen tijd te verliezen stapte ik niet geregeld af om m'n brood te eten, of karnemelk te drinken uit de veldfles. Als het zo ver was dat ik door honger of dorst wel moest ravitailleren, dan zette ik m'n fiets tegen een paal of een boom, gespte de linker van de twee fietstassen open en pakte twee boterhammen en weg stormde ik na een stop van hooguit twintig seconden, weer verder, om op die manier het moyenne niet te laten beïnvloeden door een tuttige lunchpauze. De eerste boterham van de twee at ik snel op, omdat het zo onhandig was om met twee boterhammen in de hand te rijden. En de tweede at ik in een normaal tempo.

Ik werd onderweg niet opgewacht met drank, niet tussen Turnhout en Geel, en ook niet tussen Geel en Averbode. Daarna hoefde het voor mij niet meer; ik zou alleen zijn afgestapt bij Maria die in Zichem woonde, die van achter de kerk uit haar huis zou kunnen komen, om me een tas kaffee aan te bieden en pepernootkoek. Wat zou er gebeurd zijn als ik bij haar had aangebeld? Zou ze me herkend hebben, en even verlegen blijven staan kijken zoals ik haar kende? Misschien zou ik haar nog een keer in de komende weken zien, als m'n oom bij haar moeder langs ging om kinderkleertjes te halen die zij in elkaar had genaaid voor het Maison.

Het zonlicht komt nu schuin van rechts, schaduwen van de bomen en het gewas op het fietspad, in een snelle cadans over de teerrichels, Ravels, weer die verdomde kinderhoofdjes in Turnhout, en dan, steeds sneller lijkt het, op huis aan, Kasterlee, Geel - altijd aan die grap denkend, m'n neef in de winkel, m'n oom voor het raam 'Let maar niet op hem zunne, da's ne zot.' - Het Punt, een gat, Zammel, Veerle, Averbode.
Ook ditmaal zou de timing niet anders uitvallen en zou ik om vier uur bij de Belgen voor de deur staan. Eerder nog, want elk jaar deed ik er korter over. Ik waardeerde de boterhammen die m'n moeder had klaargemaakt met m'n lievelingsspeculaas, hoewel het lastig was om de gebroken stukken niet tussen de helften uit te laten glippen. Al fietsend liet ik in gedachten alles thuis achter en bereidde ik me voor op m'n nieuwe omgeving. Dan dacht ik aan die maskes onderweg met hunne tas kaffee of glas Fosco, en naarmate ik meer in de buurt van Zichem kwam meer en meer Maria, het hemelse meisje met het engelengezicht, met de lieve ogen en haar zachte huid, dat naar de deur kwam als mijn oom even haar moeder moest spreken, terwijl ik dan mooi met haar zou kunnen praten, en een vinger over heure wang strelen. Maar om daar nou achter de kerk met haar te gaan wonen ging me te ver.
Al die kilometers ver van thuis, rijdend langs de weilanden en later door de Belgische lintdorpen, kon ik, met m'n gedachten alle kanten op. Dat was ook het fijne van de rit, dat ik m'n tijd nuttig besteedde om op m'n logeeradres te komen en onder de hand in gedachten te dwalen naar waar ik maar wou.
In Zichem, geen Witte en geen Maria te zien, en dan langzaamaan de berg op naar Scherpenheuvel, heilige Maria ik zaan d'r bijna. De lucht is zó donker geworden dat het wel spoedig zal gaan stortregenen. Ik heb een jack aan dat wat kan hebben, maar ik zal erg nat worden. Donker loodgrijs. Ik stamp een lange heuvel op, een bocht om, steeds dichter in de buurt van m'n einddoel, en dan is er opeens een regenboog, en de tegenboog potverdorie, daar buiten om. Het spattert een beetje, en dan is het weer droog. De laatste kilometers moet ik tegen de heuvel van het dorp op, Scherpenheuvel, maar dat gaat nog wel. Het is tegen bekant half vier. Het zal tijd worden. Langzaam vervaagt de regenboog en boven de horizon komt een streep lichte lucht. Boven rij ik het dorp in, langs de basiliek, en dan weer naar beneden, naar Het Kasteelke, zoals het huis van m'n famille wordt genoemd. Op tijd thuis. Een half uur eerder dan vorig jaar. De familie begroet me op een allerhartelijkste manier, een ontvangst zoals ik die alleen van hen ken, een belevenis die later heimwee zal worden.
Ik vertel het nieuws van school maar er wordt niet veel aandacht gegeven, hoewel zij daar veel strenger mee zijn, met cijfers, rapporten en opleiding. Mijn oom en tante zijn heel begrijpend, sporen me niet aan om na de vakantie weer naar school terug te gaan. Ik hoef niet eens uit te leggen waarom ik het gedaan had. Allé zeg, ik ben zestien. Geen preek. Het zou weer een uitzonderlijke vakantie worden.

De Belgen waren in het Voorjaar met een nieuwe auto naar Amsterdam gekomen, in plaats van de houten DKW een cabriolet, die nu Audi zou heten. Het was het vooroorlogse Horch-model, een statige, prestigieuze, joyeuze grote auto in het klein, in twee kleuren groen, een vlaggestandaard op het linker spatbord. Hierin zou ik mijn oom vergezellen op zijn autoritten, zon en de kap omlaag. Op die ritten stelde ik me voor dat ik het was die reed, en nu ik zestien was mocht ik echt zelf sturen. Op de tweede dag al, op de keiweg naar Lier. Zonder er op voorbereid te zijn stopte mijn oom de voiture, stapte uit liep naar mijn kant en deed mijn deur open: Allé mannetke, nu kundegij verder rijden. Wel moeten we op de Zwaantjes letten.
Zwaantjes waren de politiemannen op motoren, zware Harley-Davidsons. Mijn oom had er al over verteld, over hoe hij een paar maal werd aangehouden, en dan zijn rijbewijs uit z'n binnenzak pakte gelijk met een geldbiljet dat onder hij onder het rijbewijs vasthield. Het zwaantje nam het over, draaide zich om en gaf het zonder een krimp terug. Dat ge gewaarschuwd zijt, zei die. Het is ook wel eens mis gegaan, zei m'n oom, maar toen zei ik dat ik het niet in de gaten had gehad dat het biljet uit m'n zak was meegekomen. Niks aan de hand. Hij had zoveel meer branie dan m'n vader, maar toch, aan de pratical jokes kon ik horen dat het broers waren die close met elkaar hadden opgetrokken. Zijn lach klonk familiair.
Jaren later, toen ik een Mercedes reed, wilde ik dat grootse gevoel aan het witte stuur weer herbeleven, en liet ik mijn standaard stuur vervangen door ook zo'n groot wit stuurwiel, dat van ivoor leek. Later heb ik nooit meer zo groots gereden als toen.
Ik had mijzelf zo goed ingeleefd in het autorijden dat het meteen goed ging, gevisualiseerd zeggen we nu. De eerste keer dat ik van de grote weg een kleinere in reed stuurde ik eerst naar de middenas. De lijn aanhouden, niet afwijken, en dan strak insturen, om verwarring te voorkomen, zei m'n oom. Vaak hoor ik hem dat nog zeggen, als in een bocht instuur en een hoek om ga.
Mijn Belgische neven, en m'n nichtje, waren er niet voor te vinden om met hun vader een ritje mee te rijden, omdat ze d'r niets aan vonden, dat autorijden, terwijl ik zelfs wel in de auto zou willen slapen om er zeker van te zijn dat hij niet zonder mij weg zou rijden. Hasselt, Antwerpen, Turnhout, Mol, Leuven. Voorzicht parkeren op de grote markt. Koffie drinken. Praten met twee Zweden die de eerste Hasselblad bij zich hadden. Ontdekkingen, avonturen, lange gesprekken, in elke plaats een nieuwe wetenswaardigheid.
Mijn familie had geen plattegrond van het dorp voor me en daarom besloot ik er zelf een te maken voor eigen gebruik. Toen deze klaar was zei mijn jongste neef dat hij niet klopte, totaal niet deugde. Op mijn volgende fietstochten heb ik de kaart nog op verschillende herkenningspunten geverifieerd maar kon er geen vergissing in ontdekken. Ik had hem meer voor de aardigheid getekend dan om een discussie te beginnen, want zonder getekende hulp kende ik de plattegrond van het dorp uit m'n hoofd. Als ik er nu in de buurt rond rij verbaast het me dat de afstanden veel groter waren dan ik ze toen ervoer, de tegengestelde ervaring van de schaal als je terugkomt in de straat waar je als kind gewoond hebt, groter en niet kleiner dus.
Als ik niet met de auto weg was, en niet door de velden en over de holle wegen fietste, dan las ik, dan studeerde ik, in het instructieboek van de DKW en bestudeerde het schema van de elektrische bedrading, om te weten te komen hoe alle stroompjes liepen, verkeersstromen met een abstracte dimensie. En ik genoot van het geluk dat ik had gehad, met zo'n familie en de heerlijke omstandigheden.

Na de vakantie zag ik een personeelsadvertentie van een reclamebureau dat een jongste bediende vroeg en werd daar meteen aangenomen, en deed het werk dat alle jongste bedienden deden. Zo was mijn vader ook begonnen. In mijn geval werd me gevraagd of ik een zakje rasterpuntjes wilde halen bij een clichéfabriek. Daar zie ik niets in, had ik gezegd, maar ik wil er wel even gaan kijken. Ik kreeg te zien hoe cliché's werden gemaakt en matrijzen.
Dat was in de tijd dat er een artikel in het autoblad werd geplaatst. Ik zag het voor het eerst op de bewijsnummerafdeling en was verbaasd en ontroerd. De illustraties kwamen goed uit. Mijn chef zag het en ik kreeg meteen een nieuwe baan, als assistent van drie art directors, de Nederlandse baas van de vormgeving, een Engelsman en een Amerikaan. Daarna ging het snel. Van mijn eerstverdiende geld kocht ik goeie kleren die pasten in het nieuwe milieu, een Italiaanse outfit, een bruin drieknoops geblokt jasje en een zachtgeel vestje, donkergrijze broek - pantalon werd volgehouden door de verkoper - en bruine suède beetje puntige schoenen. Toen ik eenmaal een baan had zag ik dat bij het zelfde bureau een gevierde man werkte met net zulke kledij, Cees Nooteboom. In de straat zag ik er uit als iemand een snob uit een Engelse film, maar als ik naar Nooteboom zag dan wist ik dat ik goed zat. Tussen de middag fietste ik een keer naar school, om voor mijn gevoel afscheid te nemen, om daarmee definitief af te rekenen, en zag daar een paar uit mijn klas, die niets begrepen van mijn nieuwe leven, waarvan ik de indruk kreeg dat ze niet eens met me wilden praten. Het moeilijke hoofdstuk van de inleiding in mijn leven had ik uit.
Ik genoot van het geluk dat ik had gehad, met zo'n familie en de heerlijke omstandigheden. Nu ik deze episode als schrijvende herbeleef zie ik dat ik nogal van Kees verschil in mijn schijnbaar vastberaden onafhankelijk. In mijn eigenwijsheid zit toch, hoewel gevaarlijk kwetsbaar street unwise, ook voldoende wijsheid om mijn nieuwe inspiratiebronnen ten volle te benutten. Omdat ik me zo vertrouwd voel op mijn nieuwe werkterrein en gewaardeerde prestaties lever, kan niemand me van de wijs brengen. Ik lees de standaardwerken op het gebied van de reclame en de typografie en teken de letters na om er de feeling voor te krijgen, de Garamond, de Gill, de Times. Ik ga naar fotografen om afdrukken te bestellen, Ad Windig, Marius Meijboom, Paul Huf, Hans Buter, en ik ben bij 'shoots' en ik hang rond in hun doka, alsof ik dat al jaren heb gedaan en voor het eerst voel ik me meer thuis in dit milieu, dat tot voor kort helemaal onbekend was voor mij, dan wat ik had vermoed van de kantooromgeving van mijn vader. In de erker thuis kijk ik vanuit de uitzichtloosheid van mijn straat naar het Westen, waar een denkbeeldige regenboog in de lucht boven de weilanden staat die nog lange tijd zo zal blijven stralen.

Het salaris geeft me de mogelijkheid om een taperecorder te kopen. De muziek neem ik op van de radio in de huiskamer en ik geniet daarvan terwijl ik lig te lezen, Sibelius als het somber weer is, of wanneer er zilveren randen om de wolken zitten Grieg, Brahms, en ook Monk en de MJQ, en de drummer Carlos Chavez. Darius Milhaud. Vaughan Williams. Mendelssohn. Bruckner. Terugdenkend aan die tijd zie ik mezelf op Zondagmiddag ossenstaartsoep eten met de Sketches of Spain van Miles Davis en hoor ik Miles op de rand van kitsch uithalen naar Oh Mein Papa. Ja pa, toen was mijn volgende leven begonnen.

En nu, jaren later, nee vandaag eigenlijk, lees ik in Het Algemeen Handelsblad, de krant die ik van huis uit ben blijven lezen, terwijl door het grote raam op het Westen de zon vurig ondergaat met flitsende stralen in de wolken als op een bidprentje, een kopzin als een openbaring: 'Genadig is het gras, de menselijke hunkering naar een lege horizon'. Is dat het soms, is dat alles wat mij heeft bewogen, was dat de onderhuidse onrust, het ongearticuleerde verlangen, een gemeenplaats, een cliché, opgebouwd uit telbare rasterpuntjes?

De schoenen waar ik nu ruim een jaar aan één stuk op heb gelopen zijn Clarks Desert Boots, aan de buitenste zijkant zó ver versleten dat ze er erg shabby uit zien. Dit type draag ik al vanaf mijn zestiende, bordeelsluipers werden ze toen genoemd. Een paar keer heb ik een ander soort geprobeerd, zoals van die bootschoenen, van Greeve, met blote voeten, de voorkeur van mijn vrouw, en heel lang geleden zelfs chique, soepele gevlochten schoenen van Bally heb ik geprobeerd, voor heel veel geld gekocht en heerlijk op gelopen, maar ze bevielen me helemaal niet. En vandaag ook ben ik weer bij Hans Visser binnen gelopen en na een paar minuten weer naar buiten gekomen met weer een paar nieuwe Clarks. Bij andere winkels heb ik ze wel zien staan, die prachtige schoenen van Prada, maar toch, ook in mijn keuze van schoenen ben ik niet geneigd om mijn eigen weg te verlaten. Zo kan ik weer een verre toekomst tegemoet.

 

 

10

Kees' tiende hoofdstuk: Vooruitgang.

Achteraf kan ik zeggen dat ik verkeerd was gelopen toen ik uit het postkantoor kwam, links in plaats van rechts, maar het kwam me goed uit, de tegenovergestelde richting. Er is geen zon. Maar was ie er dan wel voordat ik het kantoor binnen ging? De huizen zien er heel respectabel en verzorgd uit, van ver voor de oorlog, ach, zoals de hele buurt toch immers. Veel klimop aan de gevels die al grotendeels rood wordt, waar ik vroeger bij m'n oma, die in een huis woonde met de zelfde stijl, brilletjes van de steeltjes maakte, en kijk eens, om de stam van een grillige boom staat een bamboebosje. Langs de Harmoniehof, waar ongetwijfeld ook allemaal oma's wonen, kom ik toch weer uit op de kade waarlangs ik terug naar de Beethovenstraat had willen lopen. Het mottert niet, de neerslag is fijner, als uit een vaporisateur. Op het bankje langs het water van de kade zittend komen er minuscule spatjes op het schermpje van m'n Communicator, maar ik zie ze niet op het wateroppervlak. Het klimaat is zacht, en voor het eerst ontdek ik hoe het opeens Herfst is geworden.
Ja Herfst, in het gevecht met je partners zul je jezelf nog wel eens tegenkomen, werd er in de Zomer tegen me gezegd. Iedereen zal je aanraden bepaalde stappen te ondernemen, waar je eigenlijk te keurig voor bent. Daarvoor moet je minstens zo onfatsoenlijk worden als je opponenten.
Het water in de kade is heel glad. Een lichte plek in de wolken verraadt de zon, die ik in het water zie schijnen. In de rust van de plek zie ik dat ik in het gevecht met mijn partners een ultimatum moet stellen. Mijn advocaat zal daar wel weer heel voorzichtig mee zijn. Denkend in de termen waarmee men de Taliban wil bestrijden, waarover ik de hele dag op CNN hoor, peins ik over maatregelen die het vereiste effect zullen hebben, gewoonweg het nakomen van de gemaakte afspraken. Maar het water en de vage zon zijn van Nescio en van mijn vader, en nauwelijks van mijzelf, en kunnen mij niet in de vereiste stemming brengen.

Zoals Kees moeite had met zijn lengte was ik op school op één na de kleinste van de klas. Zou een afwijkende lengte of een te lange neus bevorderend zijn in de ontwikkeling van autisme als je daar vatbaar voor was? Mijn lengte vond ik niet zo hinderlijk, omdat ik vond dat de anderen zo extreem lang uit de kuiten waren geschoten, wat immers een nieuwe trend was in de evolutie van de mens, waarin ik wat achter liep. Maar misschien was mijn geringe lengte - waar ik eerlijk over moet zijn - toch wel de oorzaak dat ik een ijselijke angst had om aan gymnastiek mee te doen. De smoezen kan ik me niet letterlijk herinneren, waarschijnlijk omdat ik de herinnering daaraan heb verdrongen, maar langzaamaan ben ik gaan geloven dat de gymnastiekleraar, die ongetwijfeld mijn leugentjes had doorzien, zo wijs was er geen probleem van te maken. Het laatste jaar dat ik op school zat hadden we de laatste twee uur van Zaterdag gym, en ging ik gewoon naar huis. Na mijn laatste dag in Juni zal de gymnastiekleraar mij misschien ook helemaal niet gemist hebben.
Op tekenles had ik ook problemen, vooral om te tekenen wat er van me gevraagd werd, dingen natekenen die me tegenstonden, en wat ik dan met weerzin op papier kraste werd toch hoog gewaardeerd. De enige tekening waar ik plezier in heb gehad was een simpel stilleven van een vrij in de ruimte staande Rolleiflex tweeogige fotocamera. Ik had hem zonder voorbeeld uit m'n hoofd getekend, maar kennelijk zo objectgetrouw dat de leraar dacht dat ik hem had nagetekend, waaruit bleek dat ik misschien wel een fotografisch geheugen had. De tekening kreeg een tien, en de leraar zei dat ik de beste tekenaar van school was. De teleurstelling over zoveel onbenul was zo groot dat ik deze tekening met de andere die ik had terug gekregen verscheurde, niet als demonstratie, maar uit minachting. Dit is wat je nooit mag doen, zei de leraar, je eigen werk vernietigen. Daarom moet je een nieuwe tekening maken. Daar is het niet meer van gekomen, omdat ik een week later al niet meer op school zat. Als het postuum dan toch nog had gemoeten, dan had ik na een tijdje de illustratie uit het autoblad kunnen geven, omdat die dan inmiddels toch al wel gereproduceerd zou zijn.
Deze actie, en ook andere vormen van recalcitrantie, zullen zó bevreemdend over zijn gekomen dat ik er geen bijval op kreeg. Het doet me denken aan de lagere school, toen de jongens naakte meiden probeerden te tekenen en ik er een tekende die als het ware uit een tijdschrift was gescheurd. Waar heb je die uit? vroeg de meester. Die heb ik zelf getekend, zei ik. Ja, ja, nog opscheppen ook! Ook dit voorval wekte alleen maar bevreemding en ik werd er niet de knappe bink van de wereld door, en er werd niet meer op terug gekomen.

Het tragische bericht over de tegenvallende lichamelijke groei van Kees komt een beetje overeen met het bericht dat mijn moeder van onze huisarts kreeg over m'n afkeuring voor militaire dienst. Ikzelf hoorde er niet van op, omdat ik wist hoe het was gegaan, en omdat ik er ook op rekende dat ik niet goedgekeurd zou worden, zoals ik ook tegen de rij keuringsartsen zei: reken er maar niet op dat ik kom, want ik zie er helemaal niets in om mij door al die jongens een beetje te laten kleineren.
Je moet hier wachten op de uitslag, zei de hoogste in rang, zoals allemaal.
U weet wat u weten wil, zei ik. Ik ben niet geïnteresseerd in de uitslag. Ik ga naar huis. En ik liep naar de uitgang en de hoge buitendeur door.
M'n moeder zat er danig over in dat ik was afgekeurd, omdat de buurvrouwen, de tantes in de straat, kwaad waren omdat alle buurjongens wèl waren goedgekeurd en ik weer de dans ontsprong. Er werd geïnsinueerd dat ik de keuringsartsen had omgekocht. M'n moeder had ook liever gehad dat ik was goedgekeurd, omdat er nu toch iets met mij niet helemaal in orde zou zijn. Het is heel simpel verlopen zei ik haar, ik heb gewoon gezegd dat ik niet een jaar uit mijn nieuwe leven wilde stappen. Natuurlijk weet ik ook wel dat het krankzinnig is om dat zo te zeggen, maar het aardige is dat hoewel ik dat weet ik dat gewoonweg ook echt zo vond, het idee om met die jongens op één kamer te slapen, al dat gerotzooi. Ze zullen best wel gedacht hebben dat ik met mijn fijngevoelige bezwaren een flikker was, maar daar had ik geen probleem mee. Wat doe je dan in je vrije tijd? Heb je een vriendinnetje? Het wonderlijke is dat ik naar eer en geweten heb geantwoord, dat ik naar de schouwburg ging, of naar een concert, dat ik veel las en welke boeken. En dat ik geen vriendinnetje had, maar wel een vriend. Dat ik zei dat ik niet wilde opdraven is aan de ene kant verbijsterend onnozel, maar ook heel slim, eigenlijk. En hierna hebben we er nooit meer over gepraat. Dit was het laatste obstakel naar zelfstandige vrijheid, en nu lag de weg pas echt helemaal voor me open.

Ik was ambitieus, maar alleen om binnen het reclamevak de processen van de communicatie te begrijpen en onder de knie te krijgen, al lezend boekte ik een voortdurende vooruitgang. Het toepassen van mijn kennis en inzichten ervoer ik steeds meer als een probleem. Eerstens had ik tevergeefs geprobeerd mijn persoonlijke visie met de klanten af te stemmen en door degenen met wie ik samenwerkte werden die pogingen onder het vloerkleed geschoffeld. Het bleek binnen het vak om eergevoel te gaan en spelletjes, spelletjes waarin ik niet bedreven was. Ik droomde van elkaar inspirerende ondersteunende richtingen van talent, typografisch, fotografisch, poëtisch, enzovoort, inderdaad een dromer. Ik begreep dat ik daarmee niet te haastig moest zijn. Indachtig mijn familienaam Herfst hield ik me mezelf voor dat mijn tijd nog zou komen.

Met mijn Engelse chef Royston had ik geregeld gesprekken over kunst. Dan beschreef hij wat hij de voorgaande avond had geschilderd, en formuleerde definities van wat hij als kunst zag en wat als kitsch en demonstreerde dat ook met zelfgemaakte tekeningen. Hij maakte een tekening van zijn pijp en zei dat het echt was, echte kunst, en maakte een andere tekening waarvan hij zei dat het kitsch was. Dit is een fake Ben Shahn, zei hij dan. Ik kocht een boekje over Shahn, en jaren later heb ik nog een stel Shahn's gemaakt voor een aardgascampagne. Nog niet zo lang geleden zag ik een tentoonstelling in het Joods Museum aan Central Park, en ervoer weer de rijkdom van mijn gesprekken met Royston, me altijd vroeg waar ik van hield. Waar ik van hield waren oude Italiaanse schilders die romantische landschappen hadden geschilderd met weelderige bomen. Maar ik wist de namen niet. Om wat namen te kunnen noemen zocht ik ze op in een boek dat wij thuis hadden en noemde toen Van Ruysdael. In het bijzonder voelde ik mij aangetrokken tot 'Gezicht op Haarlem', juist helemaal niet vanwege de bomen, maar door het uitzicht op het Westen, dat ongeveer het zelfde zou zijn als ik die kant op zou kijken vanuit een ballon boven mijn huis. Door die gesprekken ging ik naar het Stedelijk Museum en zat daar vaak op Zaterdagmiddag in de bibliotheek, keek de kunsttijdschriften door en leende wel eens een boek. Er kwam een tentoonstelling van Kline en Motherwell en Pollack en ik voelde me opgenomen in de doeken en op vleugels fietste ik naar huis met de catalogi, om daar weg te dromen in de dramatische inkijkjes van Kline.
Dat was een mooie tijd, spannende, boeiende dagen waarin ik veel leerde, er een oog is ontstaan, gegroeid. Overdag waren de dagen volg met elektrificerende impulsen, en buiten de kantooruren maakte ik ontdekkingsreizen in de bieb van het Stedelijk en met Dostojevski en John Steinbeck en Aldous Huxley en Albert Camus; ik was allesbehalve eenzaam, maar buiten het bureau had ik vrijwel geen contact met anderen.

Waar is toch de link met Kees?
In deze periode van mijn leven lijkt het dat ik aardig evenwichtig met grote interesse een leven leid in toch zeker wel een isolement, maar ik heb geen behoefte aan meer, en voel me niet buitengesloten en niet gehandicapt, hoewel ik sociaal ook niet verder zou kunnen komen, vrienden zou kunnen maken, of beter gezegd willen maken. Mijn leven is eenvoudig en spectaculair tegelijk. Mijn uitjes waren snelle fietstochten op mooie zomeravonden naar Zandvoort, voor een kopje koffie bij de ondergaande zon. Ik las de krant en bovendien de Autovisie en wist van alle automerken de catalogusprijzen tot op de typen nauwkeurig; ik was intussen voorbereid op een financieel goede toekomst.

Kees gaf maar heel terzijde aan hoeveel moeilijkheden hij had gehad als gevolg van zijn overgevoeligheden. Ik had daar meer over willen lezen, maar zelf niet mijn was buiten hangen. Was het alleen een overgevoeligheid voor geluid of ook, of eigenlijk de ongegeneerdheid waarmee dat werd gemaakt? Het geluid van brommers en motoren werd ik graag door opgeschrikt, en genoot daarvan. Het geluid van een Norton en een Harley-Davidson genoot ik zelfs meer van dan van het grootste ijsje van De Sierkan in Blaricum. Maar smakgeluiden van kauwgom etende mensen ging ik, en ga ik nog steeds, van over m'n nek. Met de beste wil van de wereld probeer ik dat te onderdrukken als er iemand mee rijdt in de auto en een kauwgompie in de mond doet. Als ik dat durf vraag ik om het weg te doen, en anders ben ik aan het eind van de rit total loss van de zenuwen. Dan zit ik eerst een hele tijd mijn vraag te repeteren, totdat ik geen goeie redactie weet en er niet uit kom, maar met m'n liefje heb ik dat niet, of zeg maar bijna niet, of althans in mindere mate. Zakjes in de bioscoop word ik ook gek van, en als ik na drie keer een andere plaats geprobeerd hebbend nog steeds knisperende en smakkende kijker in m'n omgeving heb ga ik naar huis. Zijn daar cursussen of therapieën voor? Maar ik wist wèl alle catalogusprijzen van in Nederland leverbare auto's, en deze onhebbelijkheid is de prijs. Onder andere.
De woedeaanvallen van Kees worden meer gesuggereerd dan echt duidelijk beschreven. Kom ik daardoor er onderuit om die in dit hoofdstuk ook niet erg duidelijk te memoren?
Op het bureau zei de koffiejuffrouw dat ik altijd zo kwaad keek. Dat had mijn moeder ook al meermalen gezegd, maar nu kwam het wel hard aan. Hoewel ik het erg naar m'n zin had scheen ik toch kwaad te kijken! Later, veel later, lieten sommigen in m'n omgeving wel blijken dat ze mijn gezelschap zelfs apprecieerden, maar daar is wel een hele tijd overheen gegaan. Unfairness, nare geintjes, leugens, bedrog, smeerlapperijen, er was doorgaans genoeg mis om mij kwaad over te maken, en hoe ik daar over dacht was kennelijk overduidelijk.
Ik ben gaan geloven dat het zó in z'n werk gaat dat ik, doordat ik zo in mezelf gekeerd ben, of zeg maar zelfbewust uit m'n ogen kijk, op veel mensen in mijn omgeving overkom als zelfverzekerd, waardoor zij de behoefte hebben om me uit m'n tent te lokken, en tot reacties, door te plagen, of zelfs te jennen. Nadat de langste jongen in de klas, voor zover ik wist, mij een klap in m'n gezicht had gegeven mijn bril kapot was en ik die niet meer terug kon opzetten, zei ik dat tegen de leraar, die reageerde met de vraag wat ik dan gedaan had. Ik was kwaad, maar ook begreep ik het niet. Toen mijn tweede partner tegen half negen mij met onterechte verdachtmakingen tot stemverheffing uitlokte, op het moment dat mijn eerste partner binnen kwam, zei hij triomfantelijk dat ik weer bezig was. En dit was erger dan een klap in het gezicht, omdat er zoveel meer achter zat - het plan om de relatie zóver te verpesten dat volgens de tweede partner er een toestand ontstond dat ook hij zich definitief tegen mij keerde, ondanks bewezen valsheid in geschrifte, ondanks dat een drietal van de gewaardeerde medewerkers opstapte als gevolg van incompetentie en onzakelijke verkwistingen. Zij hadden de achilleshiel ontdekt waardoor ik kwaad kon worden als er maar naar gehint werd en zo konden zij zich van mij ontdoen, omdat ik het hun moeilijk maakte door hun creatieve ondeskundigheid en rampzalige onzakelijkheid herhaaldelijk ter sprake te brengen.

In het tiende hoofdstuk vertelde Kees voor het eerst hoezeer hij zijn vreugdegevoelens kon laten blijken, en dat was wat een neef eens had gezegd, zum Himmel jauchzend und zum Tode betrübt, waarbij hij niet zei dat dit de uitslagen kunnen zijn van een autist. Zum Himmel, dat had mij altijd getrokken, en omdat voor zweefvliegen de medische keuring minder zwaar zou zijn dan voor motorvliegen leek me dat ik eens moest onderzoeken of ik op één of andere manier die sport zou kunnen beoefenen. Op Lelystad maakte ik een kennismakingsvlucht en vond het fenomenaal, de ruimte om alle kanten op te kunnen en de precisie waarmee je juist scherp navigerend geplande maar onzichtbare lijnen door de lucht kon trekken. Op het veld, op de lier, op de jeep, zaten allemaal jongelui die veel jonger waren dan ik, en met wie ik, veronderstelde ik, geen contact zou kunnen krijgen als ik daar dagen zou rondhangen. En dat was nou precies de bedoeling van de club, heel vroeg present, en bij toerbeurt elkaar helpen, de vleugeltips vasthouden, het landende vliegtuig weer naar de startplaats slepen, het vliegtuig omhoog trekken met de lier, de kabel ophalen met de jeep. Elkaar helpen in een sfeer van kameraadschap, geintjes, moppen vertellen, stoeien, smakken met eten, elkaar uit baldadigheid tegen de grond smakken. Zelfs al zou ik een vliegtuig kópen, dan nog had je die hulp nodig. En als je niet in de pul viel, dan zou het zo maar eens kunnen gebeuren dan je niet geholpen werd, of dat er iemand in de hangar per ongeluk door de vleugel liep. Door er over te praten had ik mijn aanvlieging in een half uur verwerkt en verworpen. Maar elke keer als ik in Frankrijk langs een veldje rij - en dan denk ik speciaal aan het vliegveld van Draguignan - en ze in de lucht zie zweven, en gekanteld in het gras zie liggen, dan tintelt de drang weer om omhoog te gaan, om als een arend mee te cirkelen met de anderen, of onder een regenboog door een lijn te trekken naar een ander veldje.

Bij het lezen van het incident dat Kees had met een autoportier gaan mijn gedachten terug naar een voorval dat op de hoek van mijn straat plaats vond, waar ik met gêne aan terug denk, een automobilist die de hoek om komt rijden terwijl ik als voetganger halverwege de oversteek van de straat ben. Hij remt niet even bij, en ik kan door het op een lopen te zetten ontkomen aan de wielen, bijna dood. Dan pas remt de man, draait zijn raam omlaag en begint mij uit te schelden. In een flits slaan bij mij alle stoppen door. Ik ren op de man toe en spring met beide voeten tegen de deur. Wij beiden zien dat er het volgende moment een grote deuk in zit. Zonder iets te zeggen loop ik uiterlijk kalm weg. Dan trekt de man weer op, met krijsende banden en komt mij schreeuwend achterna. Daarop loop ik een eenrichtingsstraat in en de auto rijdt mij op de hielen achterna, dan maak ik me verder uit de voeten over een parkeerterrein vol auto's waar de man me onmogelijk nog kan volgen en als een oververhitte lafaard ga ik een kop koffie drinken en m'n zonden overdenken.

De liefde die bij Kees is geboren voor de kalligrafie deed mij opeens beseffen dat hij een man naar mijn hart is. Hoewel ik vaak het compliment krijg dat ik zo mooi kan schrijven, zo zwierig vooral, dan vermoedt men dat ik ook net zo zwierig zal kunnen dansen, wat ik juist helemaal niet kan. Een paar keer had ik wel eens de behoefte daartoe en probeerde dan twee passen te maken, maar als een spast verkrampte ik gelijk, en daarom vind ik het zo vreemd dat het wel van mij verwacht wordt. Ik zou heel graag beheerst en fraai en sierlijk in de grote kalligrafische traditie mooie woorden en zinnen willen schrijven, of een wijsgerig statement, maar daar mis ik de training voor, en de eindeloze oefening. Het staat op m'n lijstje, maar andere wensen staan hoger. Ja Kees, ik ben heel benieuwd naar wat je gekalligrafeerd hebt! Het is moeilijk om er een inkomen uit te halen. Veelal doen tekenaars het erbij. Ik weet niet hoe het nu is in Engeland, maar in het verleden had elke student op een art school een handschrift waar je verrukt van zou worden. Dus als je vroeger een brief kreeg van een drukker, of een etser, of een schilder, van een fotograaf, dan raakte je op slag opgetogen en geïnspireerd door de stijl waarin je eigen adres was geschreven of een boodschap werd doorgegeven. Ja, je ziet meteen wat ik bedoel. Jarenlang had ik in m'n koffertje een door een vriendin kalligrafisch geschreven spreuk liggen, die ik al rommelend in de inhoud geregeld tegenkwam en kreeg bij het zien ervan altijd weer een shot animo om het onderhanden werk op een andere manier te bekijken. Het was een prachtig gedichtje, over de Herfst, dus je begrijpt dat ik het vreselijk vind om deze poëtische impuls te missen.

Aan het eind van het tiende hoofdstuk schrijf je, Kees, dat je op dat punt in je prachtige boek volwassener en zelfstandiger aan het worden was. Omdat dit opstel minder een lineair verslag is van mijn leven dan een associatieve reactie op jouw boek, kan ik op dit punt toch wel ingaan op mijn eigen zelfstandigheid. Ik schreef het al, dat ik op mijn zestiende nog steeds thuis bij mijn ouders woonde, maar mijn eigen verantwoordelijk voor mijn leven had gezocht en me steeds meer terug trok op mijn twee zolderkamers. Zo bleef dat ook tot m'n tweeëntwintigste, vooral omdat ik niet vond dat een mogelijk alternatief een verbetering zou opleveren. In die periode had ik wel de onuitgesproken droom om als alleenstaande op kamers in een villa in een bosachtige buurt in Engeland te wonen, met een rode Ferrari voor de deur. Ik zag mijzelf in m'n droom daar niet in rijden, maar wel voor de deur staan, niet klaar om me naar de westkust te rijden, of naar het strand van Noord Wales, maar zag het als een plaatje. Ik wist wel dat het heel anders zou lopen.

 

11

Kees' elfde hoofdstuk: Vliegen.

Vroeg in de ochtend, nog voor achten, schijnt boven de Prinsengracht een beetje vals licht in de lucht, en er zit een wat morsige rand aan een van de wolken. Ik kon even blijven kijken omdat ik toch moest stoppen voor een stoplicht en liet een maal groen voorbij gaan, omdat er toch niemand achter me stond en omdat ik wilde zien hoe zich dat in de lucht ontwikkelde. De rand werd breder en er tekenden zich meer kleuren in af. Het verkeerslicht zou bijna weer groen worden toen de rand een wat grillig gevormde maar toch echte regenboog werd, waard om op te wachten. Er komen wat gaten in de wolken en ik vlieg in gedachten terug naar een wolkendek boven Metz in Noordoost Frankrijk, waar ik in een klein snel vliegtuig een tocht maakte met een ex-straaljagerpiloot met wie ik het verschil tussen gaten en wolken ter sprake bracht, opeens een hobby! Gaten, had ik toen gezegd, vind ik veel interessanter dan wolken, in de eerste plaats omdat je daardoor uitzicht hebt, en wat is er nou mooier, en er doorheen kunt vliegen, en dat wolken het je daarin juist lastig maken. In de tweede plaats omdat gaten niets zijn, maar toch een wezenlijke contour hebben, die je zelfs op een foto kunnen vastleggen. En het bedrieglijke is dat het éne moment het gat er is en het volgende moment is dichtgetrokken, weer een wolk is. In de tweede wereldoorlog hadden gaten een vitaal belang, zei mijn piloot, nu is dat allemaal anders geworden door de radar en we gaan niet voor sight seeing.
Gedachten hebben vleugels. Komt daar de behoefte vandaan om te vliegen, om zelfs real time de gedachten achterna te gaan? Op weg naar een klant in het Oosten van het land nam ik vaak de weg langs Terlet, om mijn ochtendkoffie daar in de cantine te drinken, en luisteren naar de gesprekken, of ik las een artikel in een Vliegtuigtijdschrijft, bij voorkeur Flying, waarvan Richard Bach redacteur was. Of ik lunchte er en liep tussen de vliegtuigen door en dacht aan wat ik miste. Vanzelf gingen dan mijn gedachten ook terug naar de vluchten die ik had gemaakt, zoals mijn vlucht boven Metz en als ik niets ander aan m'n hoofd heb vlieg ik door naar het Westen. Het is heel vroeg. Heldere hemel. Als ik in de verte het Kanaal zie komt de zon op, zie hem in m'n spiegel. It's Summer still. 1941. The bloody war hasn't ended yet. Far below, 10.000 feet lower, it's quiet over the still dark Channel, no planes yet. Ik laat het vliegtuig zakken, and ease on the throttle, en het zonlicht verdwijnt van de instrumenten en uit de cockpit, de zon zakt weer achter de horizon. Ik denk aan mijn vluchten boven Metz en met een warm gevoel denk ik aan Jonathan Livingston Seagull, het boek van Bach, van wie ik vliegen heb geleerd. Ik denk aan de condors in het Andes gebergte, en arenden in de Rockies, en ik zie ze cirkelen als zweefvliegtuigen, stil en hoog boven me.
De krijtstreep van de kust komt snel dichterbij, alsof ik erop inzoom en de witte rotsen lichten op als de zon op ze begint te schijnen. Nog even en ik zal m'n koffie drinken. De zon komt voor de tweede keer op, nu over het land. Dit is niet een belevenis van mijzelf, maar een passage uit Declarations of War, van Len Deighton, of althans een beeld, want de woorden heb ik niet opgezocht, en het beeld dat die oorspronkelijke woorden opriepen was een van mijn grootste belevenissen in de tijd dat ik vliegen leerde.
Niet alleen kijk ik vanuit de lucht naar de gaten, en erdoor naar op de grond, maar ook vanaf de grond omhoog, vooral wanneer ik foto's moet maken, van een gebouw waarvan van het karakteristieke van de architectuur in beeld moet worden gebracht en tot uitdrukking moet komen, dan ben ik afhankelijk van de zon, die al of niet en in meerdere of mindere mate moet schijnen en dan ook nog vanuit een windstreek die bepalend is voor de tekening van het volume, de stijl, en de profilering. Van te voren heb ik dan al gezien om hoe laat en vanuit welk standpunt en met welk brandpuntafstand van de lens en met welk filmtype ik klaar moet staan. Dan zie ik of de zon er wel is, ongesluierd of niet, en wat voor effect ie op de gevel heeft. Daarna is het van belang wat voor merk en kleur auto's voor het pand staan, omdat deze kunnen bijdragen of afbreuk doen aan de totale atmosfeer in de foto, of het een Engels, Duits, Italiaans merk is, een Amerikaan, of een wrak, wat nogal een voorkomt in Zuid Amerika is. In Venezuela en Equador, eigenlijk heel Midden en Zuid Amerika staan er bijna alleen maar kevers geparkeerd, en twee op de tien een roestige pick-up truck. In Noord Amerika kan er ook nog wel eens een heel onaantrekkelijk vehikel voor de deur staan, maar soms kun je het geluk hebben dat je dat kan verschuilen achter een voor-, of achterkant van een ander fraaie automobiel op de voorgrond.
De zon was bijna altijd van cruciaal belang bij het maken van foto- of filmopnamen. Zo kon het ook per verrassing gebeuren dat opeens de zon doorbrak door een onverwacht ontstaan gat en naar beneden scheen en lang genoeg voor het maken van een paar opnamen. Het kon voorkomen dat ik eindeloos stond te wachten, een uur, een halve dag, of dat ik dagen lang in de buurt rond hing terwijl het wolkendek ondoorzichtig, ondoordringbaar bleef. Dan zat ik in een kroeg, met als dat even mogelijk was, uitzicht op het onderwerp en eventuele modellen op afroepafstand. Als ik bij het statief en de camera bleef, dan gebeurde het vaak dat passanten een praatje maakten, of met vragen kwamen, over de beste film, de beste camera, of dat ze tips wilden horen, of wilden weten wat voor bijzonder merk camera ik had. Plaubel, nooit van gehoord.
Soms leek het er op dat het wolkendek massief was, maar bleek dat twee wolkenlagen op verschillende hoogten over elkaar heen dreven, of zelfs over elkaar heen vlogen, zoals eens in een föhn in Zuid Frankrijk, en dat, terwijl ik dan eeuwig op een gat stond te wachten, tot het bijna te laat was, er opeens een gat op een laag niveau een gat in een hogere wolkenlaag ontsloot en opeens de aarde in het volle felle zonlicht stond.

Hoe heb je ooit, vraagt mijn piloot, een levenspartner kunnen vinden als die gaten in de wolken zo'n kick voor je zijn?
Dat is een wonder, zeg ik. Bij de eerste kennismaking zag ik dat ze met mij mee wilde kijken. En ik werd mateloos geboeid door wat zij zelf zag. Ze groeide op aan een kanaal, onder wijdse wolkenluchten, zodat ze vertrouwd is met rechte lijnen door het strakke landschap en veel geaccidenteerde variatie daarboven. Zelf trekt zij ook zulke duidelijke lijnen door haar leven. Door haar wijdse interessen zal ze zich ook heel goed op haar gemak voelen tussen de ground drawings in Peru.
Veel te laat had ik mijn ervaringen met de gaten in de wolken in connectie gebracht met de gaten in mijn persoonlijke ontwikkeling. Vliegen geeft een overzicht en maakt de geest stil. Het uitzicht van de geest op de materie is doorgaans net zo beperkt als bij een vrijwel bedekte hemel. Op enige hoogte verdwijnen trivialiteiten uit m'n hooft als absurditeiten. Dan zie ik oplossingen, in de geest van een opmerking van een vriendin, die iets ouder is dan ik, maar aanzienlijk wijzer, die had gezegd dat zij een van de belangrijkste lessen in haar leven had gemist toen ze die zo goed had kunnen gebruiken, namelijk dat je moet leren leven in onmacht. Zo ben ik ze uiteindelijk ook gaan zien, vanuit de lucht die lijnen in het leven, die in de grond doodlopende lijnen zijn.

Aangekomen bij hoofdstuk 11 vind ik dat Kees maar heel summier beschrijft hoe hij welke problemen precies probeert op te lossen. Maar ik heb aan een half woord genoeg. Zo ben ik zelf ook geneigd om maar een half woord prijs te geven. Toch vind ik zijn verslag openhartig en ontroerend, en vind ik het heel dapper van hem dat hij tegenover de buitenwereld zichzelf zo laat zien. Ik kan daar een voorbeeld aan nemen. Dat heb ik ook gedaan. Met dat verschil dat ik niet openbaar een interview wil geven. Inmiddels ben ik al zo oud dat ik er denkelijk geen problemen mee zal krijgen met collega's. Ik heb gevochten om me staande te houden en nu heb ik er vrede mee dat ik rustig kan zitten lezen. Eerst zal ik nog wel de resterende hoofdstukken lezen, daar mijn gedachten over laten gaan en daar dan en eventueel op reageren.

 

12

Kees' twaalfde hoofdstuk: Een monnik buiten de orde.

Kees verschilt voornamelijk veel van mij door de erkenning van zijn handicap, die in mijn gedrag, denk ik, min of meer als een zwakte in mijn persoonlijkheid wordt gezien van een soms ongeremd sensitieve betweter. Kees heeft waarschijnlijk veel meer last van zijn handicap gehad dan ik van de mijne. Gelukkig kon hij er veel met vertrouwde deskundigen over praten en konden zijn levensomstandigheden worden aangepast, zodat grote problemen konden worden opgevangen. Misschien is het ook maar allemaal gezeur van mij. Wel had ik grote moeite om met anderen te verkeren, moet ik daar direct aan toevoegen, maar gelukkig had ik daar geen behoefte aan. Ik vond mijzelf dan ook alles behalve zielig, of een probleemfiguur. Ik zou er ook geen verandering in willen brengen door een therapie of zo. Onlangs zei een bevriende psychologe dat ze mij graag in contact zou willen brengen met een collega. Maar daar heb ik nog steeds het zelfde simpele antwoord op als vroeger, dat ik bewust leefde naar wat ik van het leven en van de mensen had ervaren, en dat dit volgens mij de enige manier was. Iedereen had volgens mij andere ervaringen, en in ieder geval wilde ik niet leven met de ervaringen van anderen. Ik was wel nieuwsgierig naar de ondervindingen van vrienden, maar had niet de neiging of de behoefte om daar iets van over te nemen.

In dit hoofdstuk kijk ik naar het plezier dat Kees heeft in tekenprojecten, en hoe hij ook steeds daarin doorgaat, en op een enkel thema een heel oeuvre bij elkaar tekent, fenomenaal. Toen ik me bezig hield met door automaten gestuurde auto's tekende ik die auto's, de wegen en de schema's, maar toen dat klaar was tekende ik niet meer. Ik wist niet wat, en in zomaar tekenen had ik geen plezier, een gemberpotje - ha ha, terwijl een van mijn favoriete schilderijen een gemberpotje is, van Voerman - zo kan ik ook nog steeds niet zonder vooropgesteld plan zo maar wat fotograferen. Als ik een opdracht had, of een thema dat ik fascinerend vond, dan ging ik er voor, reed hele einden en wachtte eindeloos op de ideale omstandigheden. Op vakantie neem ik de laatste jaren een superkleine camera mee, met een superfantastisch zoom-objectiefje, en maak dan soms een foto van iets dat me betovert, een schaduw op een mooie muur, een prachtig hek in een romantische lichtval, een welving van een spatbord. Mijn eerste tekenproject had ik stilgelegd voordat ik er aan begonnen was, toen ik acht was, dashboards van de mooiste auto's. Nee, er was nog een project, dat mij maanden had bezig gehouden, later, toen ik een tiener was. In de tijd dat ik wekelijks gegrepen was door een paar Engelse schilders en de Fransman Soulages, was ik voortdurend beelden aan het visualiseren van de schilderijen die ik wilde maken. Ik kocht een ezel en tien platen hardboard en paletmessen. Maar nog voordat ik het palet en de verf had gekocht seponeerde ik het project. Het ligt nog steeds ergens in een geheim laatje als het ware. Ik had niet het geluk om dagen, weken of zelfs maanden lang met één onderwerp bezig te kunnen zijn, of wèl het geluk, want daardoor had ik de tijd om kennis op te doen, die noodzakelijk was om in mijn stiel verder te komen, boeken lezen die in het stapeltje steeds verder naar onderen terecht komen, over hypes die inmiddels zijn opgevolgd door nieuwe, zoals over de belevenis economie, bijvoorbeeld.

Een project dat ik wel tot uitvoering heb gebracht heb ik veel plezier aan beleefd. Op vakantie in Wales had ik een boekje gekocht met reproducties van schilderijen die waren geschilderd op locatie, met een goede routebeschrijving naar de plek. Met een prima 6x7 Plaubel klapcamera reden we naar de plekken en ik maakte foto's van de geschilderde scène. Een mooie serie, die ik niet eens heb laten printen, waarvan de sensatie hoofdzakelijk zat in de brisk rides over de winding secondary Welsh roads, en in het zoeken en ontdekken van de art scenes. Er ligt nog een ander boekje op de planken, A Watercolour Journey Around Britain, en ook nog een boekje van een dierbare schilder, Hopper's Places. Daar toch eens naar kijken en bij stil staan? Vandaag las mijn liefje een advertentie voor van de VU, voor een cursus sterren kijken. Dat is echt iets voor een monnik, als Nostradamus. Nog even niet.
Nu ik wat langer over projecten denk zie ik de beelden en monumenten voor me die ik in Amsterdam fotografeerde, in zwart-wit, met een tweeoog Rollei die precies zo oud was als ikzelf. Toen er een stuk of dertig platen gedrukt waren ben ik ermee naar de gemeente gegaan om te kijken of ik de pr-afdeling mee kon krijgen in de uitgave van een mooi boek waarin allerlei maatschappelijke iconen in beeld werden gebracht en toegelicht met een cv. Dat was een mooi project, waarvoor ik in m'n lunchpauze de stad in ging en Zaterdags en Zondags wat verder weg dan het centrum wat langer de tijd voor nam. Zwartwit. Dat oogde veel fijner dan kleur. De beelden had ik zó gefotografeerd dat ze waren opgenomen in het straatbeeld en dat er aan werd voorbij gegaan, maar ook dat ze een historische diepte aan de omgeving gaven. Als ik die plekken had gevonden nam ik alle tijd, wachtte lang, mezelf wegcijferend, als een monnik, en kreeg zo mensen op de foto die bijdroegen tot de kijkwaarde, leuke types, markante types, aantrekkelijke types, zoals bij het café Hans en Grietje, waar Marijke op het terras zat, het mooiste meisje van Amsterdam, dat ik al die jaren in bewondering zien passeren en nu, geholpen door de camera, een paar woorden mee kon wisselen.

 

13

Kees' dertiende hoofdstuk: Nieuwe belevenissen.

De bovenstaande hoofdstuktitel lezend gaan mijn gedachten in twee richtingen; naar mijn eigen belevenissen in mijn persoonlijke dagelijkse werelden en mijn belevenissen in geografisch andere werelden, buiten onze landsgrenzen. Veel van de belevenissen in eerdere hoofdstukken zouden ook van andere mensen kunnen zijn, en dat is ook logisch, omdat we in de zelfde wereld leven. Juist in de andere werelden krijg je zicht op het leven dat je leidt in je eigen wereld. Kees maakte reizen naar niet eerder bezochte landen en steden, en kreeg daar openbaringen te verwerken, in totaal andere werelden, andere mensen, die een heel andere kijk op het leven hebben, en ook op de wereld. Ik was al vertrouwd geraakt met een heel andere kijk op het leven door mijn logeerpartijen bij mijn familie in België, waar mijn tante herhaaldelijk had gezegd dat ze niet wist waar het in zat, maar dat bij ons in Nederland zoveel gezelliger was, dat het zoveel plezieriger was om ons thuis te zijn. De vloeren in het 'Kasteeltje' waren van plavuizen, gelegd in patronen, van plantentakken en bloemen. Daar was m'n tante al zó aan gewend geraakt, aan de plavuizen, geen kleed op de vloer, de kleur van het houtwerk, de stijl van de bloempotten, dat ze niet meer zag dat de sfeer daardoor in de basis al volslagen anders was, en dat door kleinigheden het nooit zo zou kunnen worden als bij ons. Op de kloostertafel lag Het Rijk der Vrouw, en niet onze Libelle. Mijn tante werkte erg hard in haar atelier, en ze dacht dat het verschil in gezelligheid misschien ook kwam doordat ze voor het huishouden niet genoeg tijd had, maar daar zat het ook niet in, want alles was proper en glimmend, alleen was alles anders, totaal anders, van sfeer, stijl, cultuur, associaties, zeg maar. Zelfs de planten waren anders, Vlaamse planten. Op een schoorsteenmantel staat een groen, glanzend kunstwerk van twee zware trekkerspaarden met een boer achter een ploeg, geen boekhouder. In de keuken, die grenst aan de derde kamer in de rij van drie opeenvolgende kamers, staat een Mechelse stoof, een kachel waarop gekookt kan worden, maar gekookt wordt er op gas. Dat alles locaal is weet ik al vanaf mijn eerste logeerpartij in de oorlog, bij vrienden van mijn ouders, in Bussum. Dat het verschil met mijn ouderlijk huis en het milieu waarin ik ben geboren mogelijk nog extremer zou kunnen zijn, kwam ik in de loop der jaren achter, door steeds een stap verder te gaan. Zo had ik mijn hele leven doorlopend nieuwe belevenissen.

Mijn Engelse chef ging weer terug naar Engeland. Hem wilde ik opzoeken en ook mijn neef Gerry, die beiden werkzaam en woonachtig waren in Londen. Destijds reed ik in een British Racing Green Triumph Herald, in een magnifieke uitvoerig, more British than the Brits, ontworpen door de Italiaan Michelotti, houten dashboard, houten racestuur, Lucas chromen spatbordlampjes. Royston, een francofiele bohémien en bon-vivant, reed in een grijze DS, en Gerry, als zoon van mijn Belgische oom van huis uit een Belg, reed in een rooie Austin Healey. Het huis van Roy was net zo ingericht als in Amsterdam en ik voelde me daar ook net zo thuis, ruime kamers, grote door hemzelf geschilderde schilderijen en veel prenten aan de muur, waar de gravure van ballonnen die ik had meegebracht nog mooi tussen paste, mosgroene wall to wall carpeting, een rooie muur. Gerry's huis zag er uit als het pak dat hij droeg, klassiek tot in de puntjes, aan een mooi onderhouden gazon, en vitrage in de achterkamer met uitzicht op de tuin met rozen in de borders. 'Houdt u ook zo van vitrages?' Vanuit het huis van Gerry had ik een uitzicht op een traditioneel zakenleven met een verborgen voortvarendheid die bleek uit zijn gesprekken over computers en organisatievormen waarmee hij voorop liep in de ontwikkelingen. Wij aten in het hotel waar wij logeerden, aan Richmond Park, een ervaring, nee een belevenis die voor latere jaren, nee voor altijd de toon heeft gezet voor een verblijf in Engeland, een beetje mistroostig park, heel groen, extreem Brits, poëtisch, en een machtige allure. Met Roy aten we in het restaurant van The House of Lords dat hij had ingericht, helemaal in tune met ons hotel, de autoritten in de omgeving, de smalle bochtige tweebaans autowegen, waar wij genietend overheen knorden. Lang is dat land zo gebleven, als een droom in mijn verbeelding, een film, omdat wij alleen maar kwamen in het Bloemendaal, Wassenaar en het Noordeinde van Den Haag van het Britse Koninkrijk. Engeland was voor mij een land met snorren, tweed pakken, glad wegdek met beschaafd rollende gedistingeerde auto's, drie liter Rovers, Royces, Jags, waar volgens Roy patsers in reden en geen echte Engelsen, en Riley's en Humbers. Elk jaar daarna werd ons beeld van de Tudor-façade bijgewerkt door impressies van banale alledaagsheid. Dit waren indringende belevenissen, en karig onder woorden gebracht, en dan heb ik Wales en Schotland er nog buiten gehouden. Anders zou het teveel worden.

Trouwens, waar zal ik in deze opstellen een tijdslijn trekken? In zijn boek van de Regenboog heeft Kees, op het moment dat het werd uitgegeven, de dertigjarige leeftijd bereikt, zodat hij op het moment dat ik dit schrijf ruim vijfendertig zou kunnen zijn. In mijn eigen relaas heb ik hier, in deze regel, die leeftijdsgrens nog niet overschreden. In gedachten rijd ik door de andere landen die voor mij grote belevenissen waren, maar eerst zal ik even stil staan bij A., die mij een belevenis bezorgde die mij tot nu toe indrukwekkend is blijven heugen. Ik heb geen idee of ik te ver buiten de opzet van dit boek ga, maar dan blijft het toch altijd nog mijn eigen boek.
A. dus, in niet al te kleine details, want dan wordt zou zijn aandeel een novelle worden, een belevenis van een ander soort beleven van de werkelijkheid dan die waar ik mee ben opgegroeid, die ik van mijn ouders geërfd heb.

Op een grauwe Lentemiddag kwam onaangekondigd en zonder afspraak een man de kamer op mijn bureau binnenstappen. Hij verexcuseerde zich breedvoerig voor de manier waarop hij bij mij binnenviel en noemde de naam van de directeur van het hooggekwalificeerde collega-bureau om de hoek. De bezoeker die ik A. zal noemen kwam op mij over als een respectabele, sympathieke man. Hij kwam op aanraden van een collega om de hoek, en wilde mij raadplegen voor een nogal dringende en persoonlijke kwestie, waar ik mogelijk een betere oplossing voor zou weten dan mijn collega C. Ik voelde me een beetje vereerd.
A. was gekleed in een krijtstreeppak en had zich voorgesteld als professor in een groot ziekenhuis in Leiden. Hij was hersenchirurg. Ik kon niet schatten hoe oud hij was. Hoe oud moet je zijn om professor te worden? Hij had een patiënt, een jonge vrouw, die een ernstig auto-ongeluk had gehad en nu zo ver hersteld was dat zij weer langzaamaan zou kunnen gaan werken, maar dan wel bij voorkeur niet in haar oude baan, maar in een nieuwe omgeving, met mensen die begrip zouden kunnen opbrengen voor de moeilijkheden die zij zou hebben om weer onder de hoge druk te opereren - opereren - van de praktijk van een bureau als het mijne. Van een salaris zou de eerste tijd geen sprake zijn, beschouw het maar als een voortgezette therapie, zei A. De patiënt, Alina, was van goede familie, de financiën waren geen onderdeel van de zorg. Alina zou een vrolijk meisje zijn en een goede algemene kennis hebben en een verfijnde smaak en volgens mijn collega zou ze heel goed in ons team passen.
Ik kom zo maar binnen stormen, zei A., denk er rustig over na. Morgen zal ik u bellen om te horen hoe u er over denkt. Ik maak me zo druk om Alida omdat ze het waard is, en omdat ik bang ben dat zij via de reguliere kanalen niet goed terecht zou komen. Zo maar op goed geluk solliciteren zal haar geen goeie positie opleveren, omdat ze nog niet zo makkelijk praat. U maakt bijzonder werk, als ik dat goed zie, goeie namen ook. U hebt heel wat bereikt in uw professie, dat zei uw collega ook! Laten we wat gaan eten, opperde hij, ik nodig u uit.
Mijn vrouw heeft iets bijzonders gekookt, zei ik, dat zei ze mij toen ze belde even voordat u binnen stapte. Ik zal haar even bellen.
Zij stelde voor dat mijn bezoeker mee kwam eten. We reden langs de Amstel naar huis in m'n nieuwe Alfa GTV en plotsklaps wilde A. even naar de boten kijken die langs voeren. Ik heb een nieuwe boot gekocht, zei hij, waarmee ik op zee ga zeilen. Het lijkt me heel plezierig als u een keer met uw gezin een tocht met mij meemaakt, wat vindt u daar van? Ik ben wel wat snel, misschien wel veel te snel, maar ik vind het zó fantastisch dat u met mij wil praten, en ik vind het zó'n aangenaam gesprek dat ik me erg op m'n gemak voel. Sinds de dood van mijn vrouw heb ik het contact met vrienden gemeden. Dit is een heel speciale avond geworden. Wat een fijne auto! Aan deze heb ik ook gedacht, maar ik heb een Volvo besteld, een P1800, kent u dat type? Deze weg hebt u meer gereden moet ik zeggen! Zalig hoor, als je zo goed kan rijden. Weet u wat, ik stel voor dat ik komende Zaterdagmiddag langs kom met de nieuwe auto, want ik zou uw mening wel eens willen horen, niet dat ik twijfel hoor, maar om het eens van een kenner te horen. Ik viel voor de vorm. Nu ik, helaas, alleen ben, kan ik met zo'n beslissing m'n eigen weg gaan, maar toch, een beetje bevestiging zou fijn zijn.
A. is charmant en doet al snel of ie thuis is. De kookkunst van mijn vrouw valt in de smaak. Op het balkon, met een sigaret kijkend naar het uitzicht, zegt A. dat ik het getroffen heb in het leven en het gesprek komt op erfelijkheid en ik krijg opeens het gevoel dat ik naar aanleiding van een artikel in Scientific American daarover vragen moet stellen, omdat er iets niet klopt in wat hij beweert. A. zegt het artikel gelezen te hebben, en dat het als nogal controversieel in zijn kring is ontvangen. Maar er gebeurt veel, het zijn fantastische ontwikkelingen, zegt hij, en voegt daar aan toe dat het zo onverwacht zo'n fijne avond is geworden. Maar de mooiste belevenissen in het leven kun je ook niet plannen; met wat geluk overkomen je die af en toe. Hij vertelt dat hij een afspraakje heeft met het avondhoofd van de Prinsengracht, zijn eerste uitje na de dood van zijn vrouw, en dat hij daarom nogal opgewonden is. Wat vindt u, waar zal ik met haar naar toe gaan? Gewoon eerst maar alleen ergens een drankje drinken?
In de keuken fluistert mijn vrouw dat ze A. een vreemde man vindt, maar wel aardig. Als ik terug kom in de kamer vind ik inderdaad dat het eigenlijk een beetje raar mannetje is en dat het een beetje rare avond is. Zo'n professor toch! Hij heeft geen geld bij zich. Mijn portemonnee is bijna leeg, en ook die van mijn vrouw. We keren de spaarpot van onze oudste dochter om. Zeventig gulden. Zaterdag komt hij ze terug brengen. Hij vraagt mijn vrouw om raad, hoe hij het die avond met de zuster zal aanpakken. Zij geeft hem wat suggesties. En dan opeens raakt hij een beetje in paniek, omdat hij vindt dat z'n sokken zo zweterig zijn. Daar weet mijn vrouw direct raad op. Ze wast de sokken en droogt ze in de droger.
Wat een avond zegt A. Ik voel mezelf een beetje patiënt, zoals ik word vertroeteld.
Ik zet hem af bij het ziekenhuis. Omkijkend en joyeus zwaaiend loopt de professor naar de trap. Tot Zaterdag roept hij.

De volgende ochtend herinner ik mij de voorgaande avond als heel vreemde belevenis, zó vreemd dat ik het ziekenhuis in Leiden bel. Ik vraag naar A. Het is even stil. Dan zegt een juffrouw dat ik terug gebeld zal worden. Ik geef mijn nummer, en in een paar seconden word ik gebeld. Met A. De zelfde naam, een andere stem. U zult wel een beetje verwonderd zijn, zegt A. maar ik ben wat voorzichtig, want er zijn heel gekke dingen gebeurd de laatste tijd. Ik ben A. en ik werk in het ziekenhuis in Leiden. Hebt u iemand ontmoet die zich heeft voorgesteld als A. uit mijn ziekenhuis in Leiden? Wat is er allemaal gebeurd? Ik vertel het. Neemt u maar van mij aan, zegt A., dat dit geen grap is. Hij vraagt naar mijn adresgegevens en zegt dat hij het zeer betreurt dat ons uit zijn naam zoveel overlast is bezorgd.

De volgende dag wordt er thuis een taart bezorgd, met als afzender A. te Leiden, vertelt mijn vrouw me dat door de telefoon. Kijk maar even of het een neptaart is, zeg ik. Ik bel de professor in Leiden. Hij zegt dat hij de taart heeft gestuurd omdat hij erg met mijn vrouw te doen heeft en de dochter wiens spaarpot is leeggehaald.
Ik ga naar de politie op bureau Singel. We hebben al meer meldingen gehad vandaag, werd me gezegd. A. was weggelopen uit een inrichting. Vanochtend kregen we van een moeder te horen dat hij op een jongetje zou passen. U zou ons enorm helpen als u hem kunt identificeren.
We lopen snel de door de lanen van Artis, alsof we een misdadiger gaan arresteren. Nadat we daar niemand zien rijden we ingeschakelde sirene naar het zwembad aan de Sloterplas, omdat hij ook daar misschien zou kunnen zijn. Daarvandaan weer naar het bureau, waar uitgebreid verbaal wordt opgemaakt.

Wat A., of B., daarna allemaal heeft ondernomen lees ik jaren later in De Telegraaf. Zijn laatste project had hij in Siberië, als computerdeskundige, en met uitstekende referenties van grote organisaties en bedrijven over de hele wereld had hij miljoenen aan fondsen in Moskou heeft losgepraat, voor de ontwikkeling van computerprogramma's en netwerken voor een achtergebleven gebied ver weg in het Oosten van Rusland. Daar werd hij gefêteerd en op handen gedragen. De secretaresse op zijn kantoor in Nederland had volgens de krant al een tijd niets van hem gehoord en ook geen salaris gekregen. Op de foto is A. oud geworden. Hij heeft geen tanden meer, maar wel nog steeds die uitstraling, waarmee hij vrouwen hypnotiseert om met hem weg te lopen.

Met dit relaas over A. heb ik zo maar een belevenis gepakt uit de vele die mijn besef hebben aangescherpt van de krankzinnigheid van hen die zich hebben toegelegd op het leven in een virtuele wereld. Na dit voorval heb ik nog vaak aan A. teruggedacht als ik in contact kwam met nieuwe zakenpartners, opdrachtgevers, of mogelijk toekomstige opdrachtgevers, prospects zoals wij die noemen. Na een briefing, de bespreking van plannen, heb ik me vaak afgevraagd of die plannen wel reëel waren, redelijk beoordeeld op hun praktische uitvoerbaarheid, of dat het pipedreams waren, plannen voor een luchtkasteel, een dagdroom van een megalomane zwakzinnige die beroemd wil worden, een poepie wil laten ruiken, als leeuw nog een laatste keer wil brullen voor het publiek in de inmiddels lege arena en een monument wil nalaten. Vaak, nee soms, is het zo gek niet om er in mee te gaan, omdat het de bedenker van de plannen af en toe wel eens lukt om mensen in zijn kring te trekken die in zijn plannen mee gaan, die met een stiff upper lip mee op weg gaan naar het visioen. En soms lukt het en wordt het idee een bedrijf, dat zelfs naar de beurs gaat. Daaruit blijkt dan heel realistisch dat het idee zo gek nog niet was, omdat het geld bleek waard te zijn, want het er om gaat hoe het beleefd wordt, en niet hoe het geanalyseerd wordt. Nee, dit lijkt me niet de plaats voor voorbeelden.

Het is inmiddels al lang geleden dat het broeikaseffect in het nieuws kwam, waarover Kees zich ernstig zorgen maakte. Bij de burgers is sindsdien niet veel van de angst weggenomen. Op wetenschappelijk niveau worden tegenstrijdige lezingen gehouden en de partijen die voor het belangrijkste deel verantwoordelijk zijn laten het economisch belang prevaleren boven de leefbaarheid op aarde. Zelf heb ik dat angstgevoel lang gehad op stille momenten van bezinning en dacht erover dat met het stijgen van de zeespiegel het leven op de vloedlijn op lange termijn niet veel vastigheid gaf. Maar waar naar toe zou ik kunnen emigreren nu ik inmiddels een gezin van vier had? En dan een ander beroep leren, een andere taal, een ander moeten worden in een ander huis, dat vond ik zo angstaanjagend dat ik mijn vrees voor me uit schoof. Canada?
Vrienden gingen naar Canada, niet verdreven door het water, maar door de uitdijende en ook inklinkende samenleving. Ze hebben er hard gewerkt, maar niet harder dan hier, en ze hebben nog lucht om te ademen en ruimte om te leven. Hoewel zij leven met de gadgets die hier in ons leven de nieuwe franje zijn, hangt er een sfeer - hebben we zelf gezien - zoals wij die kenden in de vijftiger jaren, en in die zin is dat een nostalgieopwekkend geluksgevoel, of een geluksgevoel aanwakkerende nostalgie. En het is niet iets tijdelijks voor passanten, hebben we gehoord. Op een paar uur rijden zijn die vrienden in de Rockies, midden in een natuur die we in Europa niet kennen. Virtueel kan het dan wel mogelijk zijn om met God te leven als je in de Jordaan woont, maar op rijafstand van die stille bergen lijkt het me toch wel een stuk eenvoudiger. Canada was een van mijn laatste reisdoelen en ik heb er de plezierigste herinneringen aan, door de natuur die niet is aangetast door de horeca en andere commercie, en vooral door de mensen die niet zijn leeggelopen op de plaatsvervangende geluksiconen.

Kwam het omdat ik me niet thuis voelde tussen de ooms en tantes in die benauwende straat, dat ik weg wilde, of wilde ik gewoon de wijde wereld in? Tegen zonsondergang zat ik vaak in de erker te kijken naar de horizon achter de weilanden, die ophielden bij de duinen. En op m'n kamer las ik over de landen die daar achter de horizon lagen, maar in m'n jongensjaren kwam ik niet verder dan België, wel heel spannend, maar niet ver genoeg.
Doe niet zo moeilijk, zei Ramses Shaffy die net terug was uit Parijs, ga gewoon man, wat kan er nou gebeuren? Maar hij, dacht ik, verstaat de kunst om mensen te enthousiasmeren om hem onderdak en eten en drank te geven. Dat is niets voor een verlegen jongen als ik.
Het duurde nog tien jaar tot ik de sprong naar buiten durfde te maken. Heel vroeg weg, snel doorrijden en om acht uur reden we op een avenue in het centrum van Parijs. Omdat ik van tevoren de kaart had bestudeerd wist ik waar we reden en hoe ik door het stratenplan moest sturen. We parkeerden de auto en dronken een cappuccino in een barretje en we voelden ons globetrotters. Na een kwartiertje van verbazing over onze verovering van de wereldstad vervolgden we onze ontdekkingsreis in de richting van de Eiffeltoren, stopten daar ook even, om te kijken, om te laten bezinken wat we allemaal in een half uur hadden beleefd. Verder. Na de Champs Elysées draaiden we met hoge snelheid rond de Arc mee in de race en schoten het plein af weer terug naar de left bank. Ik zag Henry Miller, Sartre, Camus. Kruipend verkeer in smalle straten. Huizen die leken op de gevels die ik elke dag zag op weg naar school. Wat was ik er mee opgeschoten na al die kilometers? Mensen met stokbroden. Nergens een parkeerplaats. Het werd warm in de auto. Een flic die driftig gebaren maakte dat ik door moest rijden, maar ik wist niet meer waar naar toe. Ik vond een avenue naar het Oosten, en binnen een half uur werd het verkeer weer rustig op de snelweg naar Amsterdam. Is er wat? Wat is er? Vraag ik mijn vrouw. Heb je de pé in?

De ongeplande en voortijdig afgebroken reis naar Parijs heeft me niet weerhouden om opnieuw m'n grenzen te passeren. De volgende keer reden we langs Parijs naar Biaritz, en achter een heel snel en vaardig gereden grote Fiat 2300 Coupé de Pyreneeën door. Raampje open en een mini-tukje en verder naar Alicante, waar we in alle vroegte een jongen ook in een Alfa zagen rijden, die ik even tevoren in Amsterdam had aangesproken over zijn aluminium wielen. Opnieuw sprak ik hem aan en hij wees de weg naar onze vrienden waar we zouden logeren. Een weekje maar, waarvan slechts vage herinneringen overbleven, het snerpen van een cirkelzaag door de stilte die van de krekels was, in een vakantiestad in aanbouw. Gebruinde inertie, blasé gesprekken, huilen op het zinloze strand om de kinderen die we hadden achtergelaten. Toch een belevenis, om te weten te komen op welke manier welk soort mensen hun bruine vakanties doorbrachten.
Al die verhalen. Ik wilde zelf wel eens zien hoe het was, en wilde de plaatjes uit de tijdschriften en de films wel eens zelf beleven. We reden naar de meren achter de duinen in Denmarken en een onvergetelijk knus landbouwlandschap, Hollandser dan hier. De ontroerend stille hoogvlakte boven Trondheim, waar ik alle boeken van Knut Hamsum las op de veranda's in het eeuwigdurende licht tot twee uur in de ochtend. Belevenissen waaraan ik een rijke diversiteit aan beelden heb overgehouden van het mooie van het leven op aarde. Bevreemdende ritten door Oost Duitsland naar Berlijn. Leipzig, waar ik de aanwezigheid van mijn vader heb gezocht en Nürburgring waar ik de spirit zocht van Hermann Hesse en Huschke von Hanstein, de racende baron.

Dit gaat te ver, ik weet het, het wordt vervelend, dit opstel over de plaatsen waar ik allemaal geweest ben, zonder nog echt in te gaan op het bijzondere van mijn belevenissen in New York, een vent die werd achternagezeten wordt door cops met getrokken pistool, tussen de wolkenkrabbers over de daken van geparkeerde auto's, geen filmbeelden, maar echte herinneringen in m'n achterhoofd. Aldoor die sirenes ook, tot m'n kop bol stond. En het maken van een foto van het monument op de evenaar in Equador, en nog was het niet genoeg, want ik wilde naar Peru, een regenboog zien in de sombere lucht boven Patagonië, en Australië, maar ik kom tijd en geld tekort. Ik heb nog lang niet genoeg beleefd. Op weg van het vliegveld in San Salvador wilde ik weten waar die mannen naar toe op weg waren die langs de snelweg liepen, allemaal met een machete aan hun riem, I wanna know what's in their bag, zei ik tegen de chauffeur, om daar te lopen, wat de levensweg was van zo'n man. Hij is een boer, zei de chauffeur, en hij loopt naar z'n veldje. Zoals alle boeren op de wereld.
Ik wilde weten hoe het voelde om een Brit te zijn, op de bank voor m'n middeleeuwse huis te zitten en te luisteren naar het bloed in m'n oren, en alle gesprekken te horen, en alles te weten. Ik wilde weten hoe het voelde om anders te zijn dan ikzelf. Ik besefte me dat de invalshoek van waaruit eenieder het leven ervoer een heel smalle was, en dat iedereen een ontzaglijk beperkt beeld had van het leven op aarde. Ik zocht een bredere hoek. Of jaagde ik iets anders na, was ik verslaafd aan het warme gevoel dat misschien simpelweg het gevolg is van een doorlopende opwinding? Voelde ik me thuis in Chicago omdat ik de locaties zo goed ken uit de films en er daardoor zo vertrouwd mee was? Waarom wilde ik zo graag koffie drinken op Fishermans Wharf in San Francisco? Of in een ouwe tweedekker met Richard Bach over de lege vlakten van Nevada vliegen, North by Northwest. Waarom alsmaar die hunkering om die ervaringen in te nemen en alsmaar opnieuw? Was ik bevreesd om niet alles gezien te hebben voordat het niet meer mogelijk was?

Een van de typerende eigenschappen van een autist is een afgemeten strakke dagindeling. Omdat ik die niet heb, wat ik me nu opeens realiseer, kun je wel zeggen dat ik niet voldoe aan het profiel van een autist. In plaats van te leven volgens een verchroomde tijdsplanning improviseer ik al mijn bezigheden dwars door elkaar, uitgaande van waar ik behoefte aan heb, of juist niet. Mijn to-do list heb ik in m'n achterhoofd, maar soms kunnen onverwachte telefoontjes de planning geheel in de war gooien, zodat ik van mezelf het beeld heb van een bon-vivant.
Op een van de heetste Zondagen van de laatste jaren had ik gepland om werkzaamheden te doen die ik vóór Maandag gedaan wilde hebben, maar de hitte maakte me landerig en ik zocht een ander plaatsje, om iets anders te doen, onder een grote boom aan het kanaal voor ons huis, waar het leven tobberig voorbij glijdt in plastic badkuipen en af en toe een vlet, bestuurd door een gezapige man die trots en verveeld zijn voor zich uit kijkt en niet naar z'n vrouw die zich volgzaam maar ongemakkelijk de ook voor haar nieuwe watersport laat aanleunen, en ik denk aan Siddhartha, die aan de rivier terug kijkt op zijn leven en eindelijk de zon in het water ziet schijnen, en ik schrijf dit op voordat ik het ben vergeten. Terug drijvend naar vroeger dagen komt Tagore in beeld, en drink ik van zijn rivier, en zie ik de passanten op het water in een ander licht, en ben ik gelukkig dat ik hier zo mag zitten, dat dit mij, en ons dus, zo rijkelijk geschonken heeft. In gedachten glijden wij over het goudglinsterende water naar het einde van de regenboog, boven Golden Pond.

 

Click naar hoofdstuk 14.

 

To the Phlog.