© The images & text on these pages may not be reproduced, republished or mirrored on another webpage, website or printed without prior okay. We'll find out eventually when they are.
Features, articles, sailing, Hans Arend de Wit

 

14

Kees' veertiende hoofdstuk: Hoe het voelt om anders te zijn.

Ben ik anders, wezenlijk anders? Dan wie? De onuitputtelijke behoefte tot het rechtstreeks innemen van inzichten, uitzichten, vergezichten, panorama's, invalshoeken, perspectieven, standpunten en zienswijzen van anderen, is dat soms anders zijn dan anderen?
In de zandbak zag ik al dat andere kinderen een vanzelfsprekende voorkeur hadden voor bepaalde woorden en stopwoordjes die mijn vreemd waren, die ze herhaaldelijk gebruikten, waardoor zij in een kringetje leefden en daarin bleven ronddraaien. De vanzelfsprekendheid daarvan leek me de oorzaak dat ze er niet bij na hoefden te denken; de woorden die zij gebruikten kwamen vanzelf buiten hen om naar buiten.
Zijn persoonlijke voorkeuren voor sfeer, spanning, stijl, engagement of juist vervreemding wel persoonlijk, of hebben die meer een erfelijke afkomst? Is een hang naar het absurde erfelijk, of in die zin malligheid? Na al die jaren dat mijn vader er niet meer is word ik door mijzelf verrast als ik een woord gebruik, of tot een conclusie kom, die typerend voor hem was. Is dat wat bedoeld wordt met voortleven in een ander? Al die hebbelijkheden en onhebbelijkheden, zijn die bij elkaar iemands karakter, of persoonlijkheid? Of is er toch echt meer, zoiets als een ziel?

Ik denk nu even aan oom Karel, onze overbuurman, terwijl ik met mijn liefje, mijn vrouw, van Bergen op de fiets onderweg ben naar Bergen aan Zee.
Voorzichtig hoor, roept ze, terwijl we in de hoogste versnelling van een heuvel rijden, je hebt dan wel het hoofd van een 18-jarige, maar de reacties van een oude man!
Maar die reacties, roep ik terug, komen uit m'n hoofd, en dat is niet veel ouder geworden!
Als oom Karel van de overkant de straat in fietste floot hij een paar tonen, een korte jingle. Dan zei m'n moeder: Oh, daar is oom Karel's fluitje. Of kortweg zei ze: Daar is oom Karel.
De hele familie van de overkant had dat fluitje. Andere families in de straat hadden ook hun eigen fluitje. Hoe kom je aan zo'n fluitje? Sommige families hadden er geen. Wij niet. Wij hadden wel meer dingen niet. We hadden geen geloof bijvoorbeeld. Als ik m'n geloof moest invullen, dan schreef ik: Geen. Hoe kan dat nou, vroeg ik aan m'n moeder, iedereen is hervormd, protestant of katholiek, of communist, maar wat zijn wij nou. Wij zijn niets, zei m'n moeder. Niets.
Waardoor is nou zo'n familie anders, vroeg ik me toen wel af. Zo'n fluitje was tenminste al iets. Je zag ook verschillen in de inrichting, de stijl van de meubels, de vloerbedekking en van het behang. Ik zocht begrippen en namen om in mijn gedachten orde op zaken te stellen. Zo'n naam, zo'n woord was bijvoorbeeld Cultuur. En ik bleef daar over nadenken. Om te focussen op deze fenomenen gebruikte ik wel het woord DNA toen daar meer over gepubliceerd werd, waarover ik later met professor A. over wilde praten, pakketjes codes, richtsnoeren dat je smaak bepalen en alles wat je vindt; en dat ben je dan, wat je vindt, wat je gevonden hebt in het leven, en wat je naasten vinden dat je vinden moet. En ik dacht dat als er veel codes overeenkomen met die van een groep anderen, je bij die groep kon worden ingedeeld, en dat als er veel verschilden er sprake was van anders zijn. En kan je dat zien, afgezien van de stijl van de kleding? Met een bevriende cabarettier heb ik meermalen, kijkend naar passanten, lopen filosoferen over de manifestatie van persoonlijkheden. Dat noemen wij type casting zei hij. We bespraken de mensen die ons opvielen, en we deden hun loopje na, maar kwamen er niet verder mee. In die tijd zagen we een nieuwe sketch in de Monty Python Show, van de The Ministry of Silly Walks. En nog steeds loop ik op straat met een virtuele kleine video camera, want de waarheid zie je op straat. Alleen zijn er geen codes voor om de verschillen in motoriek te noteren, en dan een link te leggen tussen de motoriek van het lichaam en de motoriek van het denken.

In de grond zijn we allemaal gelijk, is een algemeen axioma, het éne botje wat dikker of langer dan het zelfde botje in een ander mens, wat steviger of wat fragieler. Ons anders zijn wordt toch wel bepaald door de omvang, de lengte en de verhoudingen. Door het verschil in bouw lopen we verschillend, hebben we verschillende doelen en loopt alles anders ook anders. Verschillende botten hebben verschillende spieren nodig, verschillen in gespierdheid van de taal zijn daar misschien wel het gevolg van. Nu moet ik opeens terug denken aan Hennie op de lagere school die in het voorjaar met blote armen in de klas kwam en bovenarmen bleek te hebben die zó lang waren, en zó vormeloos bloot, dat ik er van schrok. Ze liep een beetje slungelig en praatte ook zo. Die zal nooit gaan praten als een gezellige energieke dikkerd, dacht ik toen. Vanaf dat moment heb ik altijd bovenarmen in de gaten gehouden, de verhoudingen met de onderarmen, en de vorm van de elleboog, waar het immers allemaal om draait. Opeens zie ik Els voor me, een paar jaar later, ook zo'n lang en een beetje slungelig meisje, met dunne armen, met diepliggende grote ogen die als ze je aankeek hoog in hun kassen stonden omdat ze haar hoofd moest buigen. Maar ondanks dat alles was zij hartveroverend. Ja, Els, wat heb ik lang niet aan jou gedacht.

Oh ja winkelen, het repeteren van een denkbeeldig boodschappenlijstje op weg naar de winkel, dat ik niet kan oplezen zonder tenminste één verspreking, en voordringen, en in rijen tegen elkaar aan drukken. Zo zijn er veel mogelijke oorzaken die bij Kees, zowel als bij mij, de handgranaat kan laten exploderen, tassen in m'n knieën, er iets van zeggen, een verontwaardigd antwoord krijgen, overstuur weglopen om erger te voorkomen, niet meer terug gaan en me zonder aankopen naar huis haasten. Houdt dat nou nooit op. Kan ik daar geen verandering in brengen?

Ik moet er wel om lachen, die term opgeschoten knullen. Opgeschoten knullen, bouwvakkers; ik hou liever een plezierig straatbeeld in m'n zoeker. Maar als je de weg niet weet is het lastig om alsmaar om te lopen, zoals op mijn route vanaf het station in Eindhoven naar een kantoor van Philips, waar ik even wat moest afgeven. Omdat er regen in de lucht zat had ik een paraplu bij me. Vanuit de verte zag ik ze al zitten, een dozijn bouwvakkers die zaten te schaften. Ik deed het natuurlijk heemaal fout, had m'n paraplu nonchalant in het midden moeten vasthouden en even lachend moeten opkijken, misschien wel even zwaaien. Maar nee hoor, inwendig liep ik te vloeken om de kreten die als bakstenen over de straat werden gesmeten en steeds smeriger werden.

Die vreselijke irritatie tijdens het eten is ook iets dat ik nog helemaal niet onder controle heb, hoewel ik, haast ik me te zeggen, daar met mijn lieve vrouw gelukkig geen last van heb, zij mag alles, als ze maar tijdig d'r kauwgom wegdoet als we in de auto stappen.

Het kleine beetje onverstoorbaarheid dat me in de loop der jaren over me is gekomen, heeft veel verschil gemaakt heb ik mogen ontdekken, en omdat ik kennelijk niet meer zo bevreesd door het leven ga als een angsthaas en overkomt me niet meer zo vlug waar ik altijd zo bang voor was. De laatste tijd althans, want ik herinner me nu opeens een van de ervaringen die me overkwam die je in Amsterdam gewoon kunnen overkomen.
Als ik langs de grachten liep, stak ik altijd over als ik mensen zag aankomen die op mij link overkwamen. Zo denk ik veel ontlopen te hebben, wat me niet lukte toen er eens kerel over het trottoir op me af kwam rijden en op mijn hoogte zijn rechter vuist uithaalde en me daarmee midden in het gezicht raakte. Ik kreeg geen glas in m'n ogen zodat ik bukkend de scherven nog kon zien. Wel veel bloed. Trouwens was dit al de derde keer dat ik het slachtoffer was van onvoorzien en onbegrijpelijk geweld. Dus zelfs mijn grote argwaan bleek niet voldoende.

De angst van Kees voor wat er allemaal verandert en verdwijnt in het milieu heb ik zelf wat kunnen afzwakken. Maar het stijgende water blijf ik op termijn angstaanjagend bedreigend vinden, en als ik uit het raam naar het Westen kijk, dan zie ik de watermassa's de straat binnen golven, met boten die tegen de ramen slaan, gillende mensen die niet weten wat hun is overkomen en het water dat stijgt en de levensplannen in het water laat vallen, alles verzwelgt. Een catastrofe van een titanische omvang die wij ons niet kunnen voorstellen, maar wel onafwendbaar zal blijken, zoals in Bangladesh, maar dan dichter bij dan het tv-journaal. En dan zijn er nog al die andere catastrofes die de wereld in de loop van duizenden jaren kunnen treffen, maar ook morgen, zoals een verwachte landslide op de Canarische eilanden een vloedgolf van tientallen meters hoog zal veroorzaken, die de hele Amerikaanse Oostgrens zal wegvagen, van Miami tot Boston en hoger. En de vulkanen. De Vesuvius, en een gigantische vrijwel onbekende en minder bekende vulkaan in Wyoming, die met z'n onstuitbare uitstoot een wereldcatastrofe zal ontketenen, die door droogte en overstromingen een groot deel van het leven op aarde zal verwoesten, waarna het honderd tot honderdvijftig jaar zal duren eer er een nieuwe vorm van leefbaarheid zal ontstaan. En aardbevingen, de San Andreas Vault, waar ik nauwelijks aan dacht toen ik in San Francisco rond liep en over de Bay Bridge reed, is ook zo'n ketting van tijdbommen. Ja, Kees, ik leef met het voortdurende besef dat het einde van ons eigen boek om de hoek ligt. Hoe lang hebben we nog? Hoe laat is het Kees? Heb ik nog even? Hoe laat is het Koos? Precies?

Omdat het verstrijken van de tijd door iedereen anders wordt ervaren - kruipt de tijd in de wachtkamer, en gaat de tijd in dagen tegelijk voorbij vliegt tijdens een opwindende vakantie - ben ik altijd geïnteresseerd geweest in de wetenschappelijk juiste tijdmeting, zodat de persoonlijke interpretatie eraf was. Mijn eerste horloge was het zakhorloge dat mijn vader van de burgemeester had gekregen - geen ketting, maar een blauw, zelf gedraaid koord, daarna een oud polshorloge, ook van mijn vader - waarmee ik nog op een schoolfoto sta - dat ik droeg tot ik een nieuw horloge kreeg voor mijn verjaardag, misschien wel in het jaar dat ik de lagere school verliet. Dat was een doorzichtig horloge, waarvan het uurwerk aan de voorkant en ook aan de achterkant zichtbaar was. Dat heb ik een hele tijd gedragen. Als ik keek hoe laat het was dacht ik vaak aan die speciale waardering van mijn ouders, die bleek uit de speciale keuze van dit horloge. Het volgende horloge dat ik kocht was een Doxa, een mooi verschroomde rechthoekige kast met ronde hoeken, prachtig prachtig, gaaf. Toen smolt voor een klokje in een gouden dollar gaf ik de Doxa aan mijn schoolvriend die me nooit had laten meezeilen, als een cadeautje omdat bij me was komen werken, die het minstens zo mooi vond als ik. Niet lang daarna werd het Bulova Accutron stemvorkhorloge geïntroduceerd, dat mij de meest accurate tijd zou geven die een horloge maar kon geven. Ook doorzichtig, groengekleurde onderdelen van uurwerk en twee mini-mini-spoeltjes waartussen een vorkje heen en weer trilde met een vast aantal bewegingen per seconden. Vrijwel onzichtbaar onder het groene chassis lag in wat ik in scheepsbouwtermen een reductiekast noem, waarin tandwielen de trillingen terugbrachten tot de voor het uurwerk nodige aantal omwentelingen per seconde. Preciezer kon ik niet op tijd zijn!
Toen ik begon met vliegen kocht ik een horloge zo als mijn vliegvriend droeg, een automatische Rolex Air King, die ik nog steeds af en toe draag. Een horloge kies ik zoals een man een das kiest, passend bij de gelegenheid, of de stemming. De Breitling Navitimer, een horloge dat tevens een rekenschijf is, en uiteraard een accurate stopwatch. De Omega van het type dat op de maan is geweest, heb ik weer weggedaan omdat het toch wat te gewoontjes was. Een machinistenzakhorloge van Elka Watch op m'n nachttafeltje, bij meneer Kiek gekocht. En dan kwam de Railway Accutron als railway officially approved watch. Een week ben ik erg opgetogen over een Rolex Daytona, die ik na een tijdje inruilde voor een IWC pilot watch, dat ik nog steeds geregeld met plezier draag. Na de IWC Titanium, een groot, heel fraaie tijdmeter, kocht ik een heel verfijnd IWC quartz-uurwerk, de Ingenieur. Een heel rijtje nu, dat ik uitbreidde met een elegant vijftiger jaren model, dat ik eigenlijk in de vijftiger jaren had moeten kopen en daarna een heel stel horloges niet. Een nieuwe quartz-versie van de Breitling Navitimer, met in een digitaal venster een timer, een wekker, een tweede tijdzone, terugtelfunctie en stopwatch, het horloge dat mij 's morgens om 06:15 wakker maakt met een engelenbelletje, en dat ik altijd op reis draag, en in het vliegtuig overschakel op de tweede tijdzone. Een horloge dat eigenlijk helemaal buiten deze rubriek valt is het Bulgar-horloge dat werd ontworpen door de Amerikaanse kunstenaar, ex-fotograaf, schilder en tekenaar Victor 4 en technisch gerealiseerd door André Oostenbrink, die indertijd een winkel had in de Vijzelstraat, die in de loop der jaren het scheefste pand van Amsterdam werd. Ik droeg de Bulgar op dagen dat ik me heel sereen voelde en romantisch geïnspireerd, omdat de 12 onderaan stond waar normaliter de 6 staat, met een extra handicap dat het uurwerk achterstevoren liep; mooi van styling, zwart, mooie wijzers, leuke secondewijzer, witte sjablooncijfers als op kisten en schepen, een door Victor veel gebruikt type. Het heeft ons een tijdje gekost om te leren klokkijken op het grote exemplaar dat in de keuken hangt, maar onze schoonzoon had het direct door. Stel je een spiegel voor, zij hij, en stel je voor dat je de klok in de spiegel ziet, dan zie je hoe laat het is. Wat ontbreekt op de wijzerplaat, maar wat ik wel altijd zie, is het levensmotto van Victor: The Time is Now! De gedachte hieraan helpt me wel eens met het stoppen van gepieker en herinnert me eraan dat ik van het moment moet profiteren, en genieten als mogelijk.
Kees heb je nog even tijd? Sla dit anders maar over!
Van een vriend kreeg ik een Junghans wandklok, radio controlled door een radiosignaal uit Frankfurt, die nu al ruim tien tot op een seconde de tijd aangeeft. En nu van een andere goede vriend een radio controlled Breitling bureauklok, pontificaal op de tv, een monumentaal kunstwerk, in de vorm van een vliegtuiginstrument, zwart, witte wijzers en cijfers, vierkant met schuine hoeken, zoals de authentieke instrumenten. Nu kan ik de éne precieze klok met de andere checken. Ik had ze al eens zien staan, radio-controlled horloges, maar ik vond ze niet mooi, en vroeg er eens naar aan meneer Van der Tuin, één van de laatste horlogers die het vak nog verstaat. Die horloges schijnen niet zo erg te voldoen, zei hij, maar kijk eens buiten. Aan de gevel hing een grote klok zoals op de stations van de Zwitserse Spoorwegen, heel strak en simpel en grafisch cool vormgegeven, van Mondaine, het merk van inderdaad die stationsklokhorloges. In de tuin stond een ontvanger, vertelde de horlogemaker, die het signaal opving en doorstuurde naar de klok aan de gevel, naast de deur. Meneer Van der Tuin wees me erop dat de rode secondewijzer, met een rood, prominent schijfje aan het eind, bij de twaalf even stil stond en na een seconde met een sprongetje weer snel de tijd inhaalde. Hij liet me een horloge zien waarvan de secondewijzer dat zelfde sprongetje maakte. Dat was niet goedkoop, dat sprongetje, en het horloge was ook niet zo mooi als het nieuwe model dat net was binnengekomen, en dat hij zelf nog niet eens gezien had, met grote datumcijfers, veel groter dan de gebruikelijke. Een nieuwe constructie, zei meneer Van der Tuin. En omdat ik een uur eerder te horen had gekregen dat er een nieuw tijdperk in mijn leven was aangebroken kocht ik het meteen, want ik wil daar aan herinnerd worden, dat ik die oude fase moet vergeten, en wel elke keer als ik op mijn horloge kijk. Een icoon, een mijlpaaltje. Ja Kees, nu is het de hoogste tijd om deze alinea af te sluiten.

Ik lees m'n teksten door, en zweef in gedachten met een helicopter door het landschap waar ook de auto rijdt uit mijn teksten, en ik laat me gelijktijdig een beetje leiden door de vijfde van Shostakovich, en ik heb niet alleen contact met m'n gedachten die ik zelf heb opgeroepen met mijn teksten, maar ook al hetgeen dat binnen komt via de luidsprekers. Soms verbeter ik wat.

Wie ben ik nu eigenlijk, dat ik zo ver opga in de teksten en in de beelden die de muziek oproepen? Zijn weij zomaar zonder meer onszelf, of delen we ook alle ervaringen die we van anderen binnenlaten, of misschien zijn we wel meer dan dat, en zelfs vooral dat. Hebben wij hoogtevrees omdat we onze fantasie niet kunnen stop zetten, ons inlaten met beelden die we eens hebben gezien, en de angst dat we onszelf niet in de hand zullen houden, een moment nadat we kunnen beslissen om ons te laten gaan, bang dat we een stap te ver zullen gaan, zoiets als de angst dat we niet zullen meesturen met een bocht, of de derde zoen vol overgave in het midden zullen plaatsen? Het valt niet mee als je boven staat, je valt te pletter als je blijft weifelen over wat er gaat gebeuren. Is hoogtevrees niet hetzelfde als elke andere vrees? In een volle winkel vragen om speltbrood, dat je toch niet lust, en dan meteen, zonder aarzelen zuurdesem zeggen als er om de soort wordt gevraagd, en je dan distantiëren van de mogelijke gedachten die anderen in de winkel zouden kunnen hebben. Wat een vreemde man. Is zijn vrouw niet in staat zelf boodschappen te doen? Waarom niet gewoon bruin brood? In een flits een afgrond zien van nuffige mufheid bij middenstandsvragen, kloven waar je boven wil blijven staan, is dat vergelijkbaar met hoogtevrees, of dieptevrees eigenlijk? In steeds meer situaties heb ik gaandeweg mijn vrees overwonnen, zelfs deze ochtend nog, toen ik zuurdesembrood moest halen (ja, ja, ik verzin niet zo maar wat) maar gelukkig wel meteen aan de beurt was en ik mezelf voor niets had opgefokt.

Steeds meer krijg ik ook zelf te maken met de drukte op de wegen, en steeds vaker zit ik in zo'n van de file van de nieuwsberichten en het journaal, niet een computer file, van documenten, maar een lange rij auto's als in een defilé. Van de momenten dat ik stil sta maak ik gebruik om op de Communicator dit mailtje te schrijven. En passant houd ik de Opels in de gaten, een Focus rechts voor me, een XM, een Skoda, een Golf, een Clio, ik zie ze wel, maar ik maak en passant ook andere notities, om het virtuele contact te onderhouden met mijn kringetje, terwijl ik luister naar de eerste symfonie van Brahms, de eerste van de drie waarvan ik cd's meegenomen heb. Voor dit ritje, waarvoor ik in normaal verkeer een klein half uur dacht nodig te hebben, is zelfs deze ruime planning misschien te optimistisch. Door Brahms hebben de donkere wolken een Duits tintje gekregen. Zo zie ik de wolken in het Oosten donkeren als ik even een stukje kan oprijden, in het Westen, waar de wind vandaan komt, zijn ze niet veel lichter. Bij Vinkeveen komen de krap op elkaar staande schuurtjes in beeld, nog steeds in aanbouw, stenen cabines die villaprijzen moeten opbrengen. Als ik weer een stukje mag oprijden, vijftig, of doorrijden, soms wel honderd meter, dan voel ik dat als een inbreuk op mijn rust. Er komt even voor Utecht een lange open ruimte op de weg waarop ik met een vaartje kan opschieten. Boven de stedelijke uitlopers krijgt het wolkendek een heel donkere leisteengrijze kleur, met aan een grillige wolk, die zich een beetje heeft losgewerkt van de rest, een schril verlichte bovenkant. Ik rij een afslag voorbij die ik misschien wel moest hebben. Spatjes op de voorruit. Dan komt een volgende afslag, snel uitvoegen. Op de rotonde, in het Westen, in de donkere lucht ver boven de bomen, staat een regenboog. Ik reken er op dat God met me zal zijn als ik eenmaal ter plaatse bij de kerk ben die ik moet fotograferen. Als ik in de pastorie koffie drink kan ik dit mailtje niet versturen omdat mijn account uit het geheugen is verdwenen. Daardoor is het wat later geworden.

 

15

Epiloog

Het overvalt me, dat ik al wat ik hiervoor, hierboven heb geschreven nu al zou moeten afronden. Het boek van Kees Momma heeft me inzichten en vergezichten gegeven waarop ik wilde reageren, omdat ik overeenkomsten zag tussen zijn manier van in het leven staan en de mijne. Nadat ze mij het boek had gegeven, had mijn dochter me nog eens gezegd, dat zij de overeenkomsten wel had gezien, maar dat ik daardoor nog geen autist hoefde te zijn. Ik heb hier veel over nagedacht, en over haar natuurlijke en verworven inzicht in mensen, en over hoe weinig zij weet van mij, hoe ik haar jeugd heb ervaren, over het gebrek aan closer contact dan wij hadden. Dat is ook een van de redenen dat ik dit ben gaan schrijven.
Ik schrijf de alinea's voor deze epiloog tijdens een kleine vakantie in Berlijn, ik tik de regeltjes op mijn Nokia Communicator, een inval hier en een notitie daar, tijdens het ontbijt, later op de ochtend tijdens Kaffee mit Kuchen in de Wintergarten van het KaDeWe warenhuis en een alinea bij de thee op het zonnige terras van Kempinski op de Kurfürstendamm, op een avond een paar regels op het binnenterras van het nieuwe Sony Centre op de Potsdammer Platz en een hele alinea tijdens de vaartocht over de Wannsee. En stukjes in bed, zoals deze regels. Het kussen is niet stevig genoeg.

Ik denk veel aan m'n vader, met wie ik hier naar toe had moeten gaan, nadat we Stassfurt en Leipzig hadden bezocht, de plaatsen waar hij tijdens de oorlog door de Arbeidseinsatz was ingekwartierd. Nu is het te laat. Inmiddels heb ik nu al de leeftijd van m'n vader en is hij er niet meer. De redenen waarom ik dat niet heb gedaan zijn te futiel om nu nog geldig te zijn. Dat ik heb nagelaten die reis te maken is één van de weinige domheden waar ik spijt van heb.

Op het nachtmeubel aan mijn kant van het bed in onze Berlijnse hotelkamer liggen twee zwartwitte Ansichtkarten die mijn gedachten verbeelden die ik had over de oorlog en over het leven erna en wat de oorlog heeft teweeg gebracht bij mijn ouders, en de koude oorlog die ik wat bewuster heb meegemaakt dan de allesverwoestende oorlog in de jaren 40-45. Op de kaart die mij het meest frappeert staat een foto van een zonnige gevel van een eindeloos lang huizenblok. Daartegenover, in de schaduw, staat de muur met z'n verdwijnpunt op de horizon. Met een knik gaat ie na een paar honderd meter over de Prenzlauer Berg omhoog - een heuvel eigenlijk - waar de muur vager wordt in de heiigheid van het onbebouwde landschap. De herinneringen aan vervaagde tijden komen terug, worden scherper. Vanaf één hoog kunnen de bewoners vanuit de flats over de muur naar het Westen kijken, waar de toekomst ligt. Ik zie wat ik zelf zag, toen ik naar het Westen keek vanuit de erker in mijn geboortehuis, en nu vanuit onze eigen flat, naar onze eigen horizon na de oorlog. Op één van de balkonnetjes staat een Mensch, beetje voorover gebogen. Op de tweede Ansichtkaart rijdt een buggy, of staat even stil voor de fotograaf, voordat het de hoek om gaat, een beeld van mobiliteit en ondernemingszin. De buggy is de achterkant van een doormidden gezaagde Trabant, getrokken door een ezel. Op de achterbank een echtpaar van middelbare leeftijd. De vrouw die rechts zit heeft de leidsels in handen, de man die links zit steekt een spiegelei uit, als een stationschef, en geeft daarmee de richting aan. Schuin achter de buggy loopt een ouwe hond. Ook na vijf minuten heeft de ezel nog niet bewogen. Het vervoermiddel is een toonbeeld van optimistische inventiviteit, waarmee de bouwer het wel zal redden. Op de foto is de man in de vijftig, dus zal hij inmiddels in een Mercedes rijden, of niet meer leven.
Beide kaarten zijn voor mij niet direct symbolisch voor de koude oorlog zoals ik me die vanuit mijn beschermde omgeving had voorgesteld, maar wel tekenend voor de grote veranderingen die je in het leven kunnen overkomen, vandaag de dag, of morgen, als ik het even zwartwit zie, zoals we toch uiteindelijk leven aan de rand van Nacht und Nebel.

Vanaf ons hotel in een voorstad rijden wij met het gezelschap met de bus Berlijn in zoals ik even na de 'Wende' in de nacht de stad in reed naar de Alexanderplatz. Net als toen gaat de route langs de muur die ik toen niet gezien had maar wel tientallen Trabants en Wartburgs, die er nu niet meer staan. De flatgebouwen zijn opgeknapt. De muur, links pal naast het wegdek, is geheel overdekt door graffiti, de East Side Galeria in de Volksmund. We stappen uit om foto's te maken. Gelukkig heb ik m'n camera's geladen 200 ASA film, zodat bij uitvergroting de platen er briljant en scherp zullen uitzien.

Even nadat het boek uitkwam - een jaar of veertig geleden - had ik met een blos The Outsider van Colin Wilson gelezen, en zag verwantschap met de hoofdpersonen in veel van de boeken die hij daarin besprak. Camus, Sartre, kende ze ook, en ik kon in de beschreven situaties en levens me zo meegaand inleven en meeleven dat het toen duidelijk werd welke relatie ik heb met de mensen in mijn omgeving. Ook toen, zoals nu het boek van Momma door m'n hoofd speelt, ervoer ik de gaten in mijn sociale vaardigheden en het gebrek aan talent om soepel met mijn medemens te dansen niet als een gebrek. Uiteindelijk ben ik heel gelukkig geworden met mijn partner en heb ik een innig gevoel voor een paar goede vrienden, en ervaar ik mijn gemis niet zo als een gemis. En ik heb gezien dat hetgeen ik zou missen heel betrekkelijk is. En hier in Berlijn zat het me ook erg mee; ik heb geen ruzie gemaakt, zoals met die hooghartige Parijsenaar die zo ontoeschietelijk was, of de bediende in Venetië, die me voor koffie en thee het viervoudige vroeg van wat ik hier gewend was te betalen. Bezoeken aan vreemde steden in vreemde landen zijn linke uitjes voor een autist, en ook voor mij. Maar deze week heb ik relaxed gelachen, met de mensen van de Kaffee en de Tee, van de boeken en tijdschriften, en van de Schnitzel en de Scholle . Zo kwam ik tot de ontdekking dat mijn Wohlbefinden een grote invloed heeft op de manier waarop ik reageer op de mensen in mijn omgeving en zij op mij, zoals nu ook weer met de mensen in ons reisgezelschap. Les Eén.

Het nieuwe Joods Museum bleek indrukwekkender te zijn dan op de tv. Oppervlakkig gezien leek het in stijl op het nieuwe Guggenheim in Bilbao van Gehry, dat op mij overkwam als een jongensstad, maar deze architect, Daniel Libeskind, had dit museum heel diep doordacht en de teloorgang van een volk in de vormgeving zó aansprekelijk gevisualiseerd dat de way out moderne vorm heel vanzelfsprekend en vertrouwd is.
Het desoriënterend perspectief in de Holocaust Turm, had net zo'n verrassende zeggingskracht als het monument van de boekverbranding op de Bäbelsplatz, dat een raam in de plein was, waardoor men witte boekenkasten zag, met lege planken, waarop de boeken hadden gestaan met het grote gedachtegoed van de denkers en van het volk dat daaruit de inspiratie tot het leven putte. Zo was ook de Garten des Exils op een binnenplaats meer dan een indrukwekkend monument, meer dan de negenenveertig - het huisnummer van mijn geboortehuis - schuin staande betonnen zuilen die onverwoordbare emoties binnen dreunden. Boven op de kolommen jonge wilgen als in enorme vazen, of zijn het linden? Unter den Linden? Duizend jaar eenzaamheid. Eindeloos wachten op een regenboog.
In het museum lopen wij met nederig door lange oplopende en neergaande gangen met doffe, aszwarte muren en glanzende, zwarte leistenen vloeren. Alle gedachten aan aberraties als autisme, pleinvrees, en stress, worden door de zwarte omgeving opgeslorpt als wufte lichtzinnigheden. Heel hoog, aan een eindeloos omhoog voerende trap, voorbij de ingang links naar een zaal waar de tentoonstelling wordt voortgezet, gaat de trap verder omhoog, maar loopt na een klein dozijn treden dood op een witte muur. Ik hoor wat er gezegd werd door mijn oudste zakenpartner, tijdens de machinaties om mij uit de firma te verdrijven: 'Het is niet het einde van de wereld'. Gelaten zet ik toch een paar stappen op de rest van de treden en loop dood tegen de muur, een blinde muur.
Het grillige grondplan van het museum, dat de indruk geeft van een bliksemschicht, blijken in het verlengde te liggen van de lijnen die lopen naar de huisadressen van grootheden in de Joodse cultuurgeschiedenis, Heinrich von Kleist, Heinrich Heine, Mies van der Rohe, Rahel Varnhagen, Walter Benjamin en Arnold Schönberg.
En passant wordt de bezoeker uitgenodigd om op een roestvrijstalen computer, die een compact monument is, zijn familienaam in te tikken, die even later in Hebreeuwse karakters op het scherm verschijnt. Herfst. Ik neem het over in mijn notitieboekje.

'Wetend wat er gebeurd is,' zegt mijn altijd weer verassende reisgenote door het leven, 'had het museum helemaal niet ingericht hoeven worden. De vormgeving is al een kunstwerk waarmee de chaos wordt verbeeld die die waanzinnige heeft teweeggebracht.'

'Op een paar veelzeggende iconen na,' zeg ik, 'en dat is ook gebeurd, die paar foto's en attributen staan voor het leven van die miljoenen. Die hebben een geweldige uitwerking.'

Tijdens het avondmaal met ons gezelschap kwam het gesprek op wat iedereen deed voor beroep. Het was een open en eerlijk gesprek, waarin werd gesproken over ieders successen en teleurstellingen in het leven. Een landschapsarchitect vertelt hoe zijn dochter in de firma kwam na haar studie rechten, een gewezen rechter vertelt hoe hij zijn carrière heeft voortgezet in een andere interessante richting en ik vertel hoe ik mijn bureau heb verlaten en zelfstandig ben verder gegaan.
'Hoe ging dat dan?' vroeg de advocaat en ex-rechter. Ik vertelde hem hoe mijn ex-partner, met wie ik bijna veertig jaar een bureau runde, tien jaar eerder had geprobeerd mij er uit te werken, en drie jaar geleden opnieuw, hoe hij mij met een nieuwe, derde partner had uitgerookt, totdat er door een mediator uiteindelijk een financiële overeenkomst was bereikt, waar de partners zich, een tijdje nadat ik was opgestapt vervolgens niet aan hielden, en nu met listen en leugens via advocaten problemen probeerden buiten de deur te houden. Ons gesprek werd beëindigd door een vallende serveerster die onze aandacht vroeg.
Je was er toch zelf bij? Al vanaf het begin van de samenwerking was er een verschil in kijk op zaken. In plaats van te kijken naar de knelpunten in het werk en in onze relaties en de problemen op te lossen zei hij: 'Tel je zegeningen.' Hij was niet aanspreekbaar op kritiek en was misschien zelfs niet in staat om naar de werkelijkheid te kijken. Mij noemde hij een zwartkijker. De zaak groeide. En door zijn onzakelijke behandeling van de klanten liepen we op opdrachten steeds grotere verliezen op. 'Tel je zegeningen.' Een ander cliché was: 'Je kunt ook bedenken dat...' Waarmee elke discussie onmogelijk werd. Steevast wilde hij onder de vraag om ergens over na te denken uit komen door onnadenkend met een onzinnige opmerking te komen waarmee het gesprek afgelopen zou zijn. 'We moeten scherper calculeren,' zei ik vaak, 'en het rendement in de gaten houden.' 'Je kunt ook bedenken dat we toch al aan de dure kant zijn,' zei hij dan bijvoorbeeld, daarbij aangevende dat hij weer aan het werk moest, om geld te verdienen.'
Hij werd dan overvallen door een bui van Oost-Indische doofheid waardoor hij niet meer met mijn kritiek rekening hoefde te houden. Dit is de sympathieke versie. Een lieve versie is dat hij de dag plukte, zonder enige rekenschap. Om te vertellen hoe het gevecht emotioneel, zakelijk en financieel verder werd gevoerd gaat hier te ver.

De volgende ochtend hadden wij ons ten doel gesteld om rond te kijken op de Fernsehturm op het Alexanderplatz. De hoogte van meer dan tweehonderd meter was vanaf het plein angstaanjagend, maar het was windstil, en ikzelf was rustig. Twintig jaar eerder had ik niet nog eens in de Euromast omhoog gegaan, maar nu vond ik dat we niet beneden konden blijven. Het zou wel gaan, dacht ik. Naarmate ik meer was gaan fotograferen voor de jaarverslagen of de brochures die ik maakte bleek hoogtevrees een grote belemmering wanneer er op een hoger niveau gewerkt moet worden dan één meter vijftig. In zulke gevallen kan er natuurlijk een onbevreesde fotograaf worden ingeschakeld, maar budgettaire grenzen aan een opdracht zijn ook een realiteit. Op tweehonderd meter boven Berlijn maak ik foto's vanuit het restaurant, dat in een half uur in de rondte draait. Beneden blijkt dat ik toch zo nerveus was, of misschien alleen maar opgewonden over het uitzicht, dat ik de lens beneden in de zon had dichtgedraaid tot F16, wat zonder zon neerkwam op 1/15 seconde. Thuis bleek dat alle foto's haarscherp waren, zelfs bij een brandpunt van 70 millimeter, dus boven had ik m'n vaste mooi wel hand behouden. Gezien door de ogen van een Adler alle straten die we van de kaart kennen en de gebouwen van bezoeken en van langs rijden. De Dom, de Tor, de Kudamm, het Sony Centre, het nieuwe Joodse Museum.
Jaren geleden had ik mijn persoonlijke hoogtegrens al spectaculair verlegd door boven Manhattan vanuit een helicopter foto-opnamen te maken van een kantoorgebouw dat naast de World Trade Center Towers stond. Ik liet een van de deuren demonteren, zodat het beeld niet vertroebeld zou worden door het vertekenende kunststof van het raam. Met een stevige gordel om zou mij niets rampzaligs kunnen overkomen. De situatie was vergelijkbaar met het zitten op een deinend balkonnetje zonder balustrade, dat boven de diepten van het stratenplan zweefde, en heel wonderlijk, van de angst die zich anders niet liet vastsjorren was geen sprake. Veilig achter het dikke glas van het toeristenpanorama op de bovenste verdieping van zo'n Tower bleek ik er meer last van te hebben dan in de helicopter, omdat ik mij daar kon vasthouden aan mijn camera. De concentratie die ik in zulke omstandigheden weet op te brengen, en ook nodig is om de gewenste foto's te schieten, kan dan wonderen doen. Was ik genezen?
Daarna zouden er vanuit een hoogspanningsmast foto's gemaakt moeten worden van hoogspanningslijnwerkers, monteurs in de lucht, juist om op tricky locaties de hachelijke arbeidsomstandigheden voor de arbo-dienst in beeld te brengen, van mannen die op hoog niveau controles verrichten en reparaties uitvoeren, acrobaten zonder publiek, zoals zij zichzelf ook noemen. Hun werkvloer hing in de lucht en was niet anders te bereiken dan door er met handen en voeten naar toe te klimmen via de haken die aan een van de zijkanten van de mast waren geschroefd. Dat was minder problematisch dan ik in mijn angstdromen had voorzien. Al na de eerste meters verstijfde ik van schrik en liet me weer zakken, maar hield m'n harnas om, met de gedachte dat het toch zeker moest lukken. Na een kwartier klom ik opnieuw tussen de kruisbalken door tot de ladder, en vanaf dat moment richtte ik me op het eerste platform en klom ik daar zonder angst gezwind naar toe. 'Je moet af en toe even wachten,' zei de opzichter, 'dat doen wij ook.'
Mijn werkzaamheden waren verder niet anders dan normaal, afgezien van het klimmen en het gehannes met het landvastje waarmee ik mezelf aan de mast vast klikte als ik niet klom. Verankerd zocht ik naar beelden terwijl ik de horizon horizontaal hield, en verschoof de kadrering van het lijnenspel om de hoogte te benadrukken en ik wachtte op het moment waarop ik het drama zag van de arbeidsomstandigheden, die inderdaad link en kritisch leken. Ik hield de mannen in de gaten en lette op wanneer er een handeling zou komen waar het om draaide, en ik zag hoe ze op elkaar waren ingespeeld, dat de geintjes die ze op de grond uitwisselden daar in de lucht een ernstige ondertoon kregen en dat alle communicatie in het teken stond van vakmanschap, efficiency, veiligheid en lijfsbehoud. Terwijl de mannen bezig waren met hun eigen werkzaamheden hielden zij elkaar in de gaten, om in geval van onhandigheid of onvoorzichtigheid daar gelijk op te wijzen, bereid ook meteen een helpende hand uit te steken of in te grijpen. Vanaf het tweede bordes uitkijkend over de wereld vroeg de opzichter hoe ik mijn klimpartij had ervaren en of dit het engste avontuur was dat ik had meegemaakt. 'Nu achteraf gezien,' zei ik, 'had ik ervaringen in Zuid Amerika die toch wel heel wat enger waren.' Als ik nu langs zo'n mast rij heb ik het gevoel dat ik omhoog moet, en ook een gevoel van tevredenheid over de overwinning.

Wat zal ik nu gaan overwinnen, een warenhuis op Zaterdag, of een dansschool?

Langs de tribunes van het Avus-racecircuit rijden we naar de Wannsee. De lucht is Luftwaffe-grijs, maar de temperatuur is goed. In het meer ligt als gepland een boot gereed om af te varen. Het water is glad. Door het gelijkmatige licht zullen de Herfsttinten in de bomen goed uitkomen in de foto's. We varen onder de Glienicker Brücke door, die door de uitwisselingen van spionnen even bekend is geworden als Checkpoint Charlie in de Friedrichstrasse. Ik maak opnamen van verschillende villa's, een villa die in steigers staat, waar de Potsdam Konferenz was gehouden. Een stuk kademuur die geheel begroeid is met roodbruin en gelend blad, en gloedvolle boompartijen. Tussen hoge bomen een grote, antieke villa, die anders is dan de rest, waar de Wannsee Konferenz werd gehouden, waar in luttele minuten beslist werd hoe het probleem met de Joden zou worden opgelost. Bij een boothuis ligt een grijze runabout.
'On Golden Pond,' zeg ik tegen m'n Liebchen, 'In Germany.'
In het water van de gladde Grosse Wannsee zien we een wazige najaarszon door de wolken breken.
'Herfst in Riga,' zegt ze.

 

Nawoord

'Wel die andere meisjes maar niet ik, dat vind ik toch wel vreemd,' zegt mijn vrouw, 'en ook je dochters niet. Ik vond het leuk om te lezen, maar dat je gezin ontbreekt vind ik wel heel vreemd. Ik vond het interessant over je auto's te lezen en je pennen en al die dingen, maar de lezer krijgt zo wel een heel beperkt beeld.'
De volgende dag schrijft mijn dochter die me het boek van Kees heeft gegeven ongeveer het zelfde in een emailtje, waarop ik met ongeveer de zelfde woorden reageer als op de opmerking van mijn vrouw. 'Wat ik geschreven heb was een reactie op het boek van Kees Momma, zijn problemen die het gevolg zijn van zijn autisme. Dat was het waardoor ik me realiseerde dat al mijn eigen problemen overzichtelijk op hun plaats vielen, door de onderwerpen in de hoofdstukken. Ik heb mooie en goeie herinneringen aan m'n eerste huwelijk, maar ik vind niet dat er veel aanknopingspunten zijn om de teloorgang daarvan te wijten is aan mijn autisme. Het gaat me overigens veel te ver om dat in mijn boek bloot te leggen, net zo als het me te ver gaat om mijn geluk te beschrijven dat ik heb gevonden met m'n tweede vrouw. Ik schaam me nergens voor, en voor mezelf vind ik niks gênant, maar het gaat me te ver om de oneindige onenigheid met mijn eerste vrouw en met mijn compagnon in het boek op te nemen en te analyseren, hoe die hebben geleid tot de echtscheiding en de zakelijke breuk.'
De breuk in het contact met twee van m'n dochters, terwijl ik met een andere dochter het contact behield, heeft mij mateloos verdriet gedaan, en nu na bijna twintig jaar zie ik ze weer en heb ik weer een hartelijk contact met ze, maar ook dat hoort in het boek niet thuis. Het gat in het contact is een handicap gebleken, omdat de dochters mij niet kennen uit de tussenliggende jaren. Wat ik daarover denk is genoeg om een boek te schrijven, net zo als mijn relatie met m'n ouders en met m'n zusje, die tegen de achtergrond van het leven dat ik om mij heen zag wel heel goed genoemd kan worden. Ook dat deel van mijn leven wilde ik niet of nauwelijks ter sprake brengen, omdat ik vond dat het buiten de kaft viel, zoals het gevecht met mijn zakelijke ex-partners thuis hoort in een psychologische misdaadroman. Het zijn onderwerpen voor een gesprek in de besloten kring van de familie of met goede vrienden, en met de advocaat.
Wat ik geschreven heb beslaat een groot deel van mijn ervaringen, dromen, en machteloze pogingen om op mijn naïeve manier met de mensen in mijn omgeving te communiceren, maar uiteraard lang niet alles; een thema sluit veel uit. Mijn vrouw is er min of meer buiten blijven staan, hoewel de engel juist mijn geluk is, mijn levensbron, mijn inspiratie, en mijn weegschaal. De dochters en hun kinderen zijn evenzo een grote troost, dit is vermeldenswaard om   Voor al het ontbrekende is trouwens alleen een dagboek het geschikte medium, dunkt me.  

 

 

 

 

To the Features.