|
© The images & text on these pages may not be reproduced, republished or mirrored on another webpage, website or printed without prior okay. We'll find out eventually when they are. Features, articles, sailing, Hans Arend de Wit |
14 Kees' veertiende hoofdstuk: Hoe het voelt om anders te zijn. Ben ik anders, wezenlijk anders? Dan wie? De onuitputtelijke behoefte tot het rechtstreeks innemen van inzichten, uitzichten, vergezichten, panorama's, invalshoeken, perspectieven, standpunten en zienswijzen van anderen, is dat soms anders zijn dan anderen? Ik denk nu even aan oom Karel, onze overbuurman, terwijl ik met mijn liefje, mijn vrouw, van Bergen op de fiets onderweg ben naar Bergen aan Zee. In de grond zijn we allemaal gelijk, is een algemeen axioma, het éne botje wat dikker of langer dan het zelfde botje in een ander mens, wat steviger of wat fragieler. Ons anders zijn wordt toch wel bepaald door de omvang, de lengte en de verhoudingen. Door het verschil in bouw lopen we verschillend, hebben we verschillende doelen en loopt alles anders ook anders. Verschillende botten hebben verschillende spieren nodig, verschillen in gespierdheid van de taal zijn daar misschien wel het gevolg van. Nu moet ik opeens terug denken aan Hennie op de lagere school die in het voorjaar met blote armen in de klas kwam en bovenarmen bleek te hebben die zó lang waren, en zó vormeloos bloot, dat ik er van schrok. Ze liep een beetje slungelig en praatte ook zo. Die zal nooit gaan praten als een gezellige energieke dikkerd, dacht ik toen. Vanaf dat moment heb ik altijd bovenarmen in de gaten gehouden, de verhoudingen met de onderarmen, en de vorm van de elleboog, waar het immers allemaal om draait. Opeens zie ik Els voor me, een paar jaar later, ook zo'n lang en een beetje slungelig meisje, met dunne armen, met diepliggende grote ogen die als ze je aankeek hoog in hun kassen stonden omdat ze haar hoofd moest buigen. Maar ondanks dat alles was zij hartveroverend. Ja, Els, wat heb ik lang niet aan jou gedacht. Oh ja winkelen, het repeteren van een denkbeeldig boodschappenlijstje op weg naar de winkel, dat ik niet kan oplezen zonder tenminste één verspreking, en voordringen, en in rijen tegen elkaar aan drukken. Zo zijn er veel mogelijke oorzaken die bij Kees, zowel als bij mij, de handgranaat kan laten exploderen, tassen in m'n knieën, er iets van zeggen, een verontwaardigd antwoord krijgen, overstuur weglopen om erger te voorkomen, niet meer terug gaan en me zonder aankopen naar huis haasten. Houdt dat nou nooit op. Kan ik daar geen verandering in brengen? Ik moet er wel om lachen, die term opgeschoten knullen. Opgeschoten knullen, bouwvakkers; ik hou liever een plezierig straatbeeld in m'n zoeker. Maar als je de weg niet weet is het lastig om alsmaar om te lopen, zoals op mijn route vanaf het station in Eindhoven naar een kantoor van Philips, waar ik even wat moest afgeven. Omdat er regen in de lucht zat had ik een paraplu bij me. Vanuit de verte zag ik ze al zitten, een dozijn bouwvakkers die zaten te schaften. Ik deed het natuurlijk heemaal fout, had m'n paraplu nonchalant in het midden moeten vasthouden en even lachend moeten opkijken, misschien wel even zwaaien. Maar nee hoor, inwendig liep ik te vloeken om de kreten die als bakstenen over de straat werden gesmeten en steeds smeriger werden. Die vreselijke irritatie tijdens het eten is ook iets dat ik nog helemaal niet onder controle heb, hoewel ik, haast ik me te zeggen, daar met mijn lieve vrouw gelukkig geen last van heb, zij mag alles, als ze maar tijdig d'r kauwgom wegdoet als we in de auto stappen. Het kleine beetje onverstoorbaarheid dat me in de loop der jaren over me is gekomen, heeft veel verschil gemaakt heb ik mogen ontdekken, en omdat ik kennelijk niet meer zo bevreesd door het leven ga als een angsthaas en overkomt me niet meer zo vlug waar ik altijd zo bang voor was. De laatste tijd althans, want ik herinner me nu opeens een van de ervaringen die me overkwam die je in Amsterdam gewoon kunnen overkomen. De angst van Kees voor wat er allemaal verandert en verdwijnt in het milieu heb ik zelf wat kunnen afzwakken. Maar het stijgende water blijf ik op termijn angstaanjagend bedreigend vinden, en als ik uit het raam naar het Westen kijk, dan zie ik de watermassa's de straat binnen golven, met boten die tegen de ramen slaan, gillende mensen die niet weten wat hun is overkomen en het water dat stijgt en de levensplannen in het water laat vallen, alles verzwelgt. Een catastrofe van een titanische omvang die wij ons niet kunnen voorstellen, maar wel onafwendbaar zal blijken, zoals in Bangladesh, maar dan dichter bij dan het tv-journaal. En dan zijn er nog al die andere catastrofes die de wereld in de loop van duizenden jaren kunnen treffen, maar ook morgen, zoals een verwachte landslide op de Canarische eilanden een vloedgolf van tientallen meters hoog zal veroorzaken, die de hele Amerikaanse Oostgrens zal wegvagen, van Miami tot Boston en hoger. En de vulkanen. De Vesuvius, en een gigantische vrijwel onbekende en minder bekende vulkaan in Wyoming, die met z'n onstuitbare uitstoot een wereldcatastrofe zal ontketenen, die door droogte en overstromingen een groot deel van het leven op aarde zal verwoesten, waarna het honderd tot honderdvijftig jaar zal duren eer er een nieuwe vorm van leefbaarheid zal ontstaan. En aardbevingen, de San Andreas Vault, waar ik nauwelijks aan dacht toen ik in San Francisco rond liep en over de Bay Bridge reed, is ook zo'n ketting van tijdbommen. Ja, Kees, ik leef met het voortdurende besef dat het einde van ons eigen boek om de hoek ligt. Hoe lang hebben we nog? Hoe laat is het Kees? Heb ik nog even? Hoe laat is het Koos? Precies? Omdat het verstrijken van de tijd door iedereen anders wordt ervaren - kruipt de tijd in de wachtkamer, en gaat de tijd in dagen tegelijk voorbij vliegt tijdens een opwindende vakantie - ben ik altijd geïnteresseerd geweest in de wetenschappelijk juiste tijdmeting, zodat de persoonlijke interpretatie eraf was. Mijn eerste horloge was het zakhorloge dat mijn vader van de burgemeester had gekregen - geen ketting, maar een blauw, zelf gedraaid koord, daarna een oud polshorloge, ook van mijn vader - waarmee ik nog op een schoolfoto sta - dat ik droeg tot ik een nieuw horloge kreeg voor mijn verjaardag, misschien wel in het jaar dat ik de lagere school verliet. Dat was een doorzichtig horloge, waarvan het uurwerk aan de voorkant en ook aan de achterkant zichtbaar was. Dat heb ik een hele tijd gedragen. Als ik keek hoe laat het was dacht ik vaak aan die speciale waardering van mijn ouders, die bleek uit de speciale keuze van dit horloge. Het volgende horloge dat ik kocht was een Doxa, een mooi verschroomde rechthoekige kast met ronde hoeken, prachtig prachtig, gaaf. Toen smolt voor een klokje in een gouden dollar gaf ik de Doxa aan mijn schoolvriend die me nooit had laten meezeilen, als een cadeautje omdat bij me was komen werken, die het minstens zo mooi vond als ik. Niet lang daarna werd het Bulova Accutron stemvorkhorloge geïntroduceerd, dat mij de meest accurate tijd zou geven die een horloge maar kon geven. Ook doorzichtig, groengekleurde onderdelen van uurwerk en twee mini-mini-spoeltjes waartussen een vorkje heen en weer trilde met een vast aantal bewegingen per seconden. Vrijwel onzichtbaar onder het groene chassis lag in wat ik in scheepsbouwtermen een reductiekast noem, waarin tandwielen de trillingen terugbrachten tot de voor het uurwerk nodige aantal omwentelingen per seconde. Preciezer kon ik niet op tijd zijn! Ik lees m'n teksten door, en zweef in gedachten met een helicopter door het landschap waar ook de auto rijdt uit mijn teksten, en ik laat me gelijktijdig een beetje leiden door de vijfde van Shostakovich, en ik heb niet alleen contact met m'n gedachten die ik zelf heb opgeroepen met mijn teksten, maar ook al hetgeen dat binnen komt via de luidsprekers. Soms verbeter ik wat. Wie ben ik nu eigenlijk, dat ik zo ver opga in de teksten en in de beelden die de muziek oproepen? Zijn weij zomaar zonder meer onszelf, of delen we ook alle ervaringen die we van anderen binnenlaten, of misschien zijn we wel meer dan dat, en zelfs vooral dat. Hebben wij hoogtevrees omdat we onze fantasie niet kunnen stop zetten, ons inlaten met beelden die we eens hebben gezien, en de angst dat we onszelf niet in de hand zullen houden, een moment nadat we kunnen beslissen om ons te laten gaan, bang dat we een stap te ver zullen gaan, zoiets als de angst dat we niet zullen meesturen met een bocht, of de derde zoen vol overgave in het midden zullen plaatsen? Het valt niet mee als je boven staat, je valt te pletter als je blijft weifelen over wat er gaat gebeuren. Is hoogtevrees niet hetzelfde als elke andere vrees? In een volle winkel vragen om speltbrood, dat je toch niet lust, en dan meteen, zonder aarzelen zuurdesem zeggen als er om de soort wordt gevraagd, en je dan distantiëren van de mogelijke gedachten die anderen in de winkel zouden kunnen hebben. Wat een vreemde man. Is zijn vrouw niet in staat zelf boodschappen te doen? Waarom niet gewoon bruin brood? In een flits een afgrond zien van nuffige mufheid bij middenstandsvragen, kloven waar je boven wil blijven staan, is dat vergelijkbaar met hoogtevrees, of dieptevrees eigenlijk? In steeds meer situaties heb ik gaandeweg mijn vrees overwonnen, zelfs deze ochtend nog, toen ik zuurdesembrood moest halen (ja, ja, ik verzin niet zo maar wat) maar gelukkig wel meteen aan de beurt was en ik mezelf voor niets had opgefokt. Steeds meer krijg ik ook zelf te maken met de drukte op de wegen, en steeds vaker zit ik in zo'n van de file van de nieuwsberichten en het journaal, niet een computer file, van documenten, maar een lange rij auto's als in een defilé. Van de momenten dat ik stil sta maak ik gebruik om op de Communicator dit mailtje te schrijven. En passant houd ik de Opels in de gaten, een Focus rechts voor me, een XM, een Skoda, een Golf, een Clio, ik zie ze wel, maar ik maak en passant ook andere notities, om het virtuele contact te onderhouden met mijn kringetje, terwijl ik luister naar de eerste symfonie van Brahms, de eerste van de drie waarvan ik cd's meegenomen heb. Voor dit ritje, waarvoor ik in normaal verkeer een klein half uur dacht nodig te hebben, is zelfs deze ruime planning misschien te optimistisch. Door Brahms hebben de donkere wolken een Duits tintje gekregen. Zo zie ik de wolken in het Oosten donkeren als ik even een stukje kan oprijden, in het Westen, waar de wind vandaan komt, zijn ze niet veel lichter. Bij Vinkeveen komen de krap op elkaar staande schuurtjes in beeld, nog steeds in aanbouw, stenen cabines die villaprijzen moeten opbrengen. Als ik weer een stukje mag oprijden, vijftig, of doorrijden, soms wel honderd meter, dan voel ik dat als een inbreuk op mijn rust. Er komt even voor Utecht een lange open ruimte op de weg waarop ik met een vaartje kan opschieten. Boven de stedelijke uitlopers krijgt het wolkendek een heel donkere leisteengrijze kleur, met aan een grillige wolk, die zich een beetje heeft losgewerkt van de rest, een schril verlichte bovenkant. Ik rij een afslag voorbij die ik misschien wel moest hebben. Spatjes op de voorruit. Dan komt een volgende afslag, snel uitvoegen. Op de rotonde, in het Westen, in de donkere lucht ver boven de bomen, staat een regenboog. Ik reken er op dat God met me zal zijn als ik eenmaal ter plaatse bij de kerk ben die ik moet fotograferen. Als ik in de pastorie koffie drink kan ik dit mailtje niet versturen omdat mijn account uit het geheugen is verdwenen. Daardoor is het wat later geworden.
|
15 Epiloog Het overvalt me, dat ik al wat ik hiervoor, hierboven heb geschreven nu al zou moeten afronden. Het boek van Kees Momma heeft me inzichten en vergezichten gegeven waarop ik wilde reageren, omdat ik overeenkomsten zag tussen zijn manier van in het leven staan en de mijne. Nadat ze mij het boek had gegeven, had mijn dochter me nog eens gezegd, dat zij de overeenkomsten wel had gezien, maar dat ik daardoor nog geen autist hoefde te zijn. Ik heb hier veel over nagedacht, en over haar natuurlijke en verworven inzicht in mensen, en over hoe weinig zij weet van mij, hoe ik haar jeugd heb ervaren, over het gebrek aan closer contact dan wij hadden. Dat is ook een van de redenen dat ik dit ben gaan schrijven. Ik denk veel aan m'n vader, met wie ik hier naar toe had moeten gaan, nadat we Stassfurt en Leipzig hadden bezocht, de plaatsen waar hij tijdens de oorlog door de Arbeidseinsatz was ingekwartierd. Nu is het te laat. Inmiddels heb ik nu al de leeftijd van m'n vader en is hij er niet meer. De redenen waarom ik dat niet heb gedaan zijn te futiel om nu nog geldig te zijn. Dat ik heb nagelaten die reis te maken is één van de weinige domheden waar ik spijt van heb. Op het nachtmeubel aan mijn kant van het bed in onze Berlijnse hotelkamer liggen twee zwartwitte Ansichtkarten die mijn gedachten verbeelden die ik had over de oorlog en over het leven erna en wat de oorlog heeft teweeg gebracht bij mijn ouders, en de koude oorlog die ik wat bewuster heb meegemaakt dan de allesverwoestende oorlog in de jaren 40-45. Op de kaart die mij het meest frappeert staat een foto van een zonnige gevel van een eindeloos lang huizenblok. Daartegenover, in de schaduw, staat de muur met z'n verdwijnpunt op de horizon. Met een knik gaat ie na een paar honderd meter over de Prenzlauer Berg omhoog - een heuvel eigenlijk - waar de muur vager wordt in de heiigheid van het onbebouwde landschap. De herinneringen aan vervaagde tijden komen terug, worden scherper. Vanaf één hoog kunnen de bewoners vanuit de flats over de muur naar het Westen kijken, waar de toekomst ligt. Ik zie wat ik zelf zag, toen ik naar het Westen keek vanuit de erker in mijn geboortehuis, en nu vanuit onze eigen flat, naar onze eigen horizon na de oorlog. Op één van de balkonnetjes staat een Mensch, beetje voorover gebogen. Op de tweede Ansichtkaart rijdt een buggy, of staat even stil voor de fotograaf, voordat het de hoek om gaat, een beeld van mobiliteit en ondernemingszin. De buggy is de achterkant van een doormidden gezaagde Trabant, getrokken door een ezel. Op de achterbank een echtpaar van middelbare leeftijd. De vrouw die rechts zit heeft de leidsels in handen, de man die links zit steekt een spiegelei uit, als een stationschef, en geeft daarmee de richting aan. Schuin achter de buggy loopt een ouwe hond. Ook na vijf minuten heeft de ezel nog niet bewogen. Het vervoermiddel is een toonbeeld van optimistische inventiviteit, waarmee de bouwer het wel zal redden. Op de foto is de man in de vijftig, dus zal hij inmiddels in een Mercedes rijden, of niet meer leven. Vanaf ons hotel in een voorstad rijden wij met het gezelschap met de bus Berlijn in zoals ik even na de 'Wende' in de nacht de stad in reed naar de Alexanderplatz. Net als toen gaat de route langs de muur die ik toen niet gezien had maar wel tientallen Trabants en Wartburgs, die er nu niet meer staan. De flatgebouwen zijn opgeknapt. De muur, links pal naast het wegdek, is geheel overdekt door graffiti, de East Side Galeria in de Volksmund. We stappen uit om foto's te maken. Gelukkig heb ik m'n camera's geladen 200 ASA film, zodat bij uitvergroting de platen er briljant en scherp zullen uitzien. Even nadat het boek uitkwam - een jaar of veertig geleden - had ik met een blos The Outsider van Colin Wilson gelezen, en zag verwantschap met de hoofdpersonen in veel van de boeken die hij daarin besprak. Camus, Sartre, kende ze ook, en ik kon in de beschreven situaties en levens me zo meegaand inleven en meeleven dat het toen duidelijk werd welke relatie ik heb met de mensen in mijn omgeving. Ook toen, zoals nu het boek van Momma door m'n hoofd speelt, ervoer ik de gaten in mijn sociale vaardigheden en het gebrek aan talent om soepel met mijn medemens te dansen niet als een gebrek. Uiteindelijk ben ik heel gelukkig geworden met mijn partner en heb ik een innig gevoel voor een paar goede vrienden, en ervaar ik mijn gemis niet zo als een gemis. En ik heb gezien dat hetgeen ik zou missen heel betrekkelijk is. En hier in Berlijn zat het me ook erg mee; ik heb geen ruzie gemaakt, zoals met die hooghartige Parijsenaar die zo ontoeschietelijk was, of de bediende in Venetië, die me voor koffie en thee het viervoudige vroeg van wat ik hier gewend was te betalen. Bezoeken aan vreemde steden in vreemde landen zijn linke uitjes voor een autist, en ook voor mij. Maar deze week heb ik relaxed gelachen, met de mensen van de Kaffee en de Tee, van de boeken en tijdschriften, en van de Schnitzel en de Scholle . Zo kwam ik tot de ontdekking dat mijn Wohlbefinden een grote invloed heeft op de manier waarop ik reageer op de mensen in mijn omgeving en zij op mij, zoals nu ook weer met de mensen in ons reisgezelschap. Les Eén. Het nieuwe Joods Museum bleek indrukwekkender te zijn dan op de tv. Oppervlakkig gezien leek het in stijl op het nieuwe Guggenheim in Bilbao van Gehry, dat op mij overkwam als een jongensstad, maar deze architect, Daniel Libeskind, had dit museum heel diep doordacht en de teloorgang van een volk in de vormgeving zó aansprekelijk gevisualiseerd dat de way out moderne vorm heel vanzelfsprekend en vertrouwd is. 'Wetend wat er gebeurd is,' zegt mijn altijd weer verassende reisgenote door het leven, 'had het museum helemaal niet ingericht hoeven worden. De vormgeving is al een kunstwerk waarmee de chaos wordt verbeeld die die waanzinnige heeft teweeggebracht.' 'Op een paar veelzeggende iconen na,' zeg ik, 'en dat is ook gebeurd, die paar foto's en attributen staan voor het leven van die miljoenen. Die hebben een geweldige uitwerking.' Tijdens het avondmaal met ons gezelschap kwam het gesprek op wat iedereen deed voor beroep. Het was een open en eerlijk gesprek, waarin werd gesproken over ieders successen en teleurstellingen in het leven. Een landschapsarchitect vertelt hoe zijn dochter in de firma kwam na haar studie rechten, een gewezen rechter vertelt hoe hij zijn carrière heeft voortgezet in een andere interessante richting en ik vertel hoe ik mijn bureau heb verlaten en zelfstandig ben verder gegaan. De volgende ochtend hadden wij ons ten doel gesteld om rond te kijken op de Fernsehturm op het Alexanderplatz. De hoogte van meer dan tweehonderd meter was vanaf het plein angstaanjagend, maar het was windstil, en ikzelf was rustig. Twintig jaar eerder had ik niet nog eens in de Euromast omhoog gegaan, maar nu vond ik dat we niet beneden konden blijven. Het zou wel gaan, dacht ik. Naarmate ik meer was gaan fotograferen voor de jaarverslagen of de brochures die ik maakte bleek hoogtevrees een grote belemmering wanneer er op een hoger niveau gewerkt moet worden dan één meter vijftig. In zulke gevallen kan er natuurlijk een onbevreesde fotograaf worden ingeschakeld, maar budgettaire grenzen aan een opdracht zijn ook een realiteit. Op tweehonderd meter boven Berlijn maak ik foto's vanuit het restaurant, dat in een half uur in de rondte draait. Beneden blijkt dat ik toch zo nerveus was, of misschien alleen maar opgewonden over het uitzicht, dat ik de lens beneden in de zon had dichtgedraaid tot F16, wat zonder zon neerkwam op 1/15 seconde. Thuis bleek dat alle foto's haarscherp waren, zelfs bij een brandpunt van 70 millimeter, dus boven had ik m'n vaste mooi wel hand behouden. Gezien door de ogen van een Adler alle straten die we van de kaart kennen en de gebouwen van bezoeken en van langs rijden. De Dom, de Tor, de Kudamm, het Sony Centre, het nieuwe Joodse Museum. Langs de tribunes van het Avus-racecircuit rijden we naar de Wannsee. De lucht is Luftwaffe-grijs, maar de temperatuur is goed. In het meer ligt als gepland een boot gereed om af te varen. Het water is glad. Door het gelijkmatige licht zullen de Herfsttinten in de bomen goed uitkomen in de foto's. We varen onder de Glienicker Brücke door, die door de uitwisselingen van spionnen even bekend is geworden als Checkpoint Charlie in de Friedrichstrasse. Ik maak opnamen van verschillende villa's, een villa die in steigers staat, waar de Potsdam Konferenz was gehouden. Een stuk kademuur die geheel begroeid is met roodbruin en gelend blad, en gloedvolle boompartijen. Tussen hoge bomen een grote, antieke villa, die anders is dan de rest, waar de Wannsee Konferenz werd gehouden, waar in luttele minuten beslist werd hoe het probleem met de Joden zou worden opgelost. Bij een boothuis ligt een grijze runabout.
|
Nawoord 'Wel die andere meisjes maar niet ik, dat vind ik toch wel vreemd,' zegt mijn vrouw, 'en ook je dochters niet. Ik vond het leuk om te lezen, maar dat je gezin ontbreekt vind ik wel heel vreemd. Ik vond het interessant over je auto's te lezen en je pennen en al die dingen, maar de lezer krijgt zo wel een heel beperkt beeld.'
|