Wagenrennen op zee.

De Enkhuizer Klipperrace op 11 en 12 October

 


Het zou de het laatste grote zeilrace worden die op de valreep nog in dit nummer zou kunnen worden opgenomen, en het zag er naar uit dat het weer dan al definitief was omgeslagen in gruwzaam herfstweer. Daar werd al op gerekend. Maar het pakte anders uit. De hele koepel boven West Friesland was loodgrijs maar boven het IJsselmeer werd een gat opengetrokken van wel twintig kilometer. In De Nieuwe Doelen sprak de wedstrijdleider Henk Plaatje van het Watersportverbond vanaf een tafel positief de schippers toe die nuchter waren en ook positief. Het zag er naar uit dat het anders zou uitpakken dan de week ervoor toen de Bolkoppenrace werd afgelast. Zonder met bolderpraat met koffie en cake na te blijven liepen de schippers in de ochtendschemer naar hun schepen.
‘Het zijn professionals,’ zei Henk Plaatje, ‘die zich prepareren op de race. Ze hebben nu racebemanning aan boord. Als ze anders een wedstrijd varen moeten ze de volgende dag weer charteren. Het is het laatste weekend van het seizoen. Nu gaat het erom. Moet je straks kijken als die jongens uit het Krabbersgat komen, wat een geweld dat is, met 600 of 800 vierkante meter zeil. Dat is grand prix, en een Le Mans start. Dit is een grote traditie. Moet je straks al die schepen aan de wal zien, die kop aan kont liggen, dat is wel anderhalve kilometer. De Bolkoppenrace is heel anders, Tjalken en Skûtsjes zitten daarbij, dat zijn particuliere schepen. Daar zit van alles tussen. Dat zijn jachten. Die klippers, dat is een heel professionele bedrijfstak geworden, met een sterrensysteem zelfs, zoals in de horeca. Dertig jaar geleden was dat een stelletje vrijbuiters, nu zijn het gastheren.’
De Drommedaris krijgt een scheut zon, een hoopvol vooruitzicht. Na een tijdje zien we vanaf het startschip de Varnebank een klipper stilletjes voorbij de pieren varen, als een silhouet. Dan volgen er meer, geluidloos, een hele vloot.
De pers volgt op de Gependam, een vermeldenswaardig aluminium schip, van Rob de Jong, een jachtbouwontwerper, een aluminium romp die blank zal blijven, met een jet propulsion voortstuwing door een Yanmar motor van 350 pk, die belooft aan het schip een vaart te geven van 22 knopen.

We varen langzaam, ingehouden grommend, in de richting van de sluis, waar de grootste schepen liggen, de tweemasters, vertelt Ties, die de meeste tijd nodig hebben om alle zeilen bij te zetten, topzeilen, gaffeltopzeilen, en waterzeilen. Ankers worden gelicht, de zeilen gehesen, allemaal met een andersoortige tuigage. In de vroege ochtendschemer varen de klippers met bollende zeilen in de richting van de start.
Opeens volop in de zon vaart de Varnebank uit. Wij volgen met gelijke snelheid. De motor heeft nog maar drie uur gelopen. Hoe zal die zich verder op de dag houden? We varen langzaam mee tussen de nog voor anker liggende schepen, als een vliegtuig dat naar de startbaan taxiet. Het is stil op het water. Het water is glad. De zon is weer achter de loodgrijze wolken. Toch is het vooruitzicht gunstig.
We varen vooruit, de eerste schepen passerend, voorbij de Neeltje Jacoba, die ook meevaart met de vloot. Ongemerkt is het tien uur geworden.
In het hele veld gaan de zeilen omhoog, een Le Mans start, zonder lawaai, zonder geschreeuw, indrukwekkend. Nu voor full power met een geweldige hekgolf voor het veld uit om het rustig weer stil liggen te kunnen fotograferen.
De lezers van Schipper m/v zijn zowel motorbootvaarders als zeilers; en eigenlijk natuurlijk alle watersporters in de top- en breedtesport, maar voor wie maken we deze reportage nu voornamelijk, in deze supersnelle motorboot, om een race van topsport Klipperzeilers te verslaan? Het gaat om de historische, legendarische schepen die vroeger met vracht voeren. Het gaat om de historische, legendarische schepen die vroeger professioneel gezeild werden. We zullen dan ook verder niet uitwijden over de Gependam, alleen nog dit: het verblijf in het interieur is voorlopig nogal oncomfortabel omdat het nog maar voor een kwart is afgebouwd, maar de snelheid is voor de schrijvende en fotograferende pers een ideale uitkomst, omdat die in korte tijd op veel plaatsen bijna tegelijk kan zijn, de spannende scènes in de race opzoeken en de beelden schieten. Het is snel als een watervliegtuig en het elektrisch bestuurde trimvlak voorkomt dat het gezelschap gaat vliegen.
Hier en daar breekt de lucht open. Het water is woelig en de wind is straf geworden.
We varen met grote klappen op toch wel betrekkelijk hoge golven, met massale putsen water die onverwacht de kuip in zwiepen, om enkele klippers heen, volgen een paar, en koersen naar de eerste boei. Door het hoge motorlawaai en het klappen op het water kan er niet gepraat worden. We kunnen niet met Ties praten over de historie van de Klipperrace, de herkomst, en de ontwikkeling.
‘Ties van Os is de man achter de Klipperrace,’ had Jan van Buuren gezegd, ‘maar Caspar Mooyman is de man van het eerste uur. Die moet je hebben voor de historie. Later kunnen we Ties het woord geven.’
Ties houdt zich vast naast de schipper, terwijl hij notities maakt. De koers wordt bepaald door de wensen van de pers en zijn eigen wensen om de race te volgen. Ties bepaalt de coördinaten en schrijft namen op. Ik probeer me met één hand vast houdend de horizon in de zoeker waterpas te houden, wat te vaak niet lukt. Daarbij moet ik ook doorlopend de lens droog maken, waardoor ik twee handen nodig heb en me stoot tegen het snijdend harde aluminium van de vlonders. Maar als ik niet over boord sla is dit het resultaat waard.
Het schouwspel rond de boei is een spektakel dat we kennen van de Skûtsjes, maar dit is geweldiger, omdat het twee- en driemasters zijn. En het is een spektakel zonder toeschouwers. Hier midden op de Zuiderzee zijn geen plezierjachten, het weer is misschien te heftig om zo ver de zee op te gaan. Dit is film. Dit is tv! Spartacus! Wagenrennen op zee. Dit is geen luxe mooiweerpleziervaart.
In de grote hemelkoepel zijn in de verschillende windrichtingen verschillende weertypen te zien.
‘Kijk!’ roept de fotograaf Robert Mens, naar een fel wit oplichtend zeil wijzend in het zuidwesten dat door de zon beschenen wordt door een gat in de loodgrijze lucht in het oosten. Als een schilderij van Van Ruysdael.

In de eerste alinea’s van de uitslag die Ties van Os maandagochtend vroeg doormailt staat alles wat wij nauwelijks zelf feitelijk hebben kunnen waarnemen.

Daverende overwinning Waterwolf in de Driestedenrace.


Jelte Toxopeus is er eindelijk in geslaagd om met de Waterwolf de Driestedenrace op zijn naam te schrijven en daarmee de Zilveren klipper te winnen. Een verdiende en onbedreigde overwinning dankzij een snelle start en de juiste keuze van de route via Stavoren naar Medemblik. Leon van der Loo van La Bohème koos voor Medemblik en gaf daarmee al in een vroeg stadium de wedstrijd weg. Andere belangrijke kanshebbers als de Eensgezindheid en Aldebaran kozen net als Toxopeus voor de baan over Medemblik, maar konden de Waterwolf niet serieus bedreigen.
Als altijd in het tweede weekeinde van oktober ligt het Krabbersgat er ’s morgens grijs bij. De 50 kippers liggen opgelijnd langs de stuurboordwal van het Krabbersgat voor anker. Als het startschot klinkt, zet iedereen tegelijkertijd zeil en gaat ankerop. Het is ieder jaar weer een geweldig gezicht. De 29-ste Driestedenrace gaat van start met een westelijke wind van ca. drie Bft. Volgens de weersverwachting is de wind afnemend en ruimend naar het noorden.
De schippers bepalen bij de Driestedenrace zelf hun route. De klippers moeten twee steden aan doen en kunnen kiezen tussen Urk, Medemblik en Stavoren. Verreweg de grootste groep besluit eerst het bezeilde rak naar Stavoren te nemen, vervolgens te kruisen naar Medemblik en dan met bakstagwind terug naar Enkhuizen te zeilen. Omdat de wind steeds ietsje noordelijker is dan west en gedurende de race nog wat verder naar het noorden ruimt blijkt de ronde over Staveren zonder twijfel de beste keuze.

Tekst en foto’s Hans Arend de Wit

Zonder schriftelijke toestemming mag er geen enkel plaatje worden wedergebruikt.

 


Caspar Mooyman:
Rond negentienzeventig ben ik begonnen met het verhuren van traditionele zeilschepen. In Muiden is dat gestart. Tjalken, daar was een schoener bij, en een klipper; botters hadden te weinig accommodatie. In tweeënzeventig zag ik dat Muiden niet een ideale plek was om vandaan te varen, omdat het ’t meest Zuidelijke punt van het IJsselmeer was, en niet veel meer te bieden had dan de fantastische bruine kroeg Ome Ko, en dat eigenlijk ook meteen het nadeel omdat veel meer mensen uit onze klantenkring kwamen voor de kroeg dan voor het zeilen, eerst naar Ome Ko tot drie uur ’s nachts en dan een paar uurtjes slapen en dan snel naar tante Marie in Hoorn en daar nog maar weer eens bijtanken en dan weer terug. En dat was niet wat wij wilden bieden.
Vanuit een hobbyvloot, een behoudsvloot eigenlijk, tot het behoud, zijn we langzaam gegroeid naar een organisatie die iets goeds te bieden had. En we hebben toen ook bedacht dat we niet vanuit Muiden moesten varen maar vanuit het midden van het IJsselmeer, en dan was Enkhuizen ideaal, omdat het op de scheiding lag van groot en klein water. De klippers van toen waren niet groter dan twintig, tweeëntwintig meter. De dijk werd aangelegd, toen werden we vanaf de overkant makkelijk bereikbaar. Vijfenzeventig procent van onze klanten was Duits, dus zaten we daar strategisch ideaal. Zangverenigingen, kegelclubs, de brandweer, noem maar op, allemaal verenigingsgewijs. Eerst heette het Rederij Zeilvaart, en daarna hebben we het Zeilvaart Enkhuizen genoemd, waarna in korte tijd veel schepen naar ons toekwamen. Omdat wij centraal lagen en omdat die schepen onmogelijk veel geld kostten, kwamen er steeds meer eigenaren naar ons toe met de vraag of wij hun schip konden verhuren, zodat ze die boot blijvend konden laten varen. Zo werden wij een verhuurmaatschappij, net zo als Interhome, en Belle Villa, maar dan met klippers.
Binnen een paar jaar groeide de vloot van zeven schepen naar vijfentwintig. In het begin was de kleinste twintig meter en nu is de grootste tweeënveertig meter. In die tijd kwamen de verhalen van de schippers in de kroeg, van die had gewonnen van die en dat was allemaal niet na te trekken, en we vonden dat dit maar eens afgelopen moest zijn en dat we dat maar eens moesten gaan meten, en dat we eens per jaar een wedstrijd moesten uitschrijven, zodat we konden zien wie nu echt de snelste waren. Daar hebben wij een dubbele formule voor bedacht.
De eerste dag afstandzeilen. Wat de oudere klipperschippers wilden, waarmee ze het makkelijkste konden winnen, de driestedenrace, waarin het inzicht in het weer een belangrijke rol speelde, en je kon kiezen of je eerst naar Medemblik voer of eerst naar Stavoren, of naar Urk.
Dus als het je voorzag dat het weer ging draaien kon je dan beredeneren welke koers je het beste kon varen. Dan wist nooit iemand wie er voor lag. Uiteindelijk zag je in het Krabbersgat, wanneer alles bij elkaar kwam wie de eerste was.
En dan hebben we het systeem met handicaps, een benaderingsfilosofie van lengte en breedte, vierkante meters zeil, waar een bepaalde formule bij gehanteerd wordt. Maar het blijft toch zo dat bij licht weer de kleinere schepen meer kans maken. Bij wat zwaarder weer zie dat de grotere boten meer kans maken. Op de tweede dag speelt de behendigheid een grotere rol. Als die baan kort is, een anderhalve mijl, dan zie je dat die jongens met gijpen en overstag gaan behoorlijk behendig moeten zijn om te scoren. Kruisen in het Krabbersgat, was een enorm spektakel, wat veel schade heeft opgeleverd waarbij de binnenbetimmering d’r uit werd gevaren. Toen werd er gezegd dat het anders moest, met een wedstrijdcomité en een protestcommissie. Dat werd de Enkhuizer Hardzeilcommissie.
Tien jaar geleden was de deelname geslonken tot tien schepen. Een paar enthousiaste Enkhuizers bliezen onder leiding van Jan Bakker de wedstrijd nieuw leven in. Met het gevolg dat er nu jaarlijks ruim vijftig klippers aan de start komen.

 

Terug naar Switch Image Features.