© The text and photopgraphs on these pages may not be reproduced, republished or mirrored on another webpage, website or printed without prior okay. We'll find out eventually when they are.

Verschenen in Autovisie 25, 2003

Tito Rubbio
is een harde plaatwerker met
een gevoelig oog.


Tito Rubbio, de meesterplaatwerker in 2003.

Mijn eerste kennismaking met een plaatwerker had ik nadat ik mijn eerste auto op een parkeerplaats voor het gerechtsgebouw terug vond. In het licht van een straatlantaarn zag ik een lange kras in de rechter deur toen ik die open deed voor mijn zusje, nadat wij de film La Belle Americaine hadden gezien, zo diep dat de deurstijl zichtbaar was als onder een vloeiblaadje. Ik was perplex. Ma belle was aangerand. Een week later was zij weer geheel hersteld, door een vriendelijke plaatwerker bij Mudde in de Vaartstraat, waar ik jaren eerder vaak was langs gelopen, op weg naar school. Die herinneringen kwamen spontaan weer terug toen ik het pad opreed naar de werkplaats van Tito Rubbio, die bezig was een Alfa Romeo coupé vast te sjorren op een trailer. Een GTV zoals ik die een paar jaar na mijn Mini had gehad. Het begon zachtjes te regenen. De druppels bleven op de nieuwe glanzende zilveren lak liggen. Rubbio rolde de trailer de werkplaats binnen en zeemde zwijgzaam met een blik van liefde de Alfa droog.

Bij Tito in de Italiaanse keuken.
We lopen de werkplaats in, het atelier van een Italiaanse beeldhouwer. Bij Mudde was het donker in mijn herinnering, en ik denk terug aan mijn eigen GTV, aan de tweede, een paar jaar na mijn Mini. Ik had van een relatie een set brede velgen en dikke race-Pirelli’s gekregen, en om die onder de mijn Alfa te kunnen zetten moesten de spatborden worden uitgebouwd. En dat was prachtig geworden, zo vloeiend strak als ze er uit zag en zo geweldig vitaal. Een andere relatie, die lettering voor vrachtwagens maakte, had een gouden draak voor de motorkap gesneden. Zo was mijn standaard bolide een woest sprookje geworden, waarover ik geneigd ben aan Tito te vertellen, maar dat toch niet doe, omdat zijn verhaal nieuw en interessanter zal zijn, en ik voor hèm kom. De auto’s die bij Rubbio staan zijn daar voor restauratie, voor kleine optische correcties, of een reconstructie van weggecorrodeerd overblijfsel, een immobiel idee uit een groots verleden, opgebouwd tot een geheel nieuwe automobiel. Hoe komt deze Italiaanse meesterbeeldhouwer in Nederland terecht, en hoe is het mogelijk dat deze bescheiden man zo’n reputatie heeft verkregen dat hij voor de meest veeleisende opdrachtgevers en aan de duurste auto’s mag werken?

Plaatjes kijken bij een echte cappuccino.
‘Eerst koffie?’ In de koffie-, lunch- en tijdschriftenkeuken maakt Richard, die ik ongecorrigeerd Ricardo blijf noemen, cappuccino’s klaar, voor mij, zijn vader die ik Tito noem, en zijn broer Gino, een reus gemeten met Italiaanse standaardmaten. Ricardo had ik al in het atelier getroffen, waar hij bezig was met een nieuw segment dat in een verkreukeld voorscherm van een Bentley zal worden gezet. Gino bereidde het spuiten voor van de body van een geheel gerestaureerde Aston Martin DB2, mijn meest favoriete auto aller tijden, uit de tijd nog dat ik een folder had gekregen van een klasgenootje op de lagere school, wier vader bij een Aston-dealer werkte, zoals dat gaat in een leven van een jongen die niet ouder wordt. Op de formicatafel liggen Italiaanse autobladen. De namen van Giugiaro, Pininfarina en Scaglietti flitsen door de keuken, de nieuwe Ferrari 612, en Bertone. Tito kijkt mee. Hij zegt niks als ik bij Bertone blijf hangen. Hij zegt niet dat hij er gewerkt heeft. Maar ik weet dat, van mijn vriend Alfredo, met wie ik eerder bij Tito ben geweest, om zijn Quattroporte te halen, de aanleiding voor deze herhaling.


Je moet eens het verhaal van Tito horen.

‘Je moet het hem zelf eens laten vertellen hoe hij hier zijn reputatie als topcarrossier heeft opgebouwd,’ had Alfredo gezegd.
‘Ben je altijd gek met auto’s geweest?’ is mijn eerste vraag, om hem aan het praten te krijgen.
‘Als kleine jongen van zeven,’ zegt Tito, en hij gaat er echt voor zitten, ‘ben ik vanuit het Noorden naar Milaan verhuisd en daarna naar Turijn. Daartussendoor waren we nog in Pavia, tussen de druiven. Bij familie in Turijn zijn we gebleven. Daar ging ik naar school en had ik een job gevonden voor m’n vrije tijd, bij een fietsenmaker, onderdelen verkopen in een kraam op de markt, fietsen en bromfietsen. Ik kreeg toen een fietsie van m’n werkgever.’ Fietsie zegt ie gewoon! ‘Van fietsenmaker ben ik loodgieter geworden. Vroeger koos je niet een vak omdat je het leuk vond, maar wat het beste uitkwam. Er was geld nodig is het gezin. Alles wat meer kon verdienen bepaalde wat voor werk je deed. En ik was best goed. Dus was ik loodgieter en ging ik ook naar school. En ook naar de hogere school, die tot je vijftiende verplicht was. Als je bij een klein bedrijf werkte werd je slecht betaald, en moest je ook je best doen om je geld te krijgen. Toen ik vijftien werd ben ik naar Bertone gegaan, omdat het goed verdiende. Ik leerde heel snel, en namelijk voor tinner.’
‘Van lood over op tin.’
‘Ja, zoals je het zegt,’ zegt Tito lachend.
‘Alle lasnaden, en andere naden op zich, moest je vullen. En al gauw kreeg ik er jongetjes bij om het hun te leren. Dat was minder prettig, want daardoor ging mijn productie omlaag. Je werkplek was een autolengte lang. Als ik achter liep, als de neus al in het gebied van de volgende man kwam, nam hij mijn werk over. Als zo’n jongen het niet goed deed, dan moest ik het over doen. Dus kreeg ik steeds meer de pest in. Van 1964 tot 1969 heb ik zeven keer ontslag genomen. Daarna kreeg ik een jokerfunctie, invaller. Als iemand moest plassen moest ie dat aanvragen en dan viel ik, tinnen dus en deuken wegwerken, uitlepelen, vijlen, klaar maken voor de spuiter, dus allemaal voordat de lak er op komt, puur carrosserie. Dat was de joker. Ik draaide twee ploegen, en ’s avonds ging ik naar school, waar ik studeerde voor tekenaar. Ik ben bijna tekenaar, technisch tekenaar, niet officieel, want m’n papieren heb ik nooit gehaald. Ik was inmiddels al bijna twintig, altijd maar werken, en ik dacht: Wat moet ik nou met die papieren?’

Vanuit het hart van Italië naar Lemmer, Friesland.
We zijn nog maar aan het begin van het verhaal, lijkt wel. Tito heeft geen foto’s uit de tijd dat hij bij Bertone werkte. We gaan dus af op zijn beeldende verhaal. Maar Richard en Gino verstoren dat met een discussie over de nieuwe Aston Martin waaraan wat touching-up gedaan moet worden, een kras op de achterbumper, en wat kleinigheden om haar weer glanzend nieuw te maken. Gino is voor een Italiaan een reus, en hij zit net zo klem in een Aston als de reus van Top Gear. Ik wil nu meer weten over hun kunst dan over hun ervaringen met de auto’s die het atelier passeren.

 


Je kon zien wat je gedaan had als de mist was opgetrokken. Een Capri, in 1971.


Tito Rubbio in 1981

‘Mijn broer had destijds een garage, bij een parkeergarage in Italië, een ruimte waar een auto gewassen wordt en waar aan gesleuteld wordt. Daar verdiende ik wat bij, naast de ploegendienst. Dan hielp ik mijn broer met auto’s wassen. De witte biezen op de banden polijsten. Al het chroomwerk werd nagelopen. Ik was toen zestien, maar ik had nog geen rijbewijs dus, maar rijden kon ik al, en dat deed ik ook in die garage. Zo reed ik een Fulvia na zo’n beurt naar achteren toe en naar voren, in de richting van de garage, en haalde ik de bocht niet omdat de auto niet remde, ik denk door het grafieten van de onderkant, een soort tectyl op grafietbasis, en raakte ik een kolom en het linker scherm lag goed in puin. Probleem! Ik kon dat niet laten repareren, omdat ik daarvoor het geld niet had, dus moest ik het zelf doen, met de middelen die ik had.

Mijn eerste ongeluk werd mijn geluk.
Dat was dus mijn eerste schadegeval, en tevens mijn eerste reparatie. Met de ervaring die ik bij Bertone had opgedaan heb ik die auto zo goed als nieuw gekregen. Iedereen die daarover gehoord had vertelde dat door en er kwamen mensen langs voor reparaties. Dat was het begin. Tot eind 1969 heb ik bij Bertone gezeten. Ik had toen nog niet echt liefde voor de auto. En nog steeds was ik van plan loodgieter te worden. Uiteindelijk ben ik beland in een dorp Maurizio Canavese waar ik mijn eerste bedrijf ben begonnen, als onderhuurder van een Renault-dealer. Een jaar later huurde ik in die zelfde plaats een timmerfabriekje dat ik inrichtte als werkplaats die ik de naam Carrozzeria Holland gaf, want inmiddels had ik mijn Nederlandse vrouw leren kennen, met wie ik in het huis van mijn ouders woonde. Ik was toen achttien. Toen was een Ferrari een gewone auto eigenlijk. Dat bedrijf heb ik gerund tot 1976. Ik had intussen was het hele bedrijf betaald en het ging goed totdat het met een inbraak werd leeggeroofd, en was verdwenen en verloren. Mijn schoonvader vond dat ik goud in mijn handen had en haalde me toen over om naar Holland te gaan. Ik was nog maar zesentwintig, dus wilde ik nog wel eens iets nieuws proberen. In Lemmer. Daar heb ik met veel plezier vier jaar gewerkt en goed verdiend. Maar ik zag het er niet meer zitten. Ik had de horizon gezien en ik wilde verder, ik kon er niets meer bereiken, einde verhaal. Daarna werd ik door een tip van een zwager chefplaatwerker in Mijdrecht. Ondertussen twee jaar steeds heen en weer gereden, Lemmer-Mijdrecht. En toen een huis gekocht in Mijdrecht. Begin tachtig. De eerste Ferrari-klant met een restauratie was Guus Bierman, die eerst met een motorkap kwam, die ik naar zijn grote tevredenheid netjes had gemaakt, waarna hij me de hele auto liet doen.
Toen volgden gouden jaren. Dat deed ik in mijn eigen tijd. Daarna volgde een andere Ferrari, en kwam er een Testa Rossa, die de klant beslist alleen door mij aan wilde laten werken. Ik wilde niet meer bij een baas werken, ik had er genoeg van. Door het gesprek met de man van de Testa Rossa besloot ik om weer voor mezelf te beginnen, zo ontstond het bedrijf in Kortenhoef, Auto Classica Rubbio, met een vliegende start. Al vlug kwamen er steeds meer auto’s langsrijden. Van negenentachtig tot drieënnegentig heb ik dat helemaal in m’n eentje gerund. M’n eerste grote werk was een 250 GT, waar ik de eerste prijs mee had gewonnen in Wiesbaden in vierennegentig. Daarna volgende er andere auto’s, van prinses Liliane de Reti van België, die nu in bezit is van onze Ferrari-importeur in Nederland. Een Rolls Silver Cloud van Karel Appel. Als ik voor een klant een Ferrari had gedaan had die ook nog wel een Porsche van zijn vrouw, waar ik dan geen nee tegen kon zeggen. Ze zijn klant of niet. Een uur is een uur en een plaat is een plaat. We hechten niet aan een merk. Ik heb nooit de tijd en het geld gehad om voor mezelf iets bijzonders te kopen. Ja, ik heb wel een zwak voor een Alfa Romeo Spider.’

Wel of geen Kerstverhaal.
Dit lijkt wel een Kerstverhaal te worden, terwijl het de bedoeling was om over je werk te praten en niet je levenscarrière. Als het kan wil ik nog wel over je werk horen, over het handwerk. Tito vertelt nog in het kort over zijn korte carrière in een leerfabriek, als tijdschrijver, voor de volledigheid en, dan eindelijk over die ongrijpbare kunst van de plaatwerker. Hij laat de archeologische restanten van een Lamborgini 350 zien, een voorscherm van een Bentley, en beeldschone lichtblauwe Ferrari 250 GTE, met op het dak een schaalmodel dat de opdrachtgever voor de Rubbio’s heeft laten maken in de schaal 1:43.


Van een tevreden klant.

Er komt een beeldschone, indrukwekkend mooie, lieve Giulietta Sprint aanrijden, een legendarische droom in tastbare werkelijkheid.
‘Het is heel simpel. Wij doen alleen waar we goed in zijn, het plaatwerk. We doen niets aan het mechaniek, alleen plaatwerk. Als je een beschadigd deel van het plaatwerk moet herstellen kijk je naar de andere kant; en auto heeft meestal twee kanten, hoeft niet per sé helemaal het zelfde te zijn, als de lijnen er maar in zitten. Als dat niet voldoende is ga je uit van foto’s. Dan begin ik met het moeilijkste stuk en werk dan naar het makkelijkste stuk toe. Dan wordt het een puzzel. Er worden dan stukjes gemaakt die je bij elkaar brengt. Je maakt niet een heel scherm. Een scherm, of een deur, wordt dan in vier, zes of acht delen gemaakt. Die delen hamer ik in vorm. Daar gebruik ik een zak zand voor, een leren zak eigenlijk, met zand gevuld, soms met een stukje rubber daarop, of een stukje ijzer; ijzer op ijzer. Daarvan alleen al kun je een hele fotoserie maken. Op dit moment kan ik niks laten zien, omdat we zo’n klus nu niet onder handen hebben. Maar van het gereedschap heb je al een foto gemaakt.
Dat gereedschap is natuurlijk essentieel, maar het allerbelangrijkste is dat je er een oog voor hebt, en dat ontwikkel je, gaandeweg, een oog voor de vloeiende lijnen die je de hamer laat creëren. Het lijkt inderdaad wel, zoals je zegt, een beetje op tovenarij. Een allerlaatste check komt in de spuitcabine, waar we in de lak de tl-buizen weerspiegeld zien. Elke afbuiging van de lijn verraadt een oneffenheid, die we voordat het te laat is nog mooi kunnen corrigeren, maar gelukkig is dat theorie. En dan poetsen totdat ze in het verkeer er uit springt.’


Verhaal en foto’s Hans Arend de Wit



Het eerste bedrijf Carrozzeria Holland in 1989.




Drie plaatstalen vakmannen, Gino, Tito, Richard Rubbio.

Aston Martin DB2

De prachtkont van de DB2.




Neuscorrecties aan de E-Type.


Een bijna verdwenen Lambo.




Ferrari 250 GTE en Alfa Romeo Giulietta Sprint.













Linker voorscherm Bentley.





Terug naar de andere Features.