De voorpret
van het varen is
het bouwen.


 

Roel van Bueren heeft nooit een schip kant & klaar gekocht. Hij is die roestvrijstalen man van de voorpret tijdens het bouwen. Zijn werkplaats is een draailaboratorium. Tijdens het verspanen, hoor je hem zachtjes vijfvoordrie, twintigvoorzes mompelen. De stand voor het segment dat hij kiest om zijn beitels in het staal te laten klauwen.

Als we aan boord van zijn Neeltje J. stappen wijst Roel op een dikke staaf, die door twee stevige ogen verankerd door een hangslot voor de kajuitdeuren zit. “Da’s wel de minste prijs,” zegt Roel, “die je vandaag de dag moet betalen voor je pleziervaart”. Voordat we naar zijn schip gaan kijken laat hij ons zijn werkplaats zien. Op de beiteltafel naast zijn draaibank staat
Een bronzen pomp in aandraai, hart van een zopas ontworpen hydraulische boegschroef. Hij pakt een boterham uit zijn trommeltje en zegt verexcuserend: “Anders ga ik onderuit van de honger.”

 

 

Neeltje is zijn “meissie” sinds een jaar of veertig. De J. op zijn schip komt van de Neeltje Jacoba, het beroemde reddingsschip uit Roel’s jongensjaren. Hij is een aartsromanticus gebleven. “Toen ik twaalf was kreeg ik van mijn vader een sloep. Die was te groot voor mij. Ik moest er staande in roeien. Die sloep lag achter een kuiperij op het Prinseneiland van Amsterdam.” Het eiland van Kees de Jongen (sic).
“Op dat eiland had je een soort strandje, waar je zó het water in kon lopen. Vader reed in zijn bestel V8 met een trekhaak de sloep het strandje op. Maar hij had niet zoveel verstand van boten en trok meteen de hele steven eruit. Ik zat op de ambachtschool en tussen die boten leerde ik spelenderwijs alles in de praktijk, bikken, snijden, lassen en draaien. Tijdrovend vijlen vooral.”
Terug uit dienst heb ik een stalen bootje gemaakt, van zes meter, in de werkplaats waar ie niet uitkon toen ie klaar was. Met enige bouwkundige truc’s en een vorkheftruck is dat toch gelukt. Daarna maakte ik een kruisertje van achtenhalve meter. Een mooi ding. Ik deed alles in metaal. Dát materiaal kan ik kneden. Klei is voor de beeldhouwers. Hout voor de meubelmakers. Al dat mooie houtwerk kan ik in metaal verdienen. In 1970 begon ik voor mezelf op het Prinseneiland. Ik had toen geld nodig om daar een pand te kopen, en moest daarom dat kruisertje verkopen. Daarna volgde een tijd van alleen maar hard werken. Met een jaar kon ik mijn tweede hypotheek aflossen. Toen bouwde ik en viskotter om, toen een sleepboot en toen… begon ik met een schitterend casco van een beurtvaarder aan de Neeltje J.”

 

 

In de sluis naar Nigtevegt is het verrassend om te zien hoe het schip op haar boegschroef reageert. De sluiswachter, ultieme beoordelaar van alles wat zijn kuip binnenvaart:
“Ze ziet er wel héél strak uit.”
“Ik heb er ook veel werk aan gehad,” zegt Roel, “ik heb er vier meter tussenuit gehaald om haar wat handzamer te maken. Dat was een klus. Nadat we zo ons best hebben gedaan geeft de boot je zo effe weer wat terug na al dat werk.. Een prachtige reis, onze eerste reis, die na twee uur proefdraaien meteen naar de Havel van Berlijn ging. Dat was groots, ik heb het er nog steeds over.”
Op die vrijdagmiddag vaart Roel uit met z’n “meissie”. Naar Nigtevegt waar zij tot zondag blijven en waar hun zoon Bas de tijd van zijn leven heeft bij de boer, waar hij op diens tractor twee dagen het hele landgoed mag bestieren. Ik mag mee. M’n fiets ook, zodat ik bijtijds terug kan. Om mijn foto’s te ontwikkelen en ze te onderschrijven.


Hans Arend de Wit


 

 

 

Terug naar Switch Image Features.