|
De Weg Terug
|
1.
De Horch.
|
|
Mijn eerste autorijervaringen had ik als tiener in een DKW,
met een Horch-carosserie, gebouwd door de fabriek van Horch. De auto was
van onze Belgische familie en werd door hen een voiture genoemd. Ook voor
onderdelen als bumpers en spatborden gebruikten zij Franse woorden. Als
mijn oom en tante en neven en nichten bij ons kwamen logeren keek ik al
uren uit naar hun komst voor het raam in de erker, en als het laat werd
op de stoep voor de huisdeur.
Na
de begroeting was het een ritueel om het stof van de auto te wassen, met
ruim water, en drogen met een zachte doek. Daarna glom ze in de avondzon.
Met gloeiende konen zat ik daarna in de erker te kijken naar de rijke voiture,
de glimmend chromen kinderwagenscharnieren aan de kap, de zachtgroene motorkap
en spatborden, en de heel lichtgroene deuren, de enige auto in onze straat.
Mijn oom vertelde hoe ze hadden gereden, en hoe ze in Zaltbommel thee hadden
gezet op een vuurtje, een koperen primus.
Op
de daarop volgende Zondag deden we dat nog eens over aan de kant van de
weg bij Kraantje Lek, in de schaduw van hoge bomen, thee gezet op de primus.
Dat was mijn inwijding in de wereld van het grand tourisme.
De
auto was nog in de familie toen ik zestien werd en het mij door de gendarmerie
was toegestaan om te rijden onder toezicht van mijn oom. Wij maakten zakenreizen,
zonnige ritten door goudgele korenvelden, lange wegen met kasseien en bomen
aan weerszijden, met mij trots aan het grote stuur, naar steden in het Oosten
en steden in het Westen, Lier, Mechelen, een tas koffie en een broodje op
een terras op de grote markt, vanwaar ik mooi naar de voiture kon kijken.
De
Horch DKW was een schaalmodel van de grosse Horch
van voor de oorlog. Ze was wat kleiner maar had de grandeur van een grote
limousine. Stationair maakte zij een pruttelend geluid, maar op snelheid
was de motor een genot om naar te luisteren, over stille wegen, de kap omlaag,
een voorproefje van de grote wereld waar ik over fantaseerde. Op een nog
kleinere schaal - 1:24 - staat ze als een wereld aan herinneringen voor
me op mijn bureau. In het echt zat er een reservewiel achterop, en niet
in het spatbord, en op het linker spatbord een chromen vlaggenstandaard,
met een rood wit blauw puntvlaggetje, dat misschien wel voor de Belgische
driekleur werd vervangen als de grens werd gepasseerd. Al die vermoedens
en vage, gedroomde memorabilia!
|
|
2.
De Katterug.
|
|
Kijkend naar het lichtgroene model van de Horch denk ik vanzelf aan de Volvo
Katterug. Dan gaan mijn gedachten ver terug naar de tijd dat er nog steeds
weinig auto’s in mijn ouderlijke straat in West stonden. In Zuid stonden
er meer. In de straat waar ik nu op uitkijk door de gordijnloze ramen van
de flat tegenover mijn eigen flat, stond de flets- en mafgroene Katterug
van Theo, waarin ik ons toen geregeld op onze zakenreisjes naar Rotterdam
en Enschede stuurde. De Katterug van Martin stond daar ook geregeld geparkeerd.
Waar Giep in reed was mij niet bekend, misschien een Peugeot, gelet of zijn
persoonlijkheid. Nico reed in een Rover 3 liter, een machtig fraaie automobiel,
het vervoermiddel van de gevestigde heersende macht in Londen waar Nico
geregeld kwam. Dat was het beeld van die tijd.
In
mijn beleving was die weekgroene kleur een heel krachtig statement, zo’n
sterke auto in zo’n lullige kleur, die we nu als camp kunnen zien.
Zelf prefereerde ik het beeld van een donkerblauwe Amazon of een felrooie,
Amazone zoals ze ook wel werd genoemd, aan een Zweeds meer, eeuwig zingen
de bossen.
Mijn
eigen eerste auto, een Austin Seven, een Mini, was lichtblauw. Dat was een
kleur die ik juist heel passend vond om een heel andere reden, omdat het
een heel sierlijk rijdoosje was, niet echt een automobiel, of althans een
heel nieuwe visie daarop. Dat beeld werd weer heel anders toen de Mini Cooper
uitkwam. Nee, alles rijdt nu een beetje door elkaar, realiseer ik me opeens.
Theo had zo’n weekgroene Volvo, maar het Amazon-type, een 122, waar
wij samen ritten mee maakten, of waar ik ook wel in reed als ik voor gezamenlijke
projecten alleen op stap ging. Als ik het me goed herinner had hij eerst
een Katterug gehad, maar kon hij door een binnenhuisarchitectuurklus voor
de dealer comfortabel overstappen op de grote, met een veel sterkere motor.
Theo was erg scheel en reed eigenlijk met één oog, op de rand
van de linker rijbaan als een Stanleymes langs de vangrail. Hij zette de
automaat op Rotterdam of Enschede en na een tijdje keuvelen waren we er.
Martin had een Katterug, waar hij nog een tijd in is blijven rijden. Een
fiere romancier. Hij was naast tekstschrijver ook dichter, en zijn auto
paste heel goed bij hem, ook toen de collega’s op Alfa’s overstapten.
Martin hoefde het niet van een auto te hebben, die was zelf meer dan genoeg.
In de tijd van de oprichting van D66, waarvoor wij toen de aankondigingsadvertentie
maakten, reed Martin nog steeds in zijn 544. Martin leek sociaal erg koersvast.
Op Martin zullen velen jaloers geweest zijn, niet vanwege zijn auto maar
omdat hij zo’n zekere positie in het verkeer koos, qua keuze.
Theo
reed allemachtig scherp, terwijl volgens mij de voorwielen van de Volvo
steeds, onafhankelijk van de bestuurder, voor zichzelf een spoor zochten.
Laat ze toch, zei Theo, alles zit stevig vast, trek je er niets van aan,
niet steeds corrigeren, geef alleen de richting aan, als een directeur.
Ik
paste me aan aan dat lege, vage gevoel van de gemikte wielen en probeerde
me aan te passen, zodat ik een boodschapje in de Amazon kon doen, zodat
ik dan even in een echte auto kon rijden, en me kon voorstellen hoe ik na
een tijdje zelf zou rijden, met een krachtige motor, en een stoere carrosserie
om me heen. In die periode stapte ik van de lichtblauwe zeebries van een
Mini over op een Herald Tribune in British Racing Green, en na een jaar
switchte ik naar Peugeot waar ik toen voor werkte, een 204, geen witte maar
een groene, heerlijk luchtig snel, turbinegeluid, beeldschoon, wel heel
anders dan die wonderlijk Italiaanse, dramatische belijning van het klassieke
Engels merk Triumph; ja, het was een Triumph Herald. Nardi racestuur, spatbordlampjes
van Lucas. Heel mooi, in die tijd, en een heerlijk knorrige uitlaat.
Wat zag iedereen in die auto’s? Voordat ik met hem samenwerkte reed
Theo in een zilveren DS. Een ideale auto’s, zei hij, maar hij had
tweemaal zoveel moeten kosten, zodat ze het systeem goed hadden kunnen uitontwikkelen.
Later ging hij Jaguar rijden. Wat las hij voor boeken? Van welke muziek
hield hij? Kon hij wel lezen met die ogen? Hij was in ieder geval wel gek
van Bill Evans, een voorkeur die ik ging delen. Iedereen in onze omgeving
probeerde een stijl uit, om er achter te komen waar het persoonlijke genot
in zat, want niemand had van huis uit een stijl meegekregen. Maar hoe persoonlijk
en hoe waarachtig en hoe duurzaam was hun identificatie met de muziek en
met een automerk? Iedereen had na een tijdje weer een ander levensverhaal
en zong een ander liedje. Niet heel lang na de Katterug, die steeds meer
gezien werd, reed de eerste Alfa straat in. Dat lichtgroen is later nog
een tijd in de mode geweest als huisstijlkleur van bedrijven en organisaties,
ook als kleur in de architectuur. Het schaalmodel kon ik alleen in Zweeds
sneeuwwit krijgen. In onze kring reed ze een tijdje vooral in dat lichtgroen
rond, en ook wel zwart en een niet mooie kleur grijs. Dat lichtgroen, als
ik er een zie, triggert een kleine rilling door me heen.
|
|
Na het maken van de foto voor dit verhaal stond de Katterug een tijdje op
wat apparaten op ooghoogte op mijn bureau, en opeens zag ik de gelijkenis
met de witte Ford van mijn oom Bert uit Bussum. In de oorlog had ik een
half jaar bij hem en mijn tante in Het Gooi gewoond. In Amsterdam hadden
we niet meer te eten en niemand had een auto, maar oom Bert had er nog wel één, begraven in de tuin, niet achter het huis neem ik nu
aan, maar op de tuinderij van de familie buiten het dorp. Na de oorlog had
hij een nieuwe auto, waarin hij voor zijn werk door het hele land reed,
een witte Ford, die de zelfde vorm had, achterkant, sparborden, alles eigenlijk
aan de Katterug. Misschien had Volvo zelfs die vorm van Ford overgenomen.
Van
mijn plan om op de heenweg naar Bussum het dashboard te tekenen is niet
veel terecht gekomen. Dat was mijn plan om de dashboards van alle auto’s
te tekenen waarin ik zou meerijden. Jaren later kocht ik het koffietafelboek
Dashboards, van Phaidon, gaf ik mijzelf een keer als verjaarscadeau. Intussen
was ik al aan een ander project begonnen.
Op
de verjaardag van Tonnie, de zoon van oom Bert, reed ik met oom Bert mee
om bij hem thuis het feest te vieren. Wat ik me daar het meest van kan herinneren
is dat het feest zich verplaatste naar IJssalon De Hoop in Blaricum, waar
je nog steeds het fijnste ijs in de verre omgeving kan kopen. De mensen
van De Hoop waren familie van de familie en wij mochten er onbeperkt ijs
eten. Ik werd dan naar huis gebracht door oom Ton, die in Amsterdam woonde
en de zelfde auto had als die van oom Bert, maar Mercury heette. Oom Ton
had een eigen grammofoon op de markt gebracht, de Joboton, en handelde in
radio’s en later in tv’s van een bekend Duits merk, Grundig.
Hij reed toen in een Rolls, die ik nooit heb gezien. |
3.
Een rijtje Alfa's.
|
|
Denkend aan Alfa’s schieten mijn herinneringen zonder chronologische
volgorde kriskras door elkaar, en als ik denk aan de tijd van de Katteruggen,
dan spring ik terug naar de Herald, mijn auto uit die periode. Na ronkende,
bonkige ritjes met die wonderlijk prachtige Herald, die historisch gezien
nergens op leek, maar eerder een parafrase was van de Italiaanse ontwerper
Giovanni Michelotti dan een echt Engelse stijl. We maakten er gezellige
tochten mee over het gladde wegdek van de bochtige weggetjes in het Zuiden
van het thuisland, en was het een nieuw genot om met de voor die tijd veel
snellere en heel luchtig rijdende Peugeot 204 voor het plezier de deur uit
te gaan. De reden voor de switch en het alibi kwamen vanzelf toen ik voor
Peugeot advertenties ging maken. De 404 was voor advocaten en specialisten.
De 204 had een heel nieuwe vorm die meer iets voor mij was, delicaat, feminien
bijna, had een fijne luchtige wegligging, een geruststellend bochtengedrag
en een heel nieuw geluid door de turbineachtige happy high revving aluminium
motor. Alle 204s waren wit, en ik koos groen. Binnen een week verkocht
ik er één aan een buurvrouw. Hoe lang ik er in reed en waar
naar toe is inmiddels vaag geworden.
Voor
de fotografie die ik voor Peugeot deed maakte ik fijne ritten om typisch
aantrekkelijke en passende locaties te zoeken, en ook zomaar met vrouw en
dochtertje langs de kust van Noord Holland.
Voor
de verandering reed ik liever nu in mn eigen auto dan in de Volvo
van Theo. Bij hem voor de deur zag ik intussen geregeld de rooie Alfa Romeo
GTV van Carel de Vogel, de fotograaf die veel voor Theo werkte. Als de vrouw
van Carel ook langs kwam voor een drankje dan stonden er twee eendere rooie
GTVs achter elkaar, omdat we vroeger niet straten verder hoefden te
parkeren. In de gesprekjes over die autos werd heel vanzelfsprekend
vastgesteld dat als je geen gezin had je het beste zon sierlijke GT
kon rijden. Maar ik had al een vrouw en dochter.
Niet
alleen autos. Theo zat s avonds vaak met mensen uit zijn privé
top-tien op de Zeedijk, en luisterde daar naar de muziek, zei hij, en ging
er dansen. Hij was gek met muziek en goeie apparatuur. Na een paar Irish
whiskys reden we meer dan eens tegen zessen naar Glorie op de Ceintuurbaan
om een nieuw lp van Bill Evans te kopen, of ook wel Gil Evans, die meteen
thuis gedraaid werd. Herbie Hancock, Monk, maar ook de Beatles.
Theo
had niet alleen naam gemaakt in zijn beroep als de grootste art director
en als de lelijkste man in het vak, hij gold ook als de lelijkste man van
Amsterdam, heel anders dan Sartre was hij wel de charmantste existentialist
in de beeldvormingbranche. Er heerste een sfeer bij Theo thuis die ik van
huis uit niet kende, waarin geld van ondergeschikt maar wel een vanzelfsprekend
belang was en alles groots gezien en bekeken werd. Achteraf vraag ik me
af of Theos zienswijze op het monetaire leven werd beïnvloed
door zijn oogafwijking.
De
uitvoering van het zwevende, door hemzelf ontworpen spiegelglad gespoten
wandmeubel, waarin de Gerrard platenspeler en de luidsprekers vernuftig
waren ingebouwd, was een monumentale manifestatie van zijn gevoel voor stijl
en het belang dat Theo daar aan hechtte. Stijl draaide alles om.
Bij Parson, de grijze met een al of niet fake Italiaans accent sprekende
verkoper bij de Alfa Romeo dealer, draaide ook alles om stijl. Heel stijlvol
verkocht hij mij in een paar minuten een witte 1300. De typenaam Junior
zou ik liever niet willen vermelden, maar uiteindelijk was ik ook nog maar
een junior, wat ik door de omgang met de dure heren nog wel eens bijna vergat.
Onze
babydochter kon gerieflijk achterin zitten. Voor ons gezinnetje bleek de
GTV een prachtige familieauto. In korte tijd was ik vertrouwd met het nieuwe
geluid, de kracht van de motor en de wegligging, die ik steeds beter leerde
kennen op mijn ritjes langs de Amstel, of als ik in de buurt van Haarlem
was, langs de Zeeweg naar Bloemendaal, waar ik soms wel drie maal heen en
terug reed, eerst om te kijken of er politie langs de weg stond, en dan
om vrij uit de bochten aan te snijden zoals dat het mooist ging, waarna
ik, als het verkeer dat toeliet, nog eens voluit. En als dat goed ging nog
eens, geholpen door de adrenaline en met een vergroot hart.
De
Juniors waren wit, de nieuwe 1750 voornamelijk okergeel. Dat zette een nieuwe
toon in onze branche. Op mijn ritten langs de Amstel reed geregeld een executieve
of een copywriter mee om ook eens te ondergaan wat het was om in een GT
te rijden. Vooral als het wegdek een beetje vochtig was reed ik driftend
door de bochten, zo ook Theo een keer, en dan weer stilletjes terug, om
de geïnteresseerde te laten kennis maken met de sierlijke grandeur
van de elegante stijl van Bertone. Zo verkocht ik en passant
acht Alfas, waarvan twee Giulias Supers, omdat ze niet allemaal
met een coupé konden thuis komen. De dienstbaarheid en bereidheid
om snel een klant van dienst te zijn werd er aanzienlijk groter door, omdat
de executieves graag overal snel naar toe reden.
Nadat ik een jaar lang geregeld even langs Parson reed, om te buurten en
even te praten, ging ik bijna vanzelf steeds meer dromen van de 1750, een
witte, met een aanzienlijk krachtiger motor. Meneer Kwee van Omnimark gaf
me een gouden draak cadeau, een marketingprobeersel, het Alfa-merk als sticker,
zo groot als de motorkap, waar ik nooit spijt van heb gehad. Ik kreeg de
smaak goed te pakken.
Van
Loek Nerden, sportwagenkampioen van Nederland, waarvoor ik werkte, kreeg
ik vier gigantische alu-wielen met 205 centimeter brede Pirellis,
waarvoor de spatborden fraai door Mudde werden uitgebouwd. Van de Zeeweg
kon ik hem niet meer aftrappen. Dat is geen kunst, in zon Alfa,
zei Nerden toen we een keer achter elkaar naar het circuit reden, probeer
eens zon Mustang op de weg te houden, dan moet je pas echt kunnen
sturen!
Dat
was de tijd dat ik de relativiteit ontdekte, op de autoweg van Alkmaar naar
Amsterdam. Ik reed dat traject elke ochtend als wij in de zomer in Schoorl
woonden. Om zes uur of eerder reed ik weg. Het was dan stil en koel onder
de dennenbomen op onze parkeerplaats, een ideale sfeer om de dag mee te
beginnen.
Tot na Alkmaar reed ik langs het bochtige kanaal en de stad door. Vanaf
de Zuidelijke roundabout trapte ik het gas langzaamaan dieper in, bouwde
ik geconcentreerd mijn concentratie op en werd het stiller in de cabine,
werd ik niet nerveuzer maar stiller, reed ik op scherp en in een soort trance,
180, 190, 200 op de teller. Omdat de diameter van de banden groter was geworden
zal ik sneller dan 200 hebben gereden, 215 dacht ik.
De
snelheid was hoog voor die tijd, maar die ervoer ik niet als zondanig. Want
kennelijk door de concentratie voltrok alles zich langzamer, zoals we uit
de verhalen over ongelukken hebben gehoord, dat alles heel langzaam gaat,
zoals iemand midden in een ongeluk het leven opnieuw beleeft, en alle tijd
heeft om indien nodig de handrem aan te trekken, of iets te doen waardoor
de schade van het naderend ongeluk verminderd kan worden, of helemaal voorkomen
zelfs.
Zo
vroeg in de morgen was het stil op de weg, op de autobussen van Beentjes
en de Bruin na, die werknemers naar de Hoogovens pendelden. Die bussen bleven
ondanks mijn lichtsignalen en een stoot op de Maserati-luchthoorn links
rijden. Ik passeerde ze rechts, voor de veiligheid op de parkeerstrook,
met een verschil van ruim honderd kilometer. Maar ik ervoer dat snelheidverschil
als heel gering omdat alles langzamer ging dan volgens de teller, en ik
kon zelfs zien wie De Telegraaf las en wie De Volkskrant, of wie er zat
te tukken. Het wonderlijke was dat, omdat ik flitsend zo langzaam opschoot,
de subjectief ervaren rijtijd niet korter werd, maar eerder langer, maar
op mijn horloge kon ik wel zien dat ik wel uitzonderlijk vroeg achter mn
bureau zat. Die tijdwinst gebruikte ik dan om af te kicken, de adrenaline
te vermengen met koffie en de krant te lezen in de coffeeshop.
Na
verloop van tijd ben ik minder snel gaan rijden, en duurde de rit voor mijn
gevoel niet veel langer.
Ik schrijf deze alinea in de receptie van Fivan, mijn huidige Alfa-dealer,
decennia later dus, na een rit naar Uitgeest, waar mijn Apple-dealer zit.
Op de heenweg reed ik even 200 in mijn 156, op de terugweg niet veel langzamer,
voortdurend uitkijkend naar cameras en attent op de biepjes van de
radar detector, tot ik bij het stoplicht op de roundabout van Haarlem door
een jongen die naast mij kwam staan er op attent werd gemaakt dat mijn bodemplaat
los hing. Trilt ie niet in het stuur? vroeg de jongen. De monteur zei dat
de schroeven er uit waren getrild en dat ie er gratis nieuwe in had gedraaid.
Onze rit in de GTV naar Alicante zou de laatste worden, de hele dag doorjagen
en vanaf Biaritz door de bergen van de Pyreneeën achter een grote,
donkerblauwe Fiat 2300 Coupé die dat kennelijk al eerder had gedaan.
Door een klein tukje achter het stuur bleef ik fris en kwamen we voor negenen
in Alicante aan.
In
de vroege ochtend hield ik in onbekend Alicante een andere Alfiste aan,
die ik een maand ervoor nog in de stad had aangesproken over zijn banden
en velgen, Harro Ran, een waterpolospeler die huizenverkoper was geworden.
Harro reed voor ons uit naar het flatgebouw waar wij moesten zijn, waar
hij zelf ook bleek te wonen.
Dat
was het moment dat ik denkend aan mijn eigen bescheiden praktijk begon te
beseffen dat ik als playboy te ver was gegaan. Zo heel anders dan Hargen
aan Zee werd het een week vol vreemd strand, cuba libres op het balkon van
onze vrienden tot in de kleine uurtjes en mateloze heimwee tot tranen toe
naar de twee dochters in Schoorl waar mijn ouders op pasten.
Op
de terugweg werd ik op een bochtige weg naar Orléans verblind door
een tegenliggende camion en reed ik op een muurtje. De rechterkant van het
chassis was tien centimeter korter geworden dan de linker kant. Dat heeft
Mudde nooit helemaal goed gekregen, omdat de enorme wielen bleven trillen,
waardoor ik het tijd vond om niet door te gaan met het jakkeren langs de
grens van de idioterie en een echte familieauto wilde kopen.
Toen ik de showroom van Citroën op het Stadionplein binnen liep, en
ik de verkoper zei dat ik een auto wilde kopen, leidde hij me gelijk naar
de ruimte waar de eenden stonden en de Amis. Of ik daar iets tussen
zag staan, vroeg de verkoper. Ik denk van niet, zei ik, en ik liep terug
naar het draaiplateau waarop een door haar veren gezakte witte snoek lag.
Of die te koop was, vroeg ik. Dan neem ik die.
De
koop was net zo snel gegaan als de koop van mn eerste auto. Ik zei
dat ik een auto wilde inruilen die buitenstond. De verkoper keek onwillig
naar het parkeerterrein. De gouden Alfa-draak lag gaaf en nog even glanzend
op de motorkap. Ik wees haar aan. Er kwam een taxateur bij. Snel werd duidelijk
dat ik een heel bedrag toe zou krijgen. Aan het eind van het jaar kreeg
ik nog eens vijftienhonderd gulden op mn rekening overgemaakt, nadat
de prijzen waren gezakt. Als meneer Kwee - die later de eerste was op de
markt van fleet marking - mij zou aanbieden om een gouden snoek op de motorkap
te plakken, zou ik dat niet gedaan hebben. Ik ging voor de verandering voor
Franse esprit en esthetiek.
Toch
verstandig geworden, zei Theo.
Later
zei hij uit eigen ervaring dat het een fantastische voiture was, maar dat
ze twee keer zo veel had moeten kosten om het systeem goed te krijgen.
|
|
4.
De eerste autos.
|
|
Tussen de zonnige glorieuze ritten in de Horch en de eerste kilometers in
mijn eigen lichtblauwe Mini liggen niet eens zo heel veel jaren. Ik sprong
door associatie van de lichtgroene droomvoiture naar de lichtgroene Katterug.
Vanzelfsprekend zou ik verder kunnen peinzen over mijn avonturen met de
witte nieuwe Citroën, maar ik heb de behoefte om toch weer even terug
te gaan naar het begin, het vervolg op mijn Vlaamse Fiat-tijd, vooral ook
omdat er aan de witte snoek nog een gele voorafging.
Ik
zet het modelletje van mn eerste auto op mijn Olivetti schrijfmachine
en de beelden komen weer terug, de fantasieën die ik er als jongen
op schreef over een systeem dat verder ging dan de navigatiesystemen die
nu in veel autos standaard worden geleverd. En ik droomde over een
veersysteem dat werd gerealiseerd in de Citroën Activa. De toen gedroomde
toekomst komt terug, en mijn autoavonturen in België.
Tussen
twee vakanties bleek de Horch DKW te zijn vervangen door een Fiat 1100.
Opeens was het leven anders geworden. Na de grandeur van het rijden in de
open Horch DKW ervoer ik de overstap naar de Fiat als in een andere wereld.
De Millecento die voorafging aan de latere, de wat eleganter gerestylede
1100, was uiterlijk niet te vergelijken met alle autos die er in die
tijd waren, maar wel een beetje met de stijl van Olivetti, zo voel ik dat.
Het was een echte rijmachine, introvert, bescheiden, compact, niet meer
voorstellend dan wat ze was, nee veel méér dan ze leek, sierlijk
in de no-nonsense eenvoud van de vormgeving, eenvoudige gril, strakke voorspatborden
zonder glimmend sierspul, mooi afgeronde achterspatborden met eenvoudige
achterlichten, die later gerestyled werden tot een mal puntig vinnetje.
In de latere 1100 was de pure eenvoud van de 1000 niet meer terug te vinden.
En de deuren deden het! Er zat een profiel in waarvan vermoed kon worden
dat het er in was geperst voor extra stevigheid. De kennelijke functionaliteit
was aandoenlijk en vertederend. De auto van mijn oom was groen, mijn lesauto
grijs. Ik heb er een modelletje van, en ik word telkens warm van het model,
de kleur, en de herinneringen.
Omdat
mijn oom zo enthousiast was over de wegligging en acute acceleratie verbaasde
het mij over de onuitgesproken, verdwenen passie voor de Horch. Ik hoorde
hem er niet meer over. Toen begreep ik nog niet dat je achtereenvolgens
achterelkaar in verschillende levensfasen kan vallen voor verschillende
autos. Later besefte ik dat mijn oom niet vasthield aan definitieve
voorkeuren. Voor de oorlog had hij notabene in een Minerva gereden, toen
een treetje hoger dan een Rolls. Hij was het ook die verzuchtte dat als
hij niet elke dag de baan op moest, hij het liefste een Messerschmitt
had. Mijn oom was eigenlijk een komiek, en ik zag zijn verzuchting als een
grap, maar later ben ik gaan inzien dat hij het meende. Nu zou hij het waarschijnlijk
groots vinden als ik in een Carver langs kwam.
Onder
het toeziend oog van mijn oom als coach reed ik al snel als een volleerd
chauffeur, maar het duurde toch nog een paar jaar tot ik mijn rijbewijs
had. Nu ik het overzicht heb en zo ver terug kijk zie ik opeens dat het
niet meteen halen van mijn rijbewijs het gevolg was van dezelfde examenvrees
als waardoor ik voortijdig uit de school dropte zodra dat op mijn zestiende
wettelijk niet meer nodig was.
Als vervolg op mijn laatste ritten in de Fiat 1100 van mijn oom begon ik
op mijn achttiende meteen met mijn autorijlessen.
Ik
zat in de Fiat 1100 lesauto als in een snel, praktisch gestyled windjack
en ik genoot van de directheid in het stuur en de reacties van het gaspedaal.
Elke bocht was een sensatie. Sportief, had mijn oom opgemerkt. Ik zocht
er andere woorden voor, acuut en potent. De lesauto van Jardin, op z'n Jordaans
uitgesproken, had een open uitlaat. Als we er in de buurt waren reed ik
door de nauwe Utrechtsestraat en trapte het gaspedaal op de vloer. Bij de
volgende brug backfired de uitlaat tegen de huizen op, wat ik jaren later
nog wel eens deed op mn Harley. Mijn instructeur genoot daar net zo
van als ik.
Ik
reed tweemaal af en zakte voor mn theorie, als ik me dat goed herinner.
Toen ik jaren later opnieuw probeerde af te rijden, in de rode Mini van
meneer Hebing, startte ik de motor terwijl de pook in een versnelling zat,
nog net de frictie kon intrappen en op de rem, maar ik kon het meteen al
vergeten, omdat ik bij het eerstvolgende kruispunt een onverwacht schielijk
aanrijdende auto van rechts geen voorrang gaf. De examinator trapte op de
rem. De tweede maal ging het gesmeerd en. Dat was maar goed ook, omdat in
de garage van Graftdijk mijn lichtblauwe Mini al stond te wachten.
Op
Zandvoort had ik de Fiat 1100 hoog zien finishen in de Tulpenrally, een
wonder, misschien was ze wel één in de kleine klasse, ook
in die cool gray kleur, of toch een zachtgroene kleur, adembenemend, maar
voorlopig onbereikbaar. Ik berekende wat bereikbare alternatieven mij maandelijks
zouden gaan kosten. Het grootste probleem werd opgelost door mijn vader
die me het aankoopbedrag voorschoot. Anders dan de 1100 zag ik veel in de
Austin Seven, het type waarin ik sgelest had. Niet de Austin A30, die heel
klassiek was, een fossiele mini voor bij een poppenhuis, een cartoon van
de A40, een mini compact.
|
|
Het leven met de Seven dat ik voor ogen had zou er uit moeten zien als op
de fotos in de folder, geparkeerd op het gras van de common
in een Engels dorpje, geanimeerd pratend met vrienden. Omdat ik nu zo ver
kan terug kijken blijkt het een vooruitziende blik geweest, omdat wij later
met een latere auto en onze één na oudste dochter en haar
man en dochter en onze kleinzoon met net een zelfde Mini, meermalen op de
common van hun kleine stadje op het gazon van de locale pub zouden zitten.
Vakantie
met de Seven in de buitenlanden had ik veel in gezien, had ik van gedroomd
toen ik mn rijbewijs en de Seven nog niet had, Zuid Engeland, Wales,
maar omdat ik trouwde kwamen we niet verder dan een huisje in Noord Brabant,
dagelijks vanuit Amsterdam snel te bereiken.
In
de drukke werkweek reed ik veel naar klanten, maar we reden toch wel hier
en daar naar toe op de Zondagen waarop het in het begin van de zestiger
jaren nog niet zo druk was op de weg. Ik was opgetogen over mijn eigen wielen.
Al snel haalde ik de chromen wieldoppen er af en om beurten schilderde ik
een wiel in de zelfde kleur blauw als de carrosserie, waardoor het enige
truttige van de Seven was ontdaan.
Elke zaterdag waste ik de zachtblauwe carrosserie en de chromen kogelvormige
race-spiegel die ik bij Van Lennep in de PC had gekocht, de Flo-line racespiegel
van Checkered Flag, en ik vond dat poetsen en glanzen heerlijk. De race-uitlaat
heeft maar heel even een zwaar gebulder uitgestoten toen ik de eerste keer
fors accelereerde. Ik dacht niet aan een racestuurwiel, hoewel ik geregeld
bij Graftdijk met verhoogde temperatuur stond te kijken naar uitmonstering
van de Cooper waar de verkoper in reed.
Eén
van de eerste tochten die wij maken was naar mn familie in België
. Onze babydochter was nog niet bijgeschreven op het paspoort van één
van ons, dus zou dat problemen kunnen opleveren bij het passeren van de
grens. De lieve schat zal verder in deze herinneringen niet zo'n rol spelen,
hoewel zij zelfs een boek waard is, zoals ook mijn andere dierbaren, om
te voorkomen dat ik de weg kwijt raak tussen de wielen, waar het om gaat
in dit journaal. Vlak voor de overgang legden we haar onder een dekentje,
lieten onze passen zien, en reden opgelucht met ons drieën verder.
Het werd een dag vol vrolijk gelach, grote sneeën brood, anekdotes
en frites in de avond. Het was duidelijk dat ik, nu ik op eigen wielen stond,
niet meer met mn oom op stap zou gaan maar met mn eigen gezin.
Dat voelde ik in een triomfantelijke stemming ook wel als een verlies.
Wat
zie je nu in zon Mini, vroeg Jan, een lieve vriend uit het Zuiden,
die verzot was op zijn eend.
Die
eend past bij jou, had ik gezegd, carnaval en landelijke vrolijkheid. Kijk
maar eens naar de advertenties, dan weet je waarom een eend niets voor mij
is, want in die omgeving ben ik niet thuis. De eend is jouw wereld, jouw
leven, slanke fotomodellen, malligheid, en de intellectualiteit van de mensen
die er echt in rijden, de intelligentsia die zich afkeren van het protserig
autobezit, maar toch droog bij hun ouders willen komen. Het klinkt misschien
hard, maar een eend is in mijn ogen geen serieuze auto. Ik ben trouwens
geen boer die zn eieren over zandpaden naar de markt brengt. Het zal
niet voorkomen dat ik een kerstboom wil vervoeren, en ik wil niet kwetsbaar
in een sheltertje moeizaam tegen de wind in waggelen. Ik wil zonder die
romantiek gewoon aankomen op het afgesproken tijdstip. Ik zou wel een Rover
willen, of als ik meer kon uitgeven een Sunbeam Talbot, of nee, toch maar
een Fiat 1100, maar dat is natuurlijk onzin. Ik heb het beste gekozen wat
in mijn ogen nu het modernste is wat voor mij nu bereikbaar is, met voldoende
ruimte, en een goede wegligging op de wegen waar ik nu over rijden zal.
Jan
ging voor Datsun werken en kwam af en toe met een nieuw model langs dat
hij moest fotograferen. Het waren niet de autos waar wij lang over
praatten.
Op
tijd aankomende de Seven begon een probleem te worden toen de winter kwam,
de winter van 62, de koudste winter van de eeuw. Ze stond geparkeerd aan
de wallenkant van een gracht in het centrum. De procedure was, had ik proefondervindelijk
uitgevonden, om een half uur voordat ik weg moest de motor te starten, wat
niet lukte, maar een half uur later op het nippertje wel. Op ochtenden dat
het zelfs voor dit startsysteem te koud was belde ik de vliegende monteur
van Graftdijk, die snel kwam en opnieuw siliconenspray op de verdeler spoot
en de motor startte met de eigen accu.
De
garage kon me niet helpen, bleek. Ook de Wegenwacht wist geen raad. Hoewel
ik double clutchte was na een jaar de synchromesh van de versnellingen verdwenen.
Het begon een groot probleem te worden omdat ik er niet op kon rekenen op
tijd bij mn klanten te zijn.
Ga
eens langs Karel, zei mijn zwager, die zn autos bij Karel haalde.
Karel
had een rijschool en deed ook in occasions, net ver uit de buurt. Karel
zag er uit als een toffe gozer, en hij zei ook dat hij mij graag zou willen
helpen, als zwager van een goeie vriend. In een hole in the wall garage had hij een eend staan, een Panhard zoals mijn zwager er een had,
en een snoek, een gele snoek, een ID19, die van een rijke advocaat uit Limburg
was geweest. Ze zag er goed uit, in het donker van de nauwe garage. Die
zal je niet in de steek laten, zei Karel lachend. Hij ruilde de Mini voor
wat ze waard was volgens het boekje, en zonder bij te betalen reed ik de
volgende dag als een prins naar huis.
Het
zwevende rijden was een sensatie waarover ik alleen gehoord had, en de luxe
van een auto die het altijd deed was ook ongekend. Wij maakten ritten met
mn ouders, en het leven was rijk. En ik demonstreerde mijn riante
voiture aan Nico die in een Rover 75 reed, maar wel positief gefrappeerd
was.
Op een mooie zomeravond reden we na het eten naar het bos om vanaf het parkeerterrein
bij de manege naar de heuvel te lopen. Dat was een heerlijk uitje totdat
de snoek niet meer van de grond kwam, omdat het systeem zichzelf niet meer
oppompte. Zonder vering reden we laag boven de weg bonkend naar de uitgang
waar de spoorwegovergang, die in een bult in de weg zat, ons belette het
bos uit te komen omdat de onderkant over de rails schuurde. Ik reed terug
tot waar de helling begon en nam een aanloop en met een oordovende bonk
waren we het bos uit.
Het
sprookje was uit.
Bij de Citroëngarage vroeg de chef bij wie ik de auto had gekocht.
Oh,
zei hij, bij Karel, dat is niet zo best.
Na
veel aandringen zei de chef dat hij het systeem wel provisorisch kon repareren,
maar dat dit geen garantie was voor een probleemloze toekomst. En hij voegde
daaraan toe dat het meer voorkwam dat de garage de gebreken moest repareren
aan autos die bij Karel waren gekocht. De auto was niet meer dan een
kwart waard van wat ik er voor betaald had. Probeer er van af te komen,
zei hij. Even na dit voorval huurden we een huisje op de Veluwe, waar ik
naar toe zou rijden als het werk dat toeliet. In de avond heen, en s
morgens terug. De eerste keer dat ik dit deed was er een bonkend getril
ergens achterin, soms even weg, en dan was het er weer. De Wegenwacht vertelde
me dat de velg van het middendeel van het wiel was losgekomen. Zo langzaam
mogelijk ben ik naar Karel gereden die er heel luchtig en joviaal over deed.
Karel,
zei ik, je zei me dat als de auto niet beviel, ik hem kon terug geven. Dat
wil ik nu doen.
Wat
er toen volgde valt buiten de context van dit relaas. Kennelijk omdat hij
niet kon afgaan tegenover zijn vriend, de zwager die ons in contact had
gebracht, kreeg ik het voor elkaar dat ik een nieuwe auto kon krijgen, of
kopen eigenlijk, een Simca 1000, bij een relatie die toevallig in een straat
achter ons zat.
De Simca was een raar hoekig autootje, maar het had het voordeel dat ik
nu probleemloos kon rijden. We hadden nog een week op de Veluwe. Met mijn
zusje reed ik in de Simca, die nog maar twee dagen oud was, na zessen de
stad uit.
Op
de uitvalsweg schoot een Citroën de file uit en ik klapte er boven
op. De man stopte niet, maar reed met hoge snelheid verder. Niet weten wat
voor schade hij aan mijn auto had aangericht reed ik zo snel mogelijk verder,
met de hoop tenminste het kenteken te kunnen noteren. Bij Muiden, waar een
nieuwe brug werd gebouwd en ook aan de weg, passeerde ik de daar stilstaande
autos en zag de Citroën in de file. De man aan het stuur had
mij ook ontdekt en schoot opnieuw de file uit. Ik klapte er bovenop en ik
schoot naar links en tegen en op de betonblokken waarmee de wegverlegging
werd aangegeven. Dat ging niet in een flits, maar ik kon toch niet het in
deze situatie onstabiele autootje in de hand houden. De Simca was total
loss. De politie van Muiden, die snel ter plaatse was, was niet geneigd
om aan een corps verderop te vragen uit te zien naar een Citroën met
een niet onaanzienlijke schade aan de linker achterkant. Wel wilde de politieman
dat ik eigenhandig de door mij aangerichte schade aan de weg zou herstellen,
het terug plaatsen van de betonblokken die door de klap niet meer in een
rechte lijn lagen. Het kostte nog heel wat moeite om de man daarvan te laten
afzien.
De
volgende dag reed ik in een eend van Karel opnieuw naar de Veluwe, en twee
dagen later in een nieuwe Simca.
Door
wat er toen gebeurde heb ik de aansluiting gevonden met het derde hoofdstuk.
Ik
werkte in die tijd voor Renault, voor een bevriende executive die in een
Herald reed. Hij kreeg een Renault van zijn baas en de gloednieuwe Simca
leek hem een buitenkansje voor zijn vrouw, omdat de Herald voor haar weinige
kilometers te duur zou worden. Er zal wel een voor hem interessant prijsverschil
in gezeten hebben, maar ik wilde graag ruilen. En zo gebeurde het. Ik kocht
een mooi stuur bij Van in de PC en Lucas guard lights in de Ruysdaelstraat.
Ik poetste de Herald bij de pomp op het plein aan de overkant en zette het
zwarte leer in de was, en ik was gelukkig.
Van
derden hoorde ik dat de executive hun had verteld dat hij mij in de deal
aardig te pakken had gehad en ik schreef zijn naam in mn virtuele
zwartboek.
|
|
5.
Een Atlantic
op het randje.
|
|
Op een rondtoertje op de Harley met Willem werd ik in Loosdrecht getroffen
door een in de avondzon langs de weg geparkeerde Bugatti T57 Atlantic, nog
niet eerder in het echt gezien, want het museum in Mulhouse had ik toen
nog niet bezocht. De lijnen waren eleganter dan ik me had voorgesteld, de
glans van de lak was diep en rijk. De vorm was overweldigend grootser dan
in de schaal 1:43 waarin zij thuis in het rijtje Bugattis stond. De
stoelen waren cool en veelbelovend. De sleutel zat in het contactslot! Ik
dacht aan Paleis Soestdijk, waarvan de voordeur open stond. Wat zou er gebeuren
als ik er in wegreed, in dit wereldkunstobject? Ik had een garage. Daar
zou ik hem in kunnen zetten, maar na middernacht, zodat de aankomst van
het kunstobject door niemand opgemerkt zou worden. Ik zou even mijn hand
op het dak kunnen leggen.
Mijn
gedachten gingen naar Prinses Irene, die ik ook niet uit het Paleis zou
kunnen meenemen, voor welke actie ik ook geen sleutel nodig zou hebben als
ik op het goede moment naar binnen liep, maar hoe lang zou ik het stil kunnen
houden, en wat moest ik dan met mijn Harley. De sleutel zat er in. Als niet
Prinses Irene in de passagierstoel had gezeten maar Audrey Hepburn, dan
had ik wat langer moeten nadenken, dan had ik vliegensvlug mijn twee spontane
liefste wensen in één klap kunnen vervullen. Wat kon ik, wat
moest ik? dacht ik, terwijl mijn blik over haar geklinknagelde sierlijke
rug van gleed.
Hoe kon ik hiermee weg komen, en hoe moest ik dat regelen met mn Harley
die zou achterblijven en die ik wel wilde houden, omdat ik in mn Bugatti
niet zou kunnen rijden. Wie houdt mij vanachter de geraniums in de gaten?
Zou Willem doorslaan als de recherche hem kwam opzoeken. De kleur van de
bekleding was zo inviterend en het geluid zou ik van moeten huilen van emotie
en gelukzaligheid, en ik zou misschien wel flauw vallen. Hoe weinig zal
er mee gereden zijn, en wie heeft er mee gereden? Een prinses? Een snelle
baron? Teveel vragen om snel te kunnen beantwoorden.
Dat
ik nog geen Atlantic had gehad woog misschien niet zwaar genoeg om met deze
weg te rijden; er was zo veel wat ik nog niet had bezeten. Hoe zou de reactie
zijn van mijn dochter die toen ze klein was op de salonrafel zat naast de
35B die ik had gebouwd en die denkbeeldig achter de Atlantic stond. Dat
was een fragiel model, maar ik kon er op vertrouwen dat ze dat niet door
onvoorzichtigheid of kinderlijk gedrag kapot zou maken. Zou ik ooit haar
vertrouwen kunnen beschadigen door de gevolgen als ik dit zou doorzetten?
Jaren
later, toen zij in in Edgware woonde, een plaatsje boven Londen, en wij
haar opzochten en voor de deur wachtten tot zij mee zou gaan voor een rit
naar Chipping Norton, hoorde ik in de verte een Bugatti naderen. Het was
een 35B. Zij stopte voor de car parts winkel beneden de flat van onze dochter.
De berijder sprong er uit, liet de motor draaien, ging de winkel in, kwam
na een minuut weer buiten, sprong in de Bugatti als in een Le Mans start,
en reed weg alsof hij een race te rijden had. Het geluid resoneerde in mn
maag.
|
|
6.
De E-Type,
een oude droom.
|
|
Op een zwoele zomeravond in 1950 in Bergen liep ik met mijn ouders en mn
zusje van het treintje Bello naar ons vakantiehuis. De zon van het strand
zat in mn huid en ik voelde me rozig. Het begon al donker te worden.
In het licht bij de benzinepomp stond een drom mensen om een auto die ik
niet kende. Ik drong naar voren en zag een Jaguar XK120, een goudkleurige
open roadster. Ik had een foto van zon auto in de krant gezien. De
bestuurder praatte met een omstander. Ik kom net uit Parijs, zei hij. Heb
ik zes uur over gedaan, is dat niet formidabel? Wie is dat vroeg iemand
aan een ander. Bos Eyssen, was het antwoord. Van de kaas? Een halve dag
racen in zon auto, dacht ik. Het dashboard was gemaakt van in cirkeltjes
gefraisd aluminium. Het stuurwiel kon met een grote veer naar voren en naar
achteren versteld worden. Een prachtige kogelvormige knop in het midden.
In de krant had een foto gestaan van de geslaagde recordpoging op een stuk
afgesloten snelweg bij Jabbeke in België, 120 mijl per uur. Deze 120
werd het typenummer. Een prachtige vorm zoals ik die niet eerder gezien
had.
Deze
belevenis is altijd een levendige herinnering gebleven, aan onbezorgde vakanties
en dromen van de toekomst. Ik las een boek over wielrennen en fietste door
de duinen en dacht aan de tijd dat ik zelf een auto zou hebben, zodat ik
een keer naar Parijs zou kunnen rijden.
In
de loop van de tijd had ik mijn wensen ingevuld en was ik getrouwd en waren
we naar Parijs gereden, en al verder zelfs. Ritten door Engeland. Een indrukwekkende
herinnering van een rit ergens boven Londen is van een bijna-ongeluk. In
het verticale vlak zaten er grote bochten in de weg, heuvels en diepe dalen.
In de ochtend reden we westwaarts over een smalle amper tweebaans weg. Midden
uit de weg kwam een tankauto omhoog. In een reflex stuurde ik naar rechts,
de tankauto nog meer, voor de chauffeur naar links, om mij te ontwijken
van de weg af en de heg in. Shaky liep ik op de bestuurder toe, een vreselijke
uitbrander verwachtend. Met een gezicht waaruit verwondering sprak vroeg
hij: How could that ever happen? Ik vertelde dat ik van het continent kwam
en dat toen ik zijn truck over de top zag opdoemen mijn instinctieve reactie
andersom en verkeerd was. That may happen as weve seen, zei de tankautoman.
In
mijn achterhoofd stond vanaf dat moment altijd een 120XK. Die heb ik ingeruild
voor een E-Type toen deze uitkwam. Een medewerker op de studio had haar
gebouwd in de gigantische schaal van 1:12. Met werken kun je niet rijk worden,
hoorde ik meermalen. Ik zag geen andere manier om aan het benodigde geld
te komen voor zon prachtige auto.
In
de showroom van Sportscar Special, van Loek Nerden, waar ik geregeld kwam
met mijn Alfa 1750, voor de huisstijl van de zaak en advertenties, stond
een rooie open E-Type, beige leer.
We praatten er over, ik vroeg aan Loek hoe zon auto nou anders reed
dan de mijne. Dat is niet echt te vergelijke, zei hij. Ze is groter natuurlijk,
en de feel is niet te vergelijken, je voelt aan alles dat je in een race
bred car zit. De motorkap, met eindeloze golvingen en welvingen, leek me
erg kwetsbaar, en het leek dat er weinig verband in zat, maar wel de mooiste
motorkap van de wereld. Ik heb het al eerder gezegd, zei Loek, ze lijkt
in niets op jou Alfa, die eigenlijk heel dociel rijdt, heel braaf. This
is a car from quite a different league. Ik betwijfel of het iets voor jou
is. Maar je mag er best even in rijden.
Deze
fascinerende, fenomenale supercar kon niks voor mij zijn, omdat ik de vader
in een gezin was met twee kleine dochters. Een auto met een open kap kon
nooit een geschikte auto voor ons gezin zijn, maar wel de meest fantastische
voor mijzelf.
Met
het starten van de motor sloeg de wijzer van de hemelse geluksmeter in de
rooie zone.
Langzaam
reed ik de ventweg af, heel onwennig zittend in de voor mij te ruime cockpit.
Wel voelde ik me thuis achter het dashboard en de zwarte meters met de witte,
heel feitelijke cijfers. Ik reed bedachtzaam de grote weg op en werd gelijk
overvallen door heimwee naar mn Alfa. Niet te voorbarig, dacht ik.
Ik was te druk om te zien hoe het beeld van deze performance op de medeweggebruikers
overkwam. Ik moest alle aandacht aan de bediening geven. De banden leken
te groot, ze trilden ook. Langzaam door de stad. Bloemendaal, Kraantje Lek,
hier hoorde deze automobiel thuis, de lanen met hoge bomen, de gazons achter
de heggen. High tea on the lawn bij Sir William Lyons, cucumber sandwiches.
Een brullende leeuw in toom gehouden door de butler. Een badge op mijn blazer,
zoals Nerden.
Op
de Zeeweg gaf ik wat meer gas. Een vertrouwd traject. De hele body trilde
wat erger werd als ik meer gas gaf. En als ik gas gaf dan kwam niet gelijk
de acceleratie die ik verwacht had, waarop ik me mentaal en fysiek had ingesteld.
Ik stopte de E-Type en probeerde nonchalant uit te stappen om in deze neutrale
omgeving opnieuw naar de schone vormen te kijken. Een rooie kat in het veld.
Ik opende de slappe motorkap en stond even rustig stil bij de motor die
beloofd had dat geweldige vermogen te leveren. 265 pk wist ik nog, 240 km
per uur.
Ik
stelde me voor hoe mijn vrouw en kinderen in de wind zouden genieten van
deze playmobil.
Zelf
voelde ik me een zwerfkat. Ik zou de vrijwel nieuwe Alfa kunnen inruilen
voor deze machtig mooie sportwagen. Maar hoe happy zou ik van die ruil worden?
Na
de draai bij het Bloemendaalse strand dacht ik wat verder te gaan, maar
de acceleratie bleef uit, en schudderend met het schokkerige stuur vergat
ik mijn spontane plannetje om op de terugweg in Overveen even langs Maus
Gatsonides te rijden. Misschien was deze occasion niet geprepareerd voor
de verkoop en niet klaar for the occasion dat er iemand in zou gaan rijden.
Ik verheugde me er op om weer snel in de Alfa naar huis te rijden. Ja, zei
Nerden, je moet voor zon car een groot hart hebben.
|
|
Oh, een nawoord. Bijna vergeten.
Een
tijdje voordat ik de rit met de E-Type maakte ontmoette ik Bob McClaren,
destijds art director bij het toen vermaarde reclamebureau Smit. Via Theo
geloof ik.
Ik had in die tijd een paar keer staan kijken naar een zwarte Invicta,
die geregeld geparkeerd had zien staan aan de wallekant van de Prinsengracht,
dicht bij de Leidsegracht. Dat was kennelijk mogelijk, in het Amsterdam
van die tijd. Deze Engelse sportwagen was sierlijker dan een Bentley,
zal ook veel beter hebben gereden, omdat de Bentleys erom bekend
stonden dat ze reden als vrachtwagens, de snelste op Le Mans, met een
blower, maar toch een vrachtwagen, heel prachtig en indrukwekkend, maar
een locomotief zelfs.
Die
Invicta was slank en prachtig gelijnd, elke keer langer dan ik mij haar
herinnerde, en ze bleek van Bob te zijn, helemaal zelf gerestaureerd.
Wij
kwamen in contact, ik weet niet meer hoe, en we praatten over de XK120
Coupe die hij ook had. En passant liet hij fotos zien van de restauratie
van de Invicta, de restauratie van een paleis, nee, van een automobiel
van de klasse van Bugatti. Deze show was heel ver van mijn bed, nooit
iets voor mij om van te dromen, maar wel van de XK120 die Bob wilde verkopen,
aan een liefhebber, zei hij.
Toen
hij voor reed bij mijn huis was een vriendin gelijk helemaal weg van Bob,
wat ik nog weken heb gehoord. En ik was op slag weg van de Jaguar. En
ik begon al te rekenen, in geld en praktische mogelijkheden voor mijn
dagelijkse praktijk, ritjes in de stad, waar mijn meeste relaties en klanten
zaten, en zetterijen en drukkers, en in het weekend naar de kust, of pannenkoeken
eten in een andere mooie omgeving. De waarde van mijn Alfa 1750 was zon
beetje de zelfde als de XK120. Maar hoe moest ik de verkoop en de aankoop
synchroniseren?
Ik
kreeg een blos en onmiskenbare verhoging en ervoer het als een ongedroomd
feest om met Bob een rondje te maken. Via de Buitenveldertselaan naar
de Amstel.
Bob had het postuur en een beetje het uiterlijk van Napoleon. Hij reed
ook alsof hij op tijd in Waterloo moest zijn. Zo charmant en romantisch
als hij over de auto had uitgewijd, zo heftig zat hij achter het formidabele
racestuur. Elke keer als hij overschakelde deed hij dat met een plotselinge
uithaal naar de pook en met een daarop volgende schok, die mij de indruk
gaf dat het mechaniek op een heel geslepen manier behandeld moest worden,
alsof de volgende versnelling een overwinning was op de vorige. Fel, parmantig
en gedecideerd. Ik kon niet aanvoelen wat er gebeurde.
Tijdens
die rit kreeg ik geen fijn idee van hoe het voor mij en mijn familie zou
zijn om hiermee een toertje te maken. Iets klopte niet in mijn droom,
de beeldige schoonheid en het fanatisme waarmee die kennelijk alleen tot
haar recht kon komen.
Ik
kreeg helemaal geen goed gevoel van de schone en luisterrijke elegantie,
maar een prachtig gelijnde strijdwagen. Het was een evenement om even
Bob in huis te hebben gehad, en om een ommetje gemaakt te hebben in een
auto waarvan ik verschillende modellen als eerbetoon nog steeds om me
heen heb, maar tijdens de rit was meteen mijn geïnspireerde hebzucht
verdwenen.
Het
was een verliefdheid die ik nooit verwerkt heb. Nog steeds klopt mijn
hart sneller als ik een XK120 in een film zie, of op een prachtige dag
passeer op een English country road, eigenlijk net zo als bij een E-Type.
Zij passen niet in mijn wereld, maar wel als een opwindend gedicht, een
ontroerende passage, een herinnering, een steels verlangen.
|
|
Mijn kennismakingen met deze Jaguars dateren uit een ver verleden. Inmiddels
heb ik jaren open gereden, niet als mooi weer rijder, maar door weer en
wind, ook regen dus, en ik ben de stilte zonder het geloei van de rijwind
gaan prefereren, veraangenaamd door een airco. Zonder de behoefte aan het
tomeloos gewapper ben ik de coupés meer op hun vorm gaan beoordelen,
en vind ik nu de fixed heads, vooral van de Jags, veel aantrekkelijker.
Dat
is ondervinding, dat weet je niet vantevoren. Had ik, als ik alles had geweten,
blijven wonen waar ik woonde, waar ik mezelf denkelijk nog steeds thuis
had gevoeld, en als ik niet allerlei koersveranderingen had gemaakt, waar
ik overigens allerminst spijt van heb, had ik dan Bobs 120 moeten
kopen en later een E-Type, had ik dan een ensemble gehad waar ik nog steeds
heel content mee geweest zou zijn? De garage had ik. Er was plaats voor
beide.
De
120 is nog steeds verrassend, een autonome icoon waarvan de lijnen traceerbaar
zijn in de modellen van tijdgenoten. De E-Type, het eerste model vooral,
wie vindt haar niet nog steeds stunning? Op de motorkap van de E-Type staan
Flo-line racespiegels van Checkered Flag, een typische accessoire voor die
tijd.
|
|
7.
De Chauffeur.
|
|
Mijn eerste baas, de directeur van het reclamebureau waar ik mijn eerste
baan had, was een kleine man. Hij leek een beetje op Louis Davids, maar
volgens mij was hij veel creatiever dan de kleine zanger. Misschien zou
hij zelfs wel een populaire songtekst hebben kunnen schrijven.
Mijn
baas was in het reclamevak begonnen als tekenaar, als ontwerper op het toentertijd
beste reclamebureau, en voor de oorlog begon hij voor zichzelf. Toen liet
hij zien dat hij veel groter was dan zijn lengte.
Hij
had een scherpe kijk op marketing, op verborgen verleiders, typografie,
fotografie en teksten. Later vertelde hij hoe hij die schreef. Hij zorgde
ervoor dat hij alles over het product en de markt te weten kwam. Hij keek
dus naar de concurrentie en hoe die reclame maakten, en hij keek naar de
mensen die hun producten kochten. Dan begon hij thuis te broeien en pakte
een boek uit de kast en vond al snel een passage of een regel die hem op
een spoor zette. Niet eens een boek met quotes, nee een boek uit de wereldliteratuur,
of zelfs soms wel een detective. En opeens had hij het! Zo vond hij thema's
voor de campagnes voor zijn klanten, al spoedig de grootste van Nederland.
Zijn
bureau werd het grootste en het beste, en zijn auto was de kleinste, een
Renault Quat' Chevaux. Een mooi autootje, mooi van vorm, en nog steeds,
maar wel héél klein. Mijn baas reed niet zelf, maar een chauffeur,
in uniform, met een pet. Naast zijn chauffeur zittend werd mijn baas naar
Eindhoven gereden en naar Den Haag, de ontwerpen in een boodschappennetje
op de achterbank. De chauffeur was een grote man, de man naast hem had het
postuur van zijn zoontje, en het was de grootste man in de reclamewereld.
In
die tijd reed ik wel eens mee met Hubert, één van de drie
art directors waarvoor ik werkte. Hij was Amerikaan, en had in de States
zo'n typische, enorme Amerikaan. Maar voor zijn verblijf in Amsterdam had
hij een Renault gekocht, een zelfde als de directeur. Ik vond het een poppenautootje,
de stoelen waren poppestoeltjes die, herinner ik mij, heel pontificaal allenig
op de vlakke vloer stonden, met daartussen heel ieltjes de pook, als een
kinderwandelstokje. Hubert deed met de Quat heel kleine boodschapjes,
geen biefstukken zoals Amerikaan die aten, maar een heel klein stukje van
een paar ons.
De
vrouw van mijn baas had een Riley. Zij had een rijbewijs en bestuurde de
auto. Mijn baas was al meer dan veertig keer opgegaan voor zijn rijexamen,
maar slaagde niet. Maar hij kon zich een chauffeur permitteren en kon op
zijn zakenreizen en reisjes doorwerken, door denken en krabbeltjes maken
die op zijn bureau vermaard werden, piepkleine tekeningetjes van grote ideeën,
notities voor teksten.
Later
werd Citroën klant bij hem en mijn toenmalige baas kocht een zwarte
DS. Zijn grootsheid werd niet meer benadrukt door zijn bijna demonstratieve
verschijning in de bijna koddige Renault. Niemand zag hem meer. Hij kwam
niet in de openbaarheid. Er kwamen van de grootste man in de reclame geen
fotos in de vakbladen. Hij werd een legende.
Na
de verkoop van zijn bureau bleek dat mijn vroegere baas in zijn vrije tijd
ook schilderde. Eenmaal gepensioneerd hield hij een tentoonstelling, van
heel bijzondere schilderijen, dramatisch geschilderde grapjes. Zo hing er
een ruïne van een schouwburg met op de restanten van de gevel de naam
van het voormalige instituut erachter: L'Avenir.
Toevallig
liep ik langs de galerie toen de schilderijen werden opgehangen.
In
het kantoor van de galeriehoudster ontdekte ik een schilderij dat door z'n
schoonheid en stijl een beetje uit de toon viel. Dat heeft ze apart gezet,
zei mijn voormalige baas, omdat ze vond dat het niet tussen de andere paste.
Ze
heeft het voor mij apart gezet, zei ik. Ik neem het meteen mee.
Het
werd een hartelijk weerzien. Ik reed mijn ex-baas als zijn chauffeur in
mijn Mercedes naar zijn huis. Het werd een begin van herhaalde ontmoetingen
en autoritten. Zijn vrouw was overleden en ook zijn chauffeur. De dagen
die ik hem reed werden feestdagen was ik zijn chauffeur en bestuurde zijn
zwarte DS.
Wij
zweefden als in een droom in de nog steeds moderne automobiel naar Zeeland,
naar het Oosten en naar het Noorden, de kleine man naast me, die honderduit
vertelde en kritiek leverde op de reclame zoals die toen gemaakt werd, terwijl
mijn vrouw en onze jongste dochter op wie hij zeer gesteld raakte, achterin
gefrappeerd werden door zijn vriendelijke hartelijkheid, zijn veelzijdigheid
en zijn spirituele eruditie.
Het
schilderij hangt nog steeds op mijn werkplek thuis. Ik kijk er vaak naar,
denkend aan de Renault, de Citroën DS, de grootsheid van de schilder,
en de vergankelijkheid van bijna alles.
|
|
8.
Schaal.
|
|
Onder de planken met fotoboeken heb ik ruimte vrijgemaakt voor een rij Harleys
en een line-up van favoriete Jaguars. De motoren hebben de schaal 1:10 en
de autos 1:18. Er staat ook nog een Austin Healey 3000, een groene
Aston, en twee GT40s. En om volledig te zijn een maroon colored Indian
en vier BMWs. De meest rechtse motor is een witte Moto Guzzi V7 Special.
En niet te vergeten de zwarte NSU.
Als
ik aan mijn bureau zit zie ik die hele rij motoren en autos vanuit
mijn rechter ooghoek. Even met mn stoel naar achteren en zie ik ze
allemaal naast elkaar, de laatste is een Maybach die ik even geen plaats
kan geven in een categorie van bewondering, daarnaast, dichter naar mij
toe, nog een heftige TVR 12 Speed in British Racing Green.
Dit
ziende gaan mijn gedachten terug naar de eerste modellen die ik in mijn
eerste huis had staan, die in de zon stonden te stralen in het licht van
de ondergaande zon die laat de kamer binnen scheen. De eerste die ik bouwde
was een beigekleurige Duesenberg, in de toen gangbare schaal, 1:24.
Als
ik thuis een avond had zitten werken, ideeën had zitten bedenken voor
mijn klanten, en later op de avond daarmee content was gestopt, dan pakte
ik de doos van het model waar ik mee bezig was, als eerste was dat de Duesenberg
van het toentertijd beste merk van schaalmodellen, Monogram. Met een scherp
mesje en plasticlijm als gereedschap en op een opgeruimde tafel als werkplaats,
werkte ik in de stilte van de avond thuis in mijn autofabriek. De Duesenberg
was een fantastische automobiel, ook op schaal groter dan het leven. Al
bouwend reed ik door de wereld van The Great Gatsby en had ik gesprekken
met de linke lui op zijn parties.
De
bouw van het chassis was het eerste waar ik mee begon. Bij de autos
die ik later bouwde was dat soms de motor als deze extra fascinerend was,
zoals die van de Bugatti en de Cobra.
De AC Cobra staat in mijn herinnering gegrift, had ik al avonden aan zitten
werken tot alles gereed was om te assembleren, het chassis stond rollend
op de spaakwielen klaar, met de motor ingebouwd in het chassis, met de bak
en het differentieel, de racekuipen, helemaal klaar om de prachtig gespoten
en gedetailleerde carrosserie te ontvangen. Maar dat lukte niet.
Het
was later dan drie uur in de ochtend. En het lukte niet. Ik moest naar bed
maar ik wilde wel de volgende dag rijden, nee diezelfde nacht nog, een klein
ritje, om gerust te kunnen gaan slapen en te dromen van de avonturen die
zouden volgen. Het lukte niet om de carrosserie over de stoelen heen te
laten zakken. Ik had geen instructie overgeslagen en ik had niet gesmokkeld,
en liep alles nog eens door, uitgeput door slaap. Het was even moeilijk
maar ik heb toen een beslissing genomen die ik later heb betreurd. Ik zette
de Cobra bovenop het afval in de vuilnisbak en gelaten trapte haar in elkaar.
Later heb ik nog eens een kant en klare Cobra gekocht, en elke keer als
ik de nieuwe zilveren Cobra zie dan denk ik aan toen. Zij staat nu dicht
bij me, een herinnering en een lesje, awfully fast, but sluggish when
off the straight line. Daar kwam nog een aluminium Cobra Daytona Coupe
bij, nog veel mooier en toch van de zelfde familie.
Het
daarop volgende project was een GT40, de meest indrukwekkende racer die
ik bouwde. Dat was in de tijd van de film Le Mans. Na mn werk in de
avond, of ook wel eerder, prepareerde ik de auto voor een race waarin ik
zelf zou meerijden. Als ik met de bouw bezig was klonk de muziek uit de
film. Dat waren avonden vol opwinding en genot.
Na
een jaar of zo hoorde ik in de avond wel eens vanuit de richting van de
plank waar de autos op stonden een tikje, een minuscuul geluidje,
een plofje op schaal. Dan bleek dat er een koplamp was gevallen, of een
bumper, of een nummerbord. Als ik dat niet meteen repareerde werd de plank
binnen een maand een autokerkhof. Van sommige autos veranderde het
camber van de wielen en viel er niet goed meer in te rijden. Ik werd er
heel treurig van. Om me neer te leggen bij de consequenties heeft mij piekerend
nog veel tijd gekost. Ook de kleine modellen deed ik de deur uit.
Na
jaren stonden er opeens autos in de showroom in de schaal 1:18, geheel
geassembleerd, in metaal, veel gedetailleerder en verfijnder uitgevoerd
dan de veel kleinere 1:43. Na een lange periode van distantie waarin ik
clean was kwamen er weer automodellen over de vloer. In tijden
van onrust reed langs mijn dealers, en kwam dan weer helemaal gelukkig thuis
met een nieuwer model van een merk waarvan een ouder model al goed bevallen
was.
|
|
Die goeie tijd was weer terug, dat ik
als kleine jongen met mn eerste Dinky Toy, een Austin A40, over het
kleed reed, op schaal een mosachtig groen glad gazon, ergens in Zuid Engeland,
op een eeuwig durende Zondag. Die eerste Dinky is verdwenen, al lang zoek,
de laatste Dinky was een pr-attentie bij een re-launch van Dinky Toys.
|
|
9.
Twee wielen minder.
|
|
De soepele, heftige versnelling waarmee onze buurman op zijn NSU de straat
uit reed s morgens, en het geluid dat hij daarmee maakte, de ochtendstilte
openscheurde, was steeds weer een kick. Daarna reed ik op mn fiets
naar school met het besef dat ik nog veel jaren te gaan had voordat ik zo
gezwind door het leven kon.
Jaren
eerder had ik al een tijdje op een Harley gereden. Samen met mijn vriend
Wim reed ik na de oorlog met als ordonnans door de straat op allerlei geheime
missies, zonder autopeds omdat zelfs die voor het ijzer door de moffen waren
meegenomen, nee, in snelle looppas liepen of renden wij van hoek naar hoek,
en wachtten we in een portiek op een nieuwe opdracht. Dan trapten wij de
motor aan, wat soms nogal moeilijk ging, met een hevige terugslag van de
kickstarter. Dat waren mijn eerste motorervaringen.
Later
hoorde ik dat wij niet door de Amerikanen waren bevrijd maar door Canadezen,
en dat zij niet op Harleys reden maar Indians. De motor van de buurman
was aanzienlijk sneller.
De
NSU werd elke Zaterdag gewassen en gepoetst. Ik stond er vaak naar te kijken
vanuit de erker, hoe ze na zon beurt daar glimmend op de middenstandaard
stond te wachten tot ze weer weg mocht. De motor van de buurman was een
tweetakt van 250 cc. Er was ook nog een 350, de Max, een viertakt, maar
ik kreeg de indruk dat een tweetakt sneller was. Ik wist niet waarvoor ik
zou kiezen, twaalf later. De buurman was leraar op een technische school.
Later, nog niet zo lang geleden, hoorde ik van zijn dochter dat de motor
op school werd onderhouden, vandaar dat ze ook altijd in tiptop conditie
was, en dat kon je horen ook.
Als de buurman de straat uit accelereerde trok hij zijn rechterbeen niet
op het stepje maar liet de voet tot aan de hoek net even boven de grond
zweven terwijl de linkervoet halverwege schakelde en rechtervoet bij de
hoek werd bijgetrokken om te remmen. Vanaf dat de buurman optrok hield hij
zijn hoofd scheef, als of hij half achterom en half naar voren keek en al
gedraaid in de richting van de rechterbocht, waardoor hij het verkeer van
links alleen maar kon zien door even het hoofd snel naar links en weer terug
te draaien. Hij hield zijn hoofd scheef, zei zijn dochter, omdat hij naar
de motor luisterde.
Hij luisterde naar het geluid van de motor, vulde zijn dochter later nog
eens aan, om te horen of alles wel kits was met zijn ijzeren vriendje. En
dan als een King de weg op, los van het gezin en werk. Dat getril onder
z'n achterwerk gaf hem altijd de illusie dat hij eens ver weg zou rijden
niet zomaar naar het IJ waar zijn leerlingen op hem wachtte, maar ver weg
een nieuw leven tegemoet, een motorenhandel in Indonesië waar hij geregeld
aan dacht. Hij was er al eens geweest en er zich meer thuis gevoeld als
ooit in Holland. Dat zou hij graag met zijn buurjongen gedeeld hebben, als
die daar met zijn handen in zijn zakken bij hem had gestaan als hij aan
het sleutelen en het poetsen was, in plaats van uit het zicht in de erker.
Aan het eind van de straat dook de NSU in de voorvork en trok hij weer op,
de hoek om. Tot de daarop volgende hoek kon ik mijn toekomstdroom in de
zijstraat horen brullen.
Toen
ik eenmaal de leeftijd had om een motor te kopen had ik het geld nog niet
daarvoor en was de NSU niet meer te koop, en ondertussen ging ik trouwens
voor een auto.
Mijn eerste voorproefje op een motor kreeg ik jaren later van Fons, die
een Italiaanse Harley-Davidson tweetakt soort crossmotor had. Ik mocht even
proberen en reed bij Amstelveen steil een dijk omhoog en reed boven op door
de kuilen en schuins weer naar beneden, en ik kreeg onbevreesd de smaak
te pakken.
Jaren
nadat ik mijn autorijbewijs had kreeg ik mijn volgende motorervaring aangeboden
door Willem bij wie ik achterop een Yamaha 650, een replica van de Triumph
staande twin, naar het parkeerterrein van Hargen reed en van wie ik daar
vrij spel kreeg. De volgende ochtend kocht ik in Amsterdam zon zelfde
motor en reed daarop naar de politie om een proefrijbewijs te halen. Ik
dacht dat jij je rijbewijs had, zei Willem, een beetje verbaasd toen ik
hem s avonds mijn eigen motor liet zien.
De
Yamaha reed heerlijk ouderwets als een Engelse fiets, maar in lange bochten
werd het stuur licht en ging ze wiebelen. Na het halen van het motorrijbewijs
keek ik naar andere mogelijkheden die bij Selling, een dealer waar ik in
de auto vaak was langs gereden, en ik viel voor een witte Moto Guzzi V7,
in politie-uitvoering. Het verschil was vooral dat de Guzzi een prachtvolle
historie had, waarvan ik al iets had gezien bij Bruinsma op de Stadhouderskade,
waar ik een al meermalen een Guzzi-rode Falcone ééncylinder
in de etalage had zien staan. Na de koop van de Guzzi kocht ik een dik boek
met roemruchte modellen, en door het lezen van de roadtests wist ik waar
ik op reed; het was een andere wereld dan de Japanse.
Wat
is die nou anders, werd me gevraagd , wat zie je daar nou in, zon
Italiaan?
Er
zat stijl en historie in, dat zag ik. Ik had fotos gezien van de motor
in de omgeving waar zij vandaan kwam. Die beelden zaten in mn achterhoofd;
het was een goed gevoel.
Op
een van de eerste mooie, zonnige dagen van het voorjaar was het Koninginnedag
en ik had de hele dag voor me om overal naar toe te rijden.
In
mijn zwarte, leren jack, mijn zwarte broek, en mijn oranje helm leek ik
oppervlakkig gezien op een motoragent. Ik had mijn helm niet gekocht met
die bedoeling, maar ik zag dat mijn medeweggebruikers mij als motoragent
zagen; ze gingen opeens langzamer rijden, en op een keer, toen er iemand
uit de file schoot en mij bijna sneed, heb ik deze weggebruiker met handgebaren
op zijn fout gewezen.
Ik
reed naar Het Gooi en verder naar Baarn. Ik zou wel eens willen zien hoe
dat zou gaan. Bij het kruispunt met de weg naar Baarn mocht het verkeer
niet doorrijden langs het paleis. Met een kort gebaar stak ik mijn hand
op naar de twee agenten en reed met een rustig gangetje door naar het paleis.
Ik stopte en stapte af en werd niet gehinderd toen ik een foto maakte. De
marechaussee naast zijn wachthokje groette mij collegiaal en met een handgebaar
groette ik hem terug. Na het maken van een foto van mijn motor startte ik
haar en reed, zoals mijn vroegere buurman dat deed, naar rechts kijkend
langs het paleis naar de eerstvolgende afslag rechts en reed ik met een
feestelijk gevoel naar huis.
|
|
10.
Over het landschap als een vogel.
|
|
Op verjaardagen en party’s hoor je vrijwel niets waarachtigs over
de belevingswerelden van de verschillende automerken, er wordt cool opgeschept
en er wordt iets gemeld over het verbruik en de pk’s waar nog steeds
mee wordt gerekend, maar wat mensen echt beweegt om het éne merk
te verkiezen boven het andere kun je alleen maar gissen door naar de andere
hobby’s te kijken, de persoonlijkheid van de levenspartner, de inrichting
van het huis en de boekenkast.
Het
is te intiem om de onuitgesproken hunkeringen ter sprake te brengen en
de dromen en de wensen die we rationaliseren tot onze verzoening met het
leven, als we niet de lease-auto hebben gekregen die toch buiten ons bereik
ligt.
Maar we praten er wèl over, alsof we wachten tot er iets gebeurt
waardoor we uiteindelijk onze eigen keus kunnen bepalen, wanneer we een
erfenis hebben gekregen, of een wereldbaan, of de hoofdprijs in een loterij
hebben gewonnen.
Feitelijk kunnen de meesten niet meer scoren dan de toevoeging van een
letter aan de typenaam van het zelfde merk.
Het
liefst willen we meespelen in onze eigen film, de rolprent van ons eigen
leven, waarvan het scenario niet door onszelf wordt geschreven, en waarin
we niet meer zijn dan een figurant, in een auto die ons te min is.
Betekent onze gewenste volgende auto troost voor de bestaande maatschappelijke
situatie waarin we terecht zijn gekomen? Of geloven we dat onze volgende
auto inspiratie zal leveren om nieuwe richtingen in te slaan en aanlokkelijke
ervaringsgebieden te ontdekken, en te ontdekken waar ons persoonlijk geluk
ligt?
In
mijn Alfa Romeo GTV had ik in mijn eigen leven de spanning van een rally
gezocht zonder daarvoor geëquipeerd te zijn. Ik was nota bene een
familieman, maar ik kon niet op twee party’s tegelijk zijn.
Op
het moment dat ik verblind door een tegenligger op de kronkelende tweebaansweg
in mijn Alfa GTV op weg naar Orléans op een muurtje reed, schoot
het besef door me heen dat ik in de verkeerde film speelde. Het was een
film over de wereld van de Mille Miglia, maar met dat verschil dat de
route niet van tevoren was verkend, dat de bijrijder geen aanwijzingen
gaf met ‘pace notes’, dat ik geen pepmiddelen gebruikte, en
dat ik daar helemaal niet moest te rijden, maar in een bed had moeten
liggen, in een klein hotelletje langs de weg of in een stadje, maar zonder
de drukte van andere rallywagens voor de deur.
Ik
had tegen het naderen van die avond al een ‘Parc Fermé’ moeten opzoeken, en rustig en gezellig wat gaan eten.
Het
gejakkeroverdag kon ik aan door weg te dromen naar andere belevenissen.
Waar ik naar wegdroomde was consistent de zelfde vlucht geweest in mooie,
snelle auto's over stille wegen in een dromerig landschap. Op rustige
momenten documenteerde ik mij daarvoor door in autobladen te kijken en
te lezen, en ik zat vaak in atlassen te studeren en op autokaarten. En
ik bouwde schaalmodellen.
Ik
bouwde een Apollo-capsule, die in mijn ogen het opperste utiliteitsvoertuig
was voor grote afstanden, en ik vloog over de wisselende, glooiende landschappen
van Groot Brittannië, Frankrijk en Italië en naar de maan, en
nu ik dit schrijf zie ik dat deze vluchten mijn leven lang voortgezet
werden, en nog.
Begrijpelijk
dat ik mij enorm aangesproken voelde door de commercials van Citroën
van die tijd, waarin de camera vanuit een stille helicoptère een
DS volgde, over smalle b-wegen door de heuvels en velden van een landschap
dat wij niet zien vanaf de tolweg. In zoomend, uitzoomend, over links,
over rechts, terwijl de Koningin snel over de weg zweeft, tot ze bij een
kasteel stopt en de camera inzoomt.
Dat
soort wegwezen zou meer bij mij passen dacht ik, en meer bij mijn gezinnetje,
dan het zogenaamd sportieve gescheur als in rallies reed. Toen ik bij
Orléans het absurde van mijn vervoerstijl inzag, zag ik mijzelf
verder gaan in een DS. De grimmige avonturen met de Idéal wuifde
ik weg, omdat alleen pech mij met die auto parten had gespeeld en niet
het concept. Zo’n vliegend gezinstapijt zou dus wel eens iets kunnen
wezen.
Waar
gaan onze gedachten naar uit? dacht ik, toen wij met een thuis-kom-wiel
in plaats van het gebroken, dikke magnesiumwiel rechtsvoor voorover liggend
door de nacht naar huis reden. Wie ben ik? Waar wil ik naar toe in het
leven? En ik zag de beelden voor me van de commercials voor de DS, over
de zelfde wegen als waar we reden, zwierige, luchtige, melodieuze beelden,
terwijl ik gedrogeerd door de adrenaline na het ongeluk peinsde over het
vervolg.
Nadat de Alfa was hersteld, en weer keurig uitgelijnd als nieuw bij Citroën
was ingeruild, konden we een andere weg kiezen en een ander tempo. Enkele
meters nadat de auto was afgeleverd kwam een onverwachte deceptie; sinds
ik mijn gele Idéal had was de techniek verder geëvolueerd.
Dat merkte ik meteen aan het verschil tussen de zwevende gang van de oude
gele en de harde, bonkerige ‘ride’ van mijn nieuwe witte ID19.
Op mijn vragen daarover zei de verkoper dat het verschil zat in de nieuwe
Michelin-radiaalbanden.
Mijn
schrik en teleurstelling waren mijn eigen schuld, omdat ik geen proefrit
had gemaakt. Het wende snel, en al vlug profiteerde ik van de toch wel
beduidend hogere snelheid waarmee ik de bochten kon nemen. Steeds was
ik me heerlijk bewust van de baanbrekende noviteiten zoals de knop op
de vloer als rempedaal, en het sissen als de auto zakte of omhoog kwam.
Ik reed nog steeds voorop!
Mij een verslag in een autoblad herinnerend van een proefrit met de eerste
Traction waarin alleen het achtergedeelte van het nieuwe hydraulische
veersysteem was ingebouwd, en waarmee ter demonstratie even de berm werd
meegepakt, deed ik dat ook toen wij op weg waren naar ons huisje in Schoorl,
tot grote consternatie van de familie en de vrienden die we hadden meegenomen.
Visueel was het schrikken, geef ik toe, maar we merkten er niets van dat
we voor de helft in het geaccidenteerde terrein naast de weg reden. Geschrokken
van de schrik van de anderen heb ik zulke demonstraties niet meer gegeven.
Ik was er ook niet op uit om auto’s te verkopen, zoals ik dat met
de Alfa had gedaan.
Het
kostte me niet veel moeite om er aan te wennen dat ik opeens weer veel
auto om me heen had in plaats van de innig om me heen sluitende cockpit
van de Alfa, omdat ik niet zo lang daarvoor de Idéal had gehad.
Wat vind je daar nou van, wat zie je in die auto? vroeg iedereen.
Ik
vind het een prachtauto, zei ik dan, en ze rijdt soepel en snel en vooral
uiterst comfortabel, net een film, een Frans vliegend tapijt, waarmee
ik heel strak heel laag kan vliegen.
Toen
ik in m’n Alfa reed had ik vaak het visioen dat een Mercedes 300
op m’n hielen zat, met Moss aan het stuur en Jenkins naast hem.
Dat was een inspirerend beeld, een goed gevoel ook. Dat was in de tijd
dat ik het boek The Secret Life of Walther Mitty van James Thurber las,
een pracht boek, waardoor ik wat minder calvinistisch over mijn avonturen
ging nadenken. Ik durfde te ervaren wat zoveel mensen eigenlijk ervaren,
de dagdroom die iedereen in beweging houdt. Jezelf zien terwijl je door
het landschap rijdt, gefilmd door een vliegende camera, dat durfde ik
te beleven, zonder dat ik dacht dat ik hallucineerde.
Later,
in m’n Integrale heb ik een heel stuk achter Moss aangereden in
de Mille Miglia, en ik moest me zelfs inhouden om hem niet te passeren,
een wonderlijke ervaring. Ik had daar niet op aangestuurd, op die situatie,
maar opeens zag ik dat Moss voor me reed in plaats van achter me. En ik
moest me inhouden zelfs.
Wat zie je in dat merk? Werd mij wel vaak gevraagd. Zoals je ook kunt
vragen wat je in een vrouw ziet, of een man. Wat zie je in die auto’s
vroeg een vriendin die columns schreef in de landelijk dagblad, zoals
een prachtig verslag over een meeting van Ferrari’s, en ze kwam
tot de conclusie dat ik naar auto’s keek als Kees de Jongen. We
praatten over de stijl van de schrijver, Theo Thijssen, en ze zei dat
ze het boek een meisjesboek vond, omdat meisjes zo dachten, zei ze echt.
Alle
mensen denken zoals Kees de Jongen, had ik gezegd, het boek had beter
Hansje Mens als titel kunnen hebben in plaats van Kees de Jongen, omdat
het voor jongens en meisjes is geschreven, maar ook voor en mannen en
vrouwen, en eigenlijk voor alle mensen.
In
het voorjaar kreeg ik het beeld voor ogen van een jong gezin in een witte
snoek op vakantie door Frankrijk zwevend. Die droom begon tegen zessen
op de avond waarop onze vakantie begon. De koffers en tassen die niet
meer in de achterbak konden werden tussen de stoelen en de achterbank
gezet. Met daarop een deken zouden de meisjes kunnen slapen als zij hun
ogen niet meer open konden houden. We aten het avondeten in een restaurantje
een paar honderd meter voor de afslag naar de grote weg, en net na de
avondspits begonnen we relaxed aan onze rit naar het Zuiden.
Tegen énen had ik het liefste achterin bij m’n dochters gaan liggen,
maar ik soesde een paar kwartier rechtop zittend in de stuurstoel, terwijl
mijn vrouw zich ook had genesteld voor een tuk. Daarna kon ik weer fris
en monter verder sturen. Rond half zes werd het lichter. Er was geen verkeer,
en het was een vreemde verschijning toen er op een roundabout even voor
Caen een witte ambulance voor ons kwam rijden. Even klonk de sirene, en
draaide het blauwe zwaailicht, en met een snelheid van soms tegen de honderdveertig
reed de ambulance voor ons uit over de route die wij ook moesten hebben.
Stil en snel reden wij achter onze voorganger met hoge snelheid naar ons
reisdoel in Brétagne, terwijl ik genoot van het zicht op de dansende
wielen en de strakke lijn waarmee de vliegende medicus de bochten aansneed.
Bij
Dinan ging een paar seconden de sirene van de ambulance, en het zwaailicht
lichtte even op. Ze zwaaiden als afscheid. Een klein toetje met de claxon
was mijn antwoord en we reden weer alleen, en gelijk veel rustiger. Onze
route voerde ons door stadjes en dorpjes die al wakker waren, veel stokbroden
over de trottoirs. Als mij vanaf dat moment gevraagd werd wat ik in een
Citroën zie, dan zie ik deze comfortabel snelle tocht over Franse
Routes Nationales, op weg naar een zonnige vakantie aan de kust, dolmen
in de velden, en roodgetinte door de eeuwen rondgeslepen rotsen in de
golven. We waren op het strand ver beneden ons huis dat hoog op een rost
stond met uitzicht op zee, we zwommen en bouwden zandkastelen en we reden
naar plaatsen in de omgeving. Ik was heel gelukkig met de witte snoek
in de tuin, tegen de achtergrond van de zee, van de Atlantische Oceaan,
ver van de Seine waar op enorme rooie ballen het principe van haar vering
werd gedemonstreerd.

In Morlaix kocht ik een l’Automobile met een artikel over een nieuwe
Citroën. Ik wil er niet aan herinnerd worden, maar ik kan het niet
onderdrukken.
Tijdens
die vakantie verloor ik elk realiteitsbesef en raakte in de ban van de
GS. De beschrijving was positief, bewonderend en lyrisch. Voor de hand
liggende kritische punten werden niet gemeld en ik raakte in de ban, ook
omdat door de kleinere afmetingen mijn vrouw er in zou kunnen rijden.
De vorm getuigde van een nieuwe visie, hi-tech, en ontworpen met een computer,
wat in die tijd nieuw was. Oh, kon ik het maar terug draaien, de idiotie!
Thuis
bestelde ik meteen een GS, en waarachtig spoedig daarna kreeg ik de eerste,
en behoorlijk wat geld terug, maar dat zou de ellende die volgde niet
kunnen goed maken, een kettingreactie van mankementen en storingen. De
nieuwe voiture verbruikte 1:5. De deurkrukken aan de binnenkant vielen
eraf. De frictie ging kapot. Er waren problemen met de versnellingsbak.
De motor maakte het ratelend rauwe geluid van de Ami6, en startte af en
toe niet. De remmen functioneerden niet goed meer. In een maand reed ik
in een wrak, maar ik liep meer, van de garage op het Stadionplein naar
het Centrum, misschien omdat ik er nooit aan had gedacht om de tram te
nemen. Twee maanden en het ging niet langer.
Jaren
later haalde ik herinneringen op met Philip Mechanicus, die ondanks zijn
suggestieve naam ook geen raad bleek gehad te hebben met zijn GS, die
ook een van de eersten was geweest. Ook hij had teleurstellende en kwaadmakende
gesprekken gehad met de garagemensen en ook zijn gesprekken met de afdeling
verkoop hadden niets opgeleverd. Ik zal niet brutaal en doortastend genoeg
zijn geweest, had ik alsmaar gedacht, en tijdens de lange wandelingen
had ik besloten dat ik niet meer naar deze garage terug wilde, maar naar
solide mensen, waar ik niet vaak naar toe zou hoeven met een auto die
me niet meer in de steek zou laten. Philip was na de GS overgestapt op
een Saab – wat hij uitsprak als Sòb – en had zijn probleem
op die manier ook opgelost.
Voor
mij werd het een Mercedes-garage in Amstelveen en de auto werd een 180.
De directeur was meer dan soepel bij de inruil, omdat hij veel zag in
nieuwe klanten in mijn beroep.
|
|