De Weg Terug
|
11.
Sterren.
|
|
Het was Willem die had gezegd dat ik maar eens naar een Mercedes moest kijken
en mij had geïntroduceerd bij de Mercedes-dealer in Amstelveen, en
ik was hem daar dankbaar voor. Willem bouwde als architect garages voor
de importeur en hoorde en wist mij daardoor veel over de reputaties van
de verschillende garages te vertellen, en later had hij mij nog een paar
keer op het goede spoor gezet. Na de rampspoedige ervaringen met de Citroën
bracht hij me op het idee, maar mijn bewondering voor het merk had ik al
uit de tijd dat ik bij Motor Meyer, de dealer op de Overtoom, prachtige
documentatie had gekregen van de 300, een map met vierkleurenplaten geplakt
op een grijs papier met een gouden kader, die ik ophing aan de muur van
mijn kamer. Vanuit m’n bed lag ik soms een tijdlang te kijken naar
de grille, de koplampen, en de chromen randen rond de grote klokken op het
dashboard. Eerlijkheid gebiedt mij te vermelden dat daar ook MG’s
hingen, en Porsches, die ik bij Kost haalde. Op mijn kamerdeur had ik een
poster opgehangen van twee zegevierende Zilverpijlen, van Hermann en Kling
als ik me niet vergis. Jaren ging ik letterlijk met een Mercedes-ster naar
bed en werd ermee wakker. Ik zat nog op school.
Nadat
ik was begonnen te werken verdwenen de platen en de posters. De muren werden
kaal en wit gemaakt, de auto’s verhuisden naar m’n achterhoofd.
De
300 kwam voor het eerst buiten de showroom in werkelijkheid in beeld aan
de gracht, tegenover het bureau waar ik werkte. Het was film, een zwarte
Pullman, stopte pal tegenover het raam waarachter ik werkte, en af en toe
naar buiten keek. De Pullman stond half op de stoep, het verkeer reed er
langzaam langs. Na een tijdje stapte er een in het zwart geklede lange man
uit, die om de auto liep terwijl aan de andere kant een vrouw uitstapte,
een even lange vrouw, in het wit, een beeldschone prinses. Onverwacht zag
ik dat het stel Nina en Frederik waren. Vanaf dat moment was de Pullman
een auto voor baronnen, en voor sterren.
Na
de misère met de gele Citroën kwam ik geregeld bij Karel om
hem over te halen het wrak terug te nemen, zoals hij beloofd had. Naast
de inrit van de hole-in-the-wall garage stond een Pullman. Nadat Karel ’s
morgens had gezegd dat hij die dag zou proberen iets voor me te regelen
kwam ik daar weer in de avond. Zo ging dat al dagen en weken achterelkaar.
Voor het eerst vroeg ik wat hij met die auto van plan was.
We
hebben hem een grote beurt gegeven, zei Karel. Banden vervangen. En nu is
ie voor de verkoop, misschien een beetje groot voor jou.
Het
interieur was zoals ik dat van de platen kende, het gepolitoerde houten
dashboard met de grote klokken met briljant stralende chromen randen. De
bekleding was van een heel zacht velours, een rijke melange van okerbruin
en mosgroen. De stoel achter het stuur was een comfortabele zetel. Je mag
wel even proberen, zei Karel, en gaf me de sleutels.
Hij
bevestigde mijn vraag of er voldoende benzine in de tank zat. Voorzichtig
hoor!
Voordat
ik een paar maanden daarvoor mijn Austin Seven bij Karel had ingeruild voor
de Citroën, had ik alleen maar in de Mini gereden, en de snoek, dus
was de overgang naar de Pullman bijna onwerkelijk. Het eerst reed ik naar
mijn ouders, omdat ik had afgesproken daar langs te gaan. De grootte van
de 300 was ik snel aan gewend omdat ik veel in de Chrysler Windsor van mijn
compagnon reed. Het verschil in ‘feel and look’ was tastbaar,
de comfortabele precisie van de besturing, de zetel, het stuurwiel, het
dashboard, de knoppen, het mechanisme achter de versnellingshendel. Als
een baron reed ik de straat van mijn ouderlijk huis in. Ik stelde iedereen
gerust dat ik niet weer een nieuwe auto had gekocht en vroeg of mijn vader
misschien even een blokje mee om wilde rijden.
Vanuit
de kerker zag ik dat de statige limousine erg in de kijkert stond. Gordijnen
werden opzij geschoven. De buren zullen wel veronderstellingen hebben uitgewisseld
over hoog bezoek, door het Nederlandse nummerbord kennelijk niet de kanselier
maar dan toch van de Duitse ambassade. Toen in ’44 die SS-er een pakje
kwam brengen, dat was ook niet kosjer. Ik had daar niet aan gedacht, maar
het zal voor mijn vader een eigenaardige ervaring zijn geweest om in zo’n
staatsieauto te stappen, gebouwd in het land waar hij door de Arbeitseinsatz
in de oorlog had gewerkt, als dwangarbeider dus. In het licht van de kristallen
plafonnière wees ik hem op de klokken in het dashboard. Hij keek
stil om zich heen en zei niets. Ik had hem niet mee moeten vragen, dacht
ik. Ik had zelfs de Pullman helemaal niet mee moeten nemen. In stilte reden
wij naar het Westen, even de Haagse Weg op was ik van plan, de Autobahn.
Als Hitler nog had geleefd, dacht ik, dan had hij in zo’n auto gereden,
maar dan had m’n vader waarschijnlijk niet meer geleefd. Het was niet
de gelegenheid om te praten over de oorlog en wat had kunnen gebeuren.
Halverwege
de Autobahn bleek na het voorbericht van af en toe inhouden van de motor
dat de benzine op was. Ik zei dat ik naar de benzinepomp aan het begin van
de Haagse Weg zou lopen en mijn vader zei voor dat hij terug naar huis zou
lopen, zodat hij Karel kon bellen. Ik rende, en kilometer of zoiets, en
vroeg een kan bij de pomp en tankte 10 liter. Het was donker geworden. Ik
rende terug, zo snel als de klotsende benzine mij toeliet. Ik had een interessante
ervaring met mijn vader kunnen hebben en nu liep dit zo. De Pullman stond
er, in het licht van de lantaarn. Ik goot de benzine in de tank. De motor
sloeg niet aan. Ik zat in een kasteel zonder butler en moest mijn eigen
boontjes doppen. Ik rende naar het Noorden in Nieuw West, waar de garage
van de Seven naar toe was verhuisd. Ik vertelde de monteur als oude klant
het verhaal van de Seven en hij sloot de pomp, en deed het licht uit, omdat
het tijd was, en reed me terug naar de Pullman. Hij startte, maar ook nu
gebeurde er niets. Je hebt er water in gegooid, of er zat water in de benzine,
zei de monteur. En nu ik dit schrijf weet ik opeens wie die oude pompbediende
was bij het eerste benzinestation aan de Utrechtseweg, die toen ik jaren
later dat had getankt zei, goeie reis meneer Wielinga.
Met
een slang hevelde de monteur de inhoud uit de tank, ik weet niet meer waarin,
en of hij het wel ergens in opving, en deed benzine in de tank. De motor
startte meteen.
Ik
bracht de kan weer naar de BP pomp aan de Autobahn en reed die op, in de
richting van Den Haag, als een baron, een magistraat, als een ondernemer
die het gefikst heeft. Voordat ik de auto zou terugbrengen wilde ik nog
even genieten.
Nu
eerst kon ik ervaren wat het was om met een vaartje in zo’n limousine
te rijden en ik stelde mij voor dat ik met Nina naar het Kurhaus onderweg
was. En ik onderging het genot van het opperste comfort op wielen.
Zo
ver als het Kurhaus liet ik het niet komen, maar draaide na een paar viaducten.
Het
was stil genoeg op de weg om te ondervinden hoe het was om wat sneller te
gaan. Hoewel de snelheid opliep bleef de auto heel comfortabel sturen, ik
had haar onder controle, alles onder controle. 140 wees de klok aan binnen
de chromen ring en ik liet de wijzer draaien naar 150. Terug van het Kurhaus
na een geslaagde en ook veelbelovende avond met Nina. 160. Begon het te
misten? Nee, er kwam rook van de voorkant. Er reed een truck toeterend voorbij.
De chauffeur hield in en gebaarde mij te stoppen. Ik stopte op de vluchtstrook.
Er kwam nu veel meer rook, nee stoom, onder de motorkap vandaan.
Je
motor kookt, zie je dat niet? vroeg de truckchauffeur.
Ik
minderde al vaart, zei ik.
De
man liep naar de voorkant van de motorkap.
Je
moet een tijdje wachten, zei hij. En dan kun je weer verder. Je hebt te
hard gereden.
Ik
wachtte, een kwartiertje.
De
motor startte en ik reed rustig Amsterdam binnen, genietend van de royale
luxe.
Ik
zou, rekende ik, misschien nog wel geld terugkrijgen, overhouden, als ik
de Citroën inruilde. Ze zou niet onhandelbaarder zijn dan de Chrysler.
Ze zou niet misstaan op de gracht. Ik dacht niet aan het benzineverbruik
en het onderhoud. Ik dacht aan de positieve verworvenheden, misschien, mogelijk,
eventueel.
Ik
zou met Nico, van de Rover, een klein ritje kunnen maken. We zouden op Zondag
naar de Hoge Vuursche kunnen rijden, voor een kopje koffie. Maar ik zette
dat meteen uit m’n hoofd. Ik zou met m’n ouders waardig naar
Riche kunnen rijden, net zo als ik dat met de Seven had gedaan op de avond
dat ik haar kreeg. Ik zou met m’n vader over de overwinning van Duitsland
kunnen praten in een passende omgeving. Ik zou met m’n vader naar
m’n oom in België kunnen rijden, dan wel over de Horch praten
maar misschien de oorlog vermijden. Of over de grandeur en de fantastische
techniek van de schuivenmotor van de Minerva, een voiture uit de zelfde
klasse.
Op een glorieuze manier had ik de tegenslagen overwonnen en reed met mijn
zegekar de stad in. De reflecties van de lampen in de etalages zullen als
streaming running lights over de chromen strips hebben bewogen. Wie is die
man? Waar komt hij vandaan. Wel jong voor zo’n auto. Maar zelfs Hansje
Mens zou dit buitensporig vinden.
De
Overtoom, de Champs Élysées van Amsterdam. De motor begon
te bokken toen de lichtreclame van Motor Meyer in het zicht kwam. Nadat
ik was gestopt tegenover de etalages, waar ik de koplampen van de Mercedessen
zag fronsen, viel de motor stil. De Pullman zal wel alles verbruikt hebben
op deze triomftocht, was mijn kalme reactie, en ik probeerde mijn parket
te overzien. Achteraf gezien had ik de auto op de voorsorteerstrook naar
links best kunnen laten staan, maar het leek me toen beter om haar te parkeren
in de Constantijn Huygenstraat, en ik was daarin zo vastbesloten dat ik
ging duwen, tweeduizend kilo hoogwaardig staal. Passerende fietsers hielen
in om te kijken. Een auto stopte om mij vrij baan te geven. Ik was driemaal
zo sterk als mogelijk. Maar het zal wel veel langer hebben geduurd dan ik
me kan herinneren, en het zal veel moeizamer zijn gegaan, maar het lukte
toch om haar de zijstraat in te rijden, te duwen, tot een mooi plaatsje
om de hoek, naast de bank. Hoewel ik niet meer verder kon, stond ik daar
toch mooi als een diplomaat achteloos te bedenken wat het beste mijn volgende
actie zou kunnen worden. Op een kalme manier stond ik uitgeput uit te blazen
toen er een stralende Chevrolet Bel Air stopte, en het raam omlaag ging
en Karel naar mij riep. Waar zat je nou? Ik heb je vader gesproken en iemand
had je langs de Haagse Weg zien staan.
Te
weinig benzine en te weinig water, zei ik.
Karel
stapte uit. Zijn vriend de zigeuner, vermoedelijk de eigenaar van de Pullman,
volgde.
Loop
jij nou maar naar je Citroën, zei Karel, dan zorgen wij wel voor de
rest.
Ik rende weer.
De
Bel Air zag er prachtig uit, een filmsterrenauto, two tone green. Het achterste
zijruit was omlaag, heel riant, een nieuwe trend voor de nieuwe coupéachtigen,
een opstapje van de basic Chevrolet.
Ga
nou maar, zei Karel, er wordt thuis op je gewacht, daar weten ze ook niet
wat er gebeurd is.
Al
rennend kwam de herinnering boven aan de Chevvy in de periodiek van de Canadian
Broadcasting Corporation, toen ik nog aan emigreren dacht, een basic Chevvy,
op de driveway van een huis in een buitenwijk in aanbouw. Uitstapjes maken
naar de Rocky Mountains, had ik toen bedacht.
Eerst
moest ik maar eens zien om zonder moeilijkheden de Ardennen te halen, of
dichterbij, mijn familie in België.
|
|
12.
De eerste wielen.
|
|
Waarom wil je steeds weg rijden, of onderweg
zijn? vroeg Jan, mijn oude schoolvriend.
In
huiselijke knusheid voel ik mij opgesloten, vind ik het leven bekrompen
tot te weinig ruimte. Eigenlijk ben ik een zwerver, improviseerde ik. Als
het praktische van het bestaan me niet met beide benen op de grond zou houden
was ik een barn stormer geweest.
Dat
heeft wel iets triests, zei Jan, maar waarom draag je dan dat speldje van
een U2?
Om
te leven als een barn stormer heb je fondsen nodig. Die zou je misschien
kunnen werven als je een slimme zakenman bent, of een con man. Een U2 kan
je nooit willen vliegen, net zo min als je er voor kunt kiezen astronaut
te worden. Zo min als je kan kiezen om als arend op de wereld te komen.
Zo min als je kunt kiezen voor de hoofdprijs in de staatsloterij. De barn
stormer kan alleen maar in de lucht blijven door de vergoeding die hij krijgt
van het publiek dat met hem meevliegt.
Als
piloot van een U2 vlieg je tussen de engelen, zei Jan.
Ja,
zo is dat, je hebt een overzicht over de wereld, over het leven denk je
als je boven bent, en je bent daarboven boven de aardse wetten verheven,
onaantastbaar. Dat vond Gary Powers misschien ook wel, tot hij werd neergehaald
door een raket.
Je
had luchtfotograaf moeten worden.
Ja,
eigenlijk was Powers dat ook, maar het is voor maar weinigen een full time
occupation, maar ik heb wel meermalen vanuit de lucht gefotografeerd. Zakelijk
is dat een heel onbestendige bezigheid. Nee, het is praktischer dicht bij
mijn vrouw en om de hoek van een AKO te wonen.
Dat
benauwt je dus kennelijk niet, zo'n hechte relatie.
Nee,
au contraire, zij geven me juist de nodige lucht.
Je
eerste wielen waren die van je fiets, neem ik aan.
Die
waren van de autoped van Letty, die mij voorop meenam als we boodschappen
gingen doen. Niet m’n eigen wielen.
Zo,
zij was het dus!
Ja,
zij was het. Wegwezen met een lieve, mooie, maar vooral spannende vrouw.
Dat is toch wat de meesten willen?
Die
valt voor een dweepzieke jongen? Wat heb je nog meer voor wielen gehad?
Nooit
zelf een autoped, maar mooie fietsen.
Op
een wandeling met mijn ouders mocht ik eens de step mee van Gerrit, een
buurjongen. Naar hartelust stepte ik voor mijn ouders uit, door het Vondelpark,
door de Van Baerlestraat en terug over de Willemsparkweg en de Koninginneweg.
Een houten step met heel soepel draaiende wielen met massieve, dikke rubberen,
herinner ik me. De stukjes die ik vooruit reed waren al pogingen om me los
te maken, zie ik nu.
Geen
rolschaatsen?
Ik
mocht het eens op de rollers van een nichtje proberen. Op de stoep voor
de huisdeur bond ik ze onder, ging staan, rolde meteen achterover omdat
het stoepetje afliep, deed ze meteen weer af, en dat was het.
Je
bent wel een doorzetter!
In
een flits zag ik dat het niks voor mij was.
Toen
ik dik in de vijftig was zag ik mijn fietsenmaker een autoped staan, een
flitsend gele, met grote spaakwielen. Die heb ik spontaan meteen gekocht,
misschien wel met de gedachte Letty op te halen. Toen ik steppend na een
afmattende rit, om de honderd meter, zoals de fietsenmaker me had gezegd,
van been wisselend, bij kantoor kwam, was ik helemaal uitgeput en leeg.
Een prachtige step met chromen spatborden, van stevige Duitse makelij. Zij
zou mijn dood geweest zijn. De dood van een jeugddroom.
Heb
je niet ook een Solex of een Mobylette gehad?
Heb
ik dat wel of niet verteld? Je hebt me ermee gezien natuurlijk. In de tijd
van de brommers waren er spannender brommers een Solex of een Mobylette,
nog geen Puch, maar wel de Ranger, waarvan een dealer bij ons om de hoek
zat. Maar daar zag ik mezelf niet op rijden. Ik heb indertijd inderdaad
wel een Solex gehad. Na een tijdje vond ik die zó suf dat ik hem
aan m’n vader heb gegeven. Dat was een typisch geval van tijdelijke
geestelijke verduistering. Wielen hebben mij geleerd wat sensatie is en
geluk. Mijn grootste geestelijke verruiming heb ik beleefd op Yokohama Soft
Compound banden, maar als je daarmee op het circuit reed was al snel een
groot deel van het rubber op de vloer achtergebleven. Dat bleek al snel
te duur. Dat hoofdstuk heb ik uit.
En
die eerste, geleende step staat in je garage, naast je Harley? Vraagt Jan.
Nee,
het is de step van mijn jongste dochter, net zo’n step als waarop
ik toen door het Vondelpark stepte. |
|
12.
De groene Ferrari.
|
|
Meestal ben ik met eten thuis. Als ik buiten de stad fotografeer kan het
wel eens later worden. Dan kan ik zelfs soms wel twee weken wegblijven.
Of langer. Dan eet ik weer eens iets anders dan wat ik door de jaren heen
gewend ben en lekker vind. Als ik na een lange werkdag op locatie vanuit
de provincie weer naar huis rij wordt het vlug wat later dan zes zeven
uur. Rond die tijd is het al moeilijk de auto kwijt te raken in de straat.
Dan rij ik een straat of twee verder. Nadat ik eerst de apparatuur moeten
heb uitgeladen. Dan blokkeer ik even de straat. Met de kans dat er getoeterd
zal worden op het moment dat ik binnen ben. Wanneer ik op een avond tegen
negenen de straat in rij, heb ik eens een keer geluk. Aan de linker kant
is een plaats vrij, maar ook rechts, een stukje verder, voor de deur van
mijn eigen huis. Dat is echt geluk. Geluk kan een glimlach van je liefje
zijn, maar ook een parkeerplaats voor de deur. Of tegelijk.
Als
ik uit mijn Volvo stap hoor ik een zwaar, sonoor motorgeluid. Aan de overkant,
op de andere vrije plaats is een donkergroene Ferrari bezig in te parkeren.
Een 440 GT. In onze straat. Een keurige straat in Amsterdam Zuid, staat
een echte en ook keurige Ferrari. Een illusie uit een andere wereld. Ik
sta even te kijken.
Een
kunstwerk wordt niet minder waard naarmate het door meer mensen wordt
aanbeden. Een Ferrari had ik ook nooit ordinair gevonden omdat iedereen
haar als het grootste niet-onroerend goed op aard ziet.
Er
stapt een man uit de Ferrari die ik ken, Hans, de broer van een vriend,
een ouwe vriend. Ik loop op hem af. Hij is meermalen bij ons op bezoek
geweest, maar vandaag gaat hij op verjaarsvisite bij een gezamenlijke
vriend die aan de overkant woont.
Ja,
dat wist je niet hè? zegt hij. M’n Daimler is in reparatie.
Daarom rij ik nu even in deze. Het is een geheimpje. Ik wil het voor niemand
weten. Het lijkt een beetje slome auto, maar dat is maar schijn, want
er zit een formulemotor in. Hans zit in onroerend goed. Daar moet wat
tegenover staan. Hij houdt de sleutels omhoog en zegt: Probeer zelf maar.
Dat kun je beter alleen doen dan met mij erbij. Neem de tijd maar.
Hij
lacht. Ik lach ook en pak de sleutels. Hij loopt naar het portiek van
de jarige, en lacht terwijl hij omkijkt. Het is geen geintje dus.
Ik
voel een lichte, maar heerlijke opwinding als ik ga zitten in de lichtbeige
lederen crapeau. In het vermogende interieur hoor ik zachtjes het bloed
stuwen in m’n oren. Voor het eerst mag ik voelen hoe de pook door
het wereldberoemde in aluminium uitgespaarde schakelpatroon beweegt. Details
zijn zó indrukwekkend dat het moeite kost om met op de bekende
gang van zaken voor te bereiden. Het gevoel komt overeen met de eerste
kennismaking met m’n eerste Mercedes. Ik voel hoe de pedalen bewegen,
pas de stand van de stoel aan, gesp de gordel vast, pak het stuur en stel
me voor hoe het verder gaat.
Ik
trap tweemaal het gaspedaal in, om zodoende de dubbele Webers een shot
te geven. Stel ik me voor. Want ik weet niet wat het voor motor is, en
hoe die behandeld moet worden. Wel weet ik dat dit type een top heeft
van tweehonderveertig. In welk boek heb ik over deze auto gelezen? Van
Ken Purdy? Als ik de contactsleutel omdraai tikken de benzinepompen. Het
paardje op het stuur staat op springen. Een reusachtig motorgeluid komt
gedempt uit de machineruimte. Ik geef even wat gas, tweeduizend. Genot
golft door me heen. Met fijne precisie glijdt de pook in z’n één,
links van de dubbele H. naar beneden. De clutch gaat wat zwaar, maar zonder
verrassingen. Zachtjes draait ik naar het midden van de straat en rij
deze uit, met de ingehouden kracht van een powerboat die naar open zee
koerst. Zonder golven te maken.
De
auto is groot, en kostbaar. Toch gaan de bochten als vanzelf. De besturing
is heel precies en de grote, waardevolle voiture draait de hoek om. Er
is bijna geen verkeer in de Beethovenstraat. Ik heb er wat meer de ruimte
en voel ik me al op m’n gemak. De clutch pakt zachtjes en absoluut.
Twéé.
Licht
aan. Uit voorzorg. Het is nog lang niet donker.
Met
lage snelheid rijdt ze als een limousine. Het uitzonderlijke avontuur
bouw ik voorzichtig op en met liefde. Ik heb nog geen idee welke route
ik zal nemen, en hoe lang ik weg kan blijven. Bij het Olympisch Stadion
neem ik ringweg, en vervolgens de grote weg richting Schiphol. De olietemperatuurmeter
komt los. Ik geef wat meer gas. Twee lange bochten achter elkaar, waar
Holthaus nog eens is uitgevlogen met z’n Corvette, neem ik met honderddertig.
De wat onplezierige oneffenheden in die bochten worden‹
genomen zonder dat de auto uit balans raakt. Naarmate ik de snelheid opvoer,
nodigt het stuur uit om de auto in de volgende bocht meer naar d;r element
toe te sturen. Waarbij ik met het gaspedaal de radius kan fine tunen.
Voorbij
de Schipholtunnel open ik de carburators zó ver dat de motor boven
de zesduizend toeren komt. Instinctief wil ik bukken, denkend dat er een
747 pal boven me opstijgt. Het zijn de heftig briesende paarden van de
Ferrari. Ze drukken me in de stoel alsof we snel stijgen. Ik schakel naar
vijf. We rijden tweehonderdvijftig. Waar naar toe? Bij de afslag Nieuw
Vennep rem ik af . Het effect zal het zelfde zijn als bij de landing op
het dek van een vliegdekschip. De haak neemt de kabels mee die over het
dek zijn gespannen en in een oogwenk is de snelheid er uit. Maar zonder
te duiken. Heel rustig. En even zo beheerst.
Ik begin me thuis te voelen. De dimensies van de auto zijn geslonken.
De reserves zijn buiten verwachting gestegen.
Ik
rij rustig de brug over en maak me gereed voor de aanval op de weg, terug
naar Amsterdam. Er is weinig verkeer. Van dertig trek ik in een paar seconden
door naar honderddertig, omgeven door de galm van honderd orgels. Kijk
naar links. Niets. Haal verder door. Vier. Naar links. Bij zesenhalfduizend
naar vijf. Nu hoef ik slechts af en toe in de spiegel te kijken. Een Porsche
zal me niet inhalen. De meeste Ferrari’s rijden niet zo snel. De
BMW-rijders zitten nog te borrelen.
Nu
heb ik de ondergaande zon in de rug. Het zicht is scherp. Mijn concentratie
is hoog. Ik zie alles. Ik voel de wielen. De koersvastheid is als van
een zware kogel. De snelheidsmeter wijst tweehonderdzeventig. Er is nog
reserve. De snelheid ervaar ik als tweehonderd in m’n oude Alfa
GTV. Sterker nog. De wegligging van de Ferrari geeft mij een gevoel van
nog grotere soliditeit dan die van de Alfa.
Weer
de Schipholtunnel. Ik neem gas terug. Hierna komt wat in- en uitvoegend
verkeer. De snelheid blijft beperkt tot twee-twintig. Met dit welgemanierde
gangetje rij ik rustig door tot de afslag Amstelveen. Rem af tot tachtig
en rem soepel verder af bij de hoek tegenover Garage De Snelheid.
Even rij ik als een heer op zoek naar de weg in de grote stad, en schiet
dan weer, soepel accelererend, de ringweg op.
In
plaats van richting Schiphol te rijden, neem ik de rechter bocht richting
Zaandam.
Terwijl
de eigenaar op het verjaardagsfeestje zit, heb ik het grootst denkbare
feest in m’n eentje. Ik zit in een trance van jongensgeluk en een
verhoogd bewustzijn en een groot latent reactievermogen. Maar ik ben te
besluiteloos om een reisdoel te bepalen. Het is te donker geworden om
langs de Amstel te rijden. Ik vind dat ik de auto moet terugbrengen, maar
niet meteen.
Bij het eerstvolgende viaduct draai ik weer en rij ik richting Amstelveen,
en Amersfoort. Waar de weg van Schiphol over de weg richting Zaandam gaat,
maakt de weg naar Amstelveen een betrekkelijk korte, maar mooie bocht
naar links, onder de twee fly-overs van de weg door die vanaf Schiphol
komt. Voor onbekenden een beetje warrige spaghetti, maar voor mij een
bekend circuit.
Met de Volvo neem ik de bocht doorgaans met tachtig. Dan heeft hij er
moeite mee, dan duikt en dweilt hij een beetje naar buiten. Als er niet
hoeft worden bijgeremd, of uitgeweken, is dat niet erg snel.
Het
is stil op de weg. En ik heb gevoeld dat een bocht weinig invloed heeft
op de strakke lijn. Mijn inzet is honderdtwintig. Het voelt als twintig.
Ik accelereer door. Kijk goed uit bij de samenkomst van de weg met rustig
verkeer van af Schiphol en draai weer de weg af bij garage De Snelheid.
Even zo rustig.
Geef
mij nog maar zo’n heerlijk toastje, hoor ik de eigenaar zeggen.
Dat stelt me gerust.
Ik
neem de zelfde route en maak de draai bij het volgende viaduct, voeg in
in het verkeer, ga er voor zitten en stuur de bocht in met honderdzestig,
de dubbele snelheid dan die waarmee ik de bocht neem met de Volvo. De
bocht verloopt in een prachtige soepele lijn. Zonder overhellen, zonder
merkbaar over- of onderstuur. In de bocht geef ik gas bij. Niet te veel.
De paarden laten danig van zich horen onder de fly-over.

Opnieuw draai ik onder de weg door, voor een laatste ronde.
Terwijl
ik rustig weer de ringweg op rij vraag ik me af waarom ik niet dóórrij
naar Parijs. Of naar Juan les Pins? Kan ik de straat in rijden om m’n
paspoort te halen? Wel kan ik om de hoek parkeren en ongezien m’n
huis in schieten. Ik denk aan de gevolgen. De zakelijke en vriendschappelijke
overwegingen worden onoverzienbaar. Het is mooi geweest. En het lijkt
me dat het misschien het beste is als ik nu naar huis rij.
Voorsorterend
voor Amstelveen en Amersfoort verhoog ik meteen de snelheid. Met een verhoogde
attentie voor de veiligheid en schrikreacties van me de weggebruikers,
ben ik bereid om meteen af te remmen en me te conformeren.
Maar
dat is niet nodig.
Hoewel
ik geloof dat het sneller kan, hou ik honderdtachtig aan. Met honderdtachtig
stuur ik de bocht in. Ik ben op alles voorbereid. Ik zie geen rails, maar
zo voelt het. De spreekwoordelijke rails. Het cliché heeft zich
aan mij geopenbaard.
In
de bocht al geef ik gas. Na de bocht schakel ik over. Soepel. Vier. En
trap de dubbele Webers open. De luchtmacht vliegt laag over. Het orgel
zwelt aan.
De weg is stil. Alles rijdt rechts. Vijf. De weg licht een kilometer overzichtelijk
voor me. Op de teller zie ik dat ik hard ga. Maar ik ervaar het anders.
Aanzienlijk minder snel. De auto ligt zó stabiel, dat ik bedenk
dat ik nu pas goed m’n hoofd erbij moet houden.
Mijn
vader zei altijd, bij wielerwedstrijden in het stadion, waar ik net ben
langs gereden, van de wielrenner Arie van Vliet: die man rijdt met z’n
hersens.
Maar ik moet niet afdwalen.
Het
verkeer vanaf Schiphol komt erbij. Tweevijftig. Het gaat goed zo. Tweehonderdzestig.
Volgens Autovisie zou de top tweetwintig zijn. Het is inderdaad een bijzondere
motor, maar wat is een formulemotor? Een Formule 1 motor?
Uit
voorzorg geef ik een groot lichtsignaal. Tweehonderdzeventig. De snelheidsmeter
draait verder. Ik kan maar heel even naar de meter kijken. Ik hou alle
auto’s die ik passeer in de gaten. Ik hou het gas er op. Mijn hart
zwelt.
De laatste zonnestralen reflecteren fel verschillende kleuren in de blauwe
richtingborden, die pal op de zon staan. De omgeving begint al wat donkerder
te worden. Rechts naast de weg zie ik Garage De Snelheid weer.
Dan
kijk ik in een oogwenk naar de snelheidsmeter. Tweehonderdtachtig. De
tijd staat bijna stil.
Het
is een groene Ferrari. De enige die in een groene Ferrari rijdt is de
Prins. Waarom doet Hans zo geheimzinnig over deze auto?
Jan,
die een tijd in Modena heeft gewoond heeft daar de Prins een paar maal
gezien. Reed de Prins in deze auto naar zijn vriendin? Naar wie zal ik
rijden?

Prins Bernhard en Enzo Ferrari.
Ik kan wel doorrijden, naar een vriendin, maar inmiddels is het heel goed
mogelijk dat de tijd op het feestje voor de eigenaar ook is omgevlogen
en hij zich afvraagt waar zijn Ferrari is gebleven. Daarom rem ik af bij
de RAI en als een prins zo vorstelijk rij ik langzaam terug naar huis.
Na
de komst van de Enzo in het voorjaar van tweeduizenddrie denk ik geregeld
terug aan het avontuur in de groene Ferrari, en ik maak van een Enzo een
foto, omdat ik van de Ferrari van de Prins destijds er geen heb gemaakt.
Ik hoop stilletjes dat Hans nog eens langs komt met een groene Enzo. Toch
weet ik vrijwel zeker dat ik me er minder in zal thuis voelen dan in de
365 GT, zoals ik denk dat de groene Focke Wulf fighter plane trainer,
waarin ik een keer gevlogen heb, mij beter zal passen dan de Ferrari Starfighter.
Een heel ander verhaal.
Opmaat naar de latere Ferrari's: Muiderstraatweg 29-11-1937-
|
|
|
Het was zó'n strak programma dat ik in Milwaukee echt geen uurtje kon vrij maken om de Harley-Davidson fabriek van binnen te zien. Als voorbereiding had ik het adres wel bij me, maar ik kon zelfs een snel bezoekje er niet tussen schuiven. Vanaf half negen was ik al volgens schema en aan de hand van de shotlist aan het fotograferen in de South Mall supermarkt, en dat zou zo doorgaan tot in de avond, onderbroken door een lunch met de store manager. In de ochtend fotografeerde ik als locale kleur de Mall Steppers, vrouwen in de leeftijd van gepensioneerde dames, die in een straf tempo in hun eentje en ook wel als naaikransjes van twee of drie met elkaar pratend door de gangen stapten, keurige joggers die elkaar's gezelschap zochten en de linke trottoirs van de stad meden. Ze kwamen met de auto, en waagden zich verder niet op straat. In de Hyatt werd een Brewers Convention gehouden, maar in Milwaukee zat voor mij het werk erop. In de lobby raakte ik aan de praat met enkele congresgangers maar ik dronk niet meer dan een cola. De volgende ochtend reed ik alweer in mijn Pontiac vroeg terug naar Chicago, langs Lake Michigan. Even voor het havenplaatsje Racine werd ik rechts ingehaald door een Harley lowrider met bijna geen geluiddemper. We moesten alle twee stoppen voor een verkeerslicht, ik liet het rechter portierraam zakken, pakte mijn camera en maakte een paar opnamen. Toen we wegreden zag ik pas dat de jongen op de motor geen rechterhand had maar een chromen haak. De jonge, veelbelovende pianist, dacht ik. Hij zal gedacht hebben dat het mij om z'n haak ging, terwijl het mij om het geluid te doen was. Bij het volgende stoplicht sloeg hij linksaf. Hij zwaaide, met z'n haak. Het was heerlijk weer. De zon straalde van links de auto in. Ik zocht op de radio naar muziek die bij m'n stemming paste, Bill Evans, uit de zestiger jaren, een zonnige, lieve piano. Tot aan O'Hare Airport werd het een popzender, in het vliegtuig van Chicago naar Newark een film met Clint Eastwood.
Op Newark huurde ik een andere auto, een Ford Taurus, om daarmee eerst naar vrienden in Montclair te rijden - praten over de huidige stand van zaken in de Formule 1, tegen een achtergrond van Mendelssohn - en de volgende dag naar Lancaster in Pennsylvania, waar ik een nieuwe superstore van Giant moest fotograferen, een nieuwe indeling, een nieuw front, en de mensen, van de manager tot de bag packers , winkelende huisvrouwen en gezinnen, kids waar de manager een praatje mee maakte - ' I didn't get my hug today! ' - binnen het zoeken naar de dingen op het boodschappenlijstje, het afrekenen en het inladen op het parkeerterrein.
In de middag had ik mijn shotlist afgewerkt, niet later dan ik had gepland en gehoopt en kon ik doorrijden naar York, waar de motoren van Harley die gebouwd werden in Milwaukee in de frames werden gemonteerd, waar de hogs van de band rolden en voor het eerst hun gepatenteerde sound lieten horen. De volgende ochtend zou ik meelopen met een excursie en alles zien en ondergaan. Weer was ik aangewezen op een locale radiozender, geen strenge muziek van de Amish community maar country en western, en niet de New World Symphony va n Dvo?ák die ik in mijn hoofd had. In het tegenlicht van een laagstaande zon hoorde ik flarden oude muziek. Langs de brede betonnen freeway lagen flarden van kapotte vrachtwagenbanden. In de buurt van York haalde ik met een rustig vaartje een groep Harleys in, acht, negen, tien paar wielen. Als trailer voor de avond kwamen in de avondlucht de logo's van hotels in beeld. Zonder dat ik daar speciaal geboekt had reed ik alsof ik er bekend was op het logo af van een Holiday Inn, onder de enorme stenen baldakijn voor de ingang door en zette daar de auto weg. Zeven uur was voor buitenlandse begrippen te vroeg om de gaan eten, maar dat wilde ik wel. Het restaurant was een ruime ruimte met erg veel ronde tafels. Ik mocht aan de tafel zitten die ik had uitgekozen, een meter of tien rechts van een vleugel waar een in groen geklede pianiste stemmige, klassieke restaurantmuziek speelde, Schubert? Het zou een steak worden, well done . Het was een echte Amerikaanse holiday geworden, maar de verleidelijk mooie pianiste gaf er wel een oude wereld toon aan. Ik probeerde wat te schrijven op m'n pda; eigenlijk probeerde ik dit te schrijven, maar mijn ogen en m'n gedachten zwierven steeds weer naar haar, Doris Day, maar dan slanker. En ik stelde me voor hoe ze zou wonen, in een groene buitenwijk met brede lanen, in een grijs geverfd houten huis en laat zonlicht op de porch, een schommelstoel uiteraard. Pianomuziek door de screen door. Mendelssohn? Zou het een rustige ontmoeting worden als ik haar zou weerzien? Wat zou ik dan willen drinken. Cola? Toch een Baileys? Port? Whisky?
Een spot in het plafond scheen op haar goudblonde haar, streek over haar schouders en beroerde haar rug, cool, en zwoel ook. Het was nog stil, straks zou het misschien vol zitten. Dan zou ze haar aandacht aan zoveel andere gasten moeten geven. Nu was ze er alleen nog voor mij, en voor de twee meisjes die aan een tafel naast me waren komen zitten, maar die ongegeneerd door haar recital heen zaten te roddelen, broddelen over hun werk, over guys op het werk. Dat stoorde me wel, het gebrek aan aandacht en waardering, en net niet hard genoeg zodat ik het kon volgen, salarissen, flirtations en plezier op de werkvloer. De dress van Doris was zo on-Amerikaans dat die me toch ook wel begon te bevreemden, een stijl die ik me kon voorstellen op het podium van de Kleine Zaal, daarom toch wel sfeervol, maar misschien een beetje fake. De steak was goed en het dessert was heerlijk, en ik voelde me ondanks het geroddel naast me buitengewoon gelukkig, ja. Was het Schubert? Van wie anders? Die armen, mooie ellebogen. Met niet-mooie ellebogen zou de muziek te hard en te mechanisch zijn geweest. De vleugel was geen Steinway, maar een Yamaha, het merk van de would-be Harley die ik bereed voordat ik een echte Amerikaanse twin had gekocht. Wat zou zij op haar vrije dagen doen. Zou ze morgen vrij hebben? Ik zou mijn terugreis kunnen uitstellen, en niet naar de Harley-Davidson fabriek kunnen gaan. Alleen maar een gesprekje op de porch. Als ik zo meteen naar m'n kamer zou gaan zou ik haar tenminste zachtjes zeggen 'that she had made my day'. En dan nog wat luisteren aan de tafel naast haar. En als dat zou lukken, dan gewoon rustig zien wat er van zou komen, in een pauze vragen of ik haar kon fotograferen, de porch in gedachten houdend. De muziek was te mooi om waar te zijn, maar steeds onbekender, waardoor het nog de hele avond zo zou kunnen doorgaan. Veel sneller dan ik later zelf had begrepen was ik opgestaan en naar de pianiste toegelopen, met over elkaar heen vallende blijken van waardering, met een stamelende hapering in mijn ouverture, omdat ik naar haar handen kijkend zag dat haar vingers de toetsten niet aanraakten, die leken te worden bespeeld door een onzichtbare tweelingzuster. |
| |